Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC9497

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
135745 - HA ZA 07-1076
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn na hun echtscheiding in 1983 overeengekomen dat de vrouw (kort gezegd) na pensionering van de man recht heeft op de helft van het toen opgebouwde pensioen (met toepassing van indexering)

De vrouw vordert medewerking van de man aan het verstrekken van een machtiging aaan het ABP waardoor haar deel rechtstreeks door het ABP aan haar wordt uitgekeerd. Op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid wordt, na belangen afweging, de vordering toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 135745 / HA ZA 07-1076

Vonnis van 6 februari 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.T.L.M. Gieskes te Zwolle,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. M.C. Dorresteijn te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 december 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 29 november 1963 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij vonnis van deze rechtbank van 20 oktober 1982 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het vonnis is op 22 februari 1983 ingeschreven.

2.2. Bij akte houdende scheiding en deling tussen [eiseres] en [gedaagde] van 15 september 1986 is de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld. Met betrekking tot de pensioenaanspraken is het volgende in de akte opgenomen:

“- dat de helft van het verschil in de contante waarde van de pensioenaanspraken bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, conform aangehecht copie-schrijven de dato vijftien april negentienhonderd zes en tachtig van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds elf duizend zeshonderd drie en zestig gulden (f 11.663,--) bedraagt, welk bedrag zal worden verrekend door middel van een door de comparant sub 1 [[gedaagde] – rechtbank] genoemd aan de lastgeefster sub 2 [[eiseres] – rechtbank] genoemd te betalen voorwaardelijke uitkering, opeisbaar naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden, welke uitkeringen per twee en twintig februari negentienhonderd drie en tachtig vijf duizend vierhonderd twintig gulden per jaar bedraagt en welke uitkering zal worden aangepast via koppeling aan de index, welke voor de onderhavige pensioenaanspraken gebruikelijk is.”

2.3. [gedaagde] heeft op 29 januari 2006 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

2.4. Op 31 december 2007 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van EUR 1.059,80 betaald.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair beveelt zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van een machtiging aan ABP opdat aan [eiseres] automatisch maandelijks de pensioenrechten worden overgemaakt, subsidiair beveelt om vanaf 1 augustus 2007 aan [eiseres] per maand een bedrag van EUR 302,11 te voldoen, steeds aan te passen aan de hand van de door ABP vastgestelde indexeringscijfers,

II. veroordeelt tot betaling van het achterstallige bedrag van EUR 1.658,23 aan [eiseres], betrekking hebbende op de periode van 29 januari 2006 tot en met juli 2007, vermeerderd met de wettelijke rente,

III. veroordeelt tot betaling van de proceskosten, daaronder begrepen die van eventuele deskundigen.

3.2. [eiseres] stelt dat [gedaagde] steeds slecht meewerkt aan de betalingen. Daarom hecht zij er erg aan dat [gedaagde] een machtiging verschaft, waardoor het ABP het pensioengeld rechtstreeks aan haar betaalt en zij niet langer afhankelijk is van [gedaagde]. Een belangenafweging dient volgens [eiseres] in haar voordeel uit te vallen. [eiseres] heeft ter zitting ingestemd met de in de brief van het ABP van 20 augustus 2007 genoemde hoogte van het pensioen en de in de conclusie van antwoord weergegeven berekening van de achterstallige betaling.

3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat hij emotionele bezwaren heeft tegen het verstrekken van de machtiging, omdat hem steeds ten onrechte wordt verweten dat hij onvoldoende meewerkt. Daarnaast wenst hij vanwege praktische redenen van fiscale aard geen medewerking te verlenen aan het verstrekken van een machtiging. Indien hij deze machtiging verleent, wordt op zijn jaaropgave van het ABP niet vermeld dat het gedeelte bedoeld voor [eiseres] bruto van zijn netto-pensioen is ingehouden. [gedaagde] heeft hierdoor geen bewijs voor de fiscale aftrek bij zijn belastingaangifte. Door het bedrag maandelijks aan [eiseres] over te maken heeft hij daarvan wel bewijsstukken. [eiseres] ondervindt geen nadeel van deze werkwijze. In de brief van het ABP van 20 augustus 2007 is de waarde van het aan [eiseres] toekomende pensioen berekend. De waarde van het pensioen bedraagt per 29 januari 2006 EUR 3.157,89 en per 1 januari 2007 EUR 3.246,94 bruto per jaar. Uitgaande van deze waarde dient [gedaagde] nog een bedrag van EUR 1.059,80 aan [eiseres] te voldoen. Dit bedrag is op 31 december 2007 aan [eiseres] overgemaakt. Vanaf september 2007 maakt [gedaagde] maandelijks het correcte bedrag van EUR 270,58 aan [eiseres] over.

4. De beoordeling

Ten aanzien van de vordering onder I

4.1. Kernvraag is of [gedaagde] zijn medewerking dient te verlenen aan het verstrekken van een machtiging aan het ABP, waardoor het aan [eiseres] toekomende pensioen rechtstreeks aan haar wordt uitgekeerd. Partijen hebben daarover in de verdelingsakte geen afspraken gemaakt.

4.2. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat een ABP-deelnemer het ABP kan machtigen om van zijn ABP-pensioen maandelijks een bedrag over te maken naar zijn ex-partner. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd. Een ABP-deelnemer is in beginsel niet verplicht om een machtiging ten behoeve van zijn ex-partner af te geven.

4.3. De eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen bij een overeenkomst (in casu die van scheiding en deling) in acht dienen te nemen, kunnen echter meebrengen dat een dergelijke verplichting wel bestaat.

4.4. Blijkens de processtukken is [gedaagde] door de gemachtigde van [eiseres] bij brieven van 20 juni 2005 en 14 februari 2006 erop gewezen dat de pensioenuitkering geïndexeerd dient te worden. [gedaagde] erkent dat hij aanvankelijk het niet-geïndexeerde pensioen aan [eiseres] heeft betaald. In 2006 heeft hij EUR 204,95 per maand betaald en vanaf januari 2007 heeft hij EUR 210,70 per maand betaald. [gedaagde] erkent eveneens dat hij eerst per september 2007, derhalve na betekening van de dagvaarding, maandelijks het correcte geïndexeerde pensioen aan [eiseres] betaalt. [gedaagde] stelt voorts in de conclusie van antwoord van 7 november 2007 dat hij [eiseres] een bedrag van EUR 1.059,80 aan achterstallige indexering verschuldigd is. Dit bedrag heeft [gedaagde] eerst op 31 december 2007 aan [eiseres] overgemaakt. [gedaagde] voert weliswaar aan dat hij gewacht heeft met deze betaling, omdat hij nog in onderhandeling was met [eiseres], maar dit verweer gaat niet op. [eiseres] stelt in de dagvaarding dat de hoogte van de achterstallige betaling EUR 1.658,25 bedraagt, zodat [gedaagde] in ieder geval het lagere bedrag van EUR 1.059,80 aan [eiseres] had kunnen betalen.

4.5. Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat betalingen door [gedaagde] moeizaam zijn verlopen. Daarmee is een rechtens relevant belang van [eiseres] bij afgifte van de machtiging gegeven.

4.6. Het verweer van [gedaagde] dat hij door het verstrekken van de machtiging aan het ABP onvoldoende bewijs heeft om zijn fiscale aftrek bij de belastingaangifte aan te kunnen tonen, wordt niet gevolgd. Blijkens het proces-verbaal van comparitie heeft de tijdens de zitting geconsulteerde medewerkster van het ABP, mevrouw [A], verklaard dat de ondertekende machtiging als bewijsstuk bij de belastingaangifte kan dienen en dat de hoogte van de indexering blijkt uit het jaarlijkse pensioenoverzicht. Bovendien is niet gebleken dat, indien [gedaagde] ondanks deze stukken toch in bewijsnood zou komen te verkeren, het ABP niet bereid zou zijn een verklaring af te geven waaruit blijkt dat het aan [eiseres] toekomende pensioen door het ABP rechtstreeks aan haar is betaald. Van een concreet en serieus belang aan de zijde van [gedaagde] is dan ook niet gebleken.

4.7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [gedaagde] de gevraagde machtiging dient af te geven. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering onder II

4.8. [gedaagde] heeft berekend dat de hoogte van de achterstallige betaling EUR 1.059,80 bedraagt. [eiseres] heeft met deze berekening ingestemd. [gedaagde] heeft het verschuldigde bedrag op 31 december 2007 aan [eiseres] overgemaakt. Nu de vordering reeds is betaald, dient deze te worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering onder III

4.9. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van een machtiging aan ABP opdat aan [eiseres] automatisch maandelijks de pensioenrechten worden overgemaakt,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 6 februari.