Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC8943

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
Awb 07/1119
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geding is de vraag of het besluit van verweerder om de aanvraag tegemoetkoming TRI af te wijzen, de rechterlijke toets kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/1119

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. H. Tadema, advocaat en procureur te Deventer

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke Regeling Inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI) afgewezen.

Tegen dit besluit is op 19 maart 2007, aangevuld op 25 april 2007, een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit van 6 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 10 juli 2007, aangevuld op 15 augustus 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 12 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 29 januari 2008 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor

2. Overwegingen

In geding is de vraag of het besluit van verweerder om de aanvraag tegemoetkoming TRI af te wijzen, de rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is op 4 februari 1999 arbeidsongeschikt geworden voor haar werk als zelfstandig rijinstructrice gedurende 40 uur per week. Verweerder heeft eiseres per 3 februari 2000 een WAZ-uitkering toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Op 25 oktober 2004 heeft een medische herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres plaatsgevonden, naar de stelling van verweerder in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB). De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 25 oktober 2004 geconcludeerd dat er geen sprake is van duurzaam beschikbare mogelijkheden omdat er in grote mate sprake is van ADL-afhankelijkheid. Bij besluit van 28 oktober 2004 is eiseres meegedeeld dat haar WAZ-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

In 2006 is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres opnieuw beoordeeld waarna verweerder eiseres bij besluit van 24 november 2006 heeft meegedeeld dat de WAZ-uitkering met ingang van 25 januari 2007 wordt ingetrokken.

Eiseres heeft op 10 januari 2007 een aanvraag WW-uitkering of TRI-tegemoetkoming bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft eiseres bij besluit van 6 februari 2007 meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag TRI afgewezen op de grond dat alleen aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming na de eerste herbeoordeling in het kader van het aangepaste schattingsbesluit. Bij eiseres heeft deze eenmalige herbeoordeling plaatsgevonden op 25 oktober 2004. De herbeoordeling in 2006 was een professionele herbeoordeling waaruit de intrekking van de WAZ-uitkering per 25 januari 2007 is voortgevloeid.

Namens eiseres is gesteld dat de strekking van de TRI-regeling is dat personen die in het kader van toetsing aan het aangepaste schattingsbesluit hun uitkering kwijt raken gecompenseerd worden indien zij niet voor een WW-uitkering in aanmerking komen.

De behoefte aan zo’n compensatie bestaat ook in de situatie als waarin eiseres verkeert. Eiseres meent dat haar situatie valt onder de TRI omdat deze in 2006 nogmaals is getoetst aan het aangepaste Schattingsbesluit.

De rechtbank overweegt allereerst dat in het kader van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidwetten gestart is met de herbeoordelingsoperatie vanaf 1 oktober 2004. Daarbij is in het eerste cohort – dat, met vertraging, geduurd heeft tot 1 januari 2007 – begonnen met het keuren van de groep uitkeringsgerechtigden geboren op of na 1 juli 1956, waaronder ook eiseres valt.

Eiseres is, zo stelt verweerder, gekeurd in het kader van deze eenmalige herbeoordeling aSB op 25 oktober 2004. Hoewel het gezien de ingangsdatum van de herbeoordelingsoperatie op 1 oktober 2004 op zich mogelijk is dat eiseres reeds in dezelfde maand gekeurd is in dat kader, is de rechtbank evenwel van oordeel dat onvoldoende blijkt dat van een dergelijke keuring sprake is geweest op 25 oktober 2004. De rapportage van verzekeringsarts J. E. Kuit vermeldt weliswaar “Adviesaanvrage arbeidsongeschiktheidsbeoordeling eenmalige herbeoordeling ASB, maar de inhoud van deze adviesaanvraag wijst, gelet op de korte en bondige wijze waarop de arts - de bevindingen bij medisch onderzoek worden in enkele zinnen beschreven, er wordt geen informatie bij de behandelend sector opgevraagd gelet op de status quo van de diagnose - tot de conclusie komt dat er op medische gronden geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn tot het verrichten van gangbare arbeid, in de richting van een beoordeling volgens de regels van het “oude regime”.

Op 4 oktober 2006/30 oktober 2006 is eiseres opnieuw gekeurd door een verzekeringsarts van verweerder. Na deze keuring is, naar aanleiding van de rapportages van de verzekeringsarts en dat van de arbeidsdeskundige, welke laatstgenoemde in het rapport overigens vermeldt dat die keuring (d.d. november 2006) de eenmalige herbeoordeling betreft in het kader van het nieuwe schattingsbesluit, de WAZ-uitkering van eiseres ingetrokken.

Gelet op het bovenstaande moet dan ook geoordeeld worden dat voor eiseres de herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit welke heeft geleid tot intrekking van haar WAZ-uitkering eerst feitelijk heeft plaatsgevonden in oktober 2006. Deze toetsing, aan de hand van de criteria van het aSB, heeft er immers toe geleid dat eiseres’ WAZ-uitkering is beëindigd. De aanvraag van eiseres om haar een uitkering op grond van de TRI toe te kennen dient dan ook beoordeeld te worden in het licht van die herbeoordeling.

Afgezien daarvan overweegt de rechtbank dat het standpunt van verweerder, dat enkel na een eerste herbeoordeling in het kader van de herbeoordelingsoperatie ten gevolge waarvan een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verlaagd of ingetrokken, op een uitkering krachtens de TRI aanspraak kan worden gemaakt, naar haar oordeel niet strookt met de strekking van de TRI, te weten arbeidsongeschikten die worden geconfronteerd met de gevolgen van de eenmalige herbeoordeling tijdelijk te compenseren door aanvulling van hun inkomen. De toelichting op de regeling tegemoetkoming (Staatscourant 15 december 2004, nr. 242/pag. 30) spreekt over “een” herbeoordeling op grond van de herbeoordelingsoperatie waardoor arbeidsongeschikten een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen. Dat het enkel een eerste herbeoordeling in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie zou mogen betreffen blijkt hieruit niet.

Het is naar het oordeel van de rechtbank, gezien het feit dat eiseres feitelijk eerst naar aanleiding van de beoordeling in november 2006 te maken krijgt met de gevolgen van de herbeoordelingsoperatie, dan ook geenszins in overeenstemming met de bedoeling van de tegemoetkomingsregeling TRI haar tegen te werpen dat dit de tweede herbeoordeling betreft en om die reden haar TRI- aanvraag af te wijzen, daargelaten dat de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, oordeelt dat het hier feitelijk wel om een eerste herbeoordeling gaat.

Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat verweerder zijn besluit op onjuiste gronden heeft genomen en aldus vernietigd dient te worden. Het beroep wordt gegrond verklaard.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten moet naar het oordeel van de rechtbank met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van de onderhavige beroepszaak worden bepaald op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x

€ 322,--).

Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 39,-- wordt vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het UWV aan de griffier;

- gelast dat het UWV aan eiseres het griffierecht ad € 39,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. van der Maden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van G. Ballast als griffier, op 1 april 2008

Afschrift verzonden op: 4 april 2008