Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC8248

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
07.607326-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

strafmaat motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607326-07 (+ad info’s)

Datum: 20 maart 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum]

[woonplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 06 maart 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Dronten.

De officier van justitie, mr. A. Kengen, heeft ter terechtzitting gevorderd:

de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde, daarbij rekening houdende met de 9 ad informandum gevoegde zaken, tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- alsmede met betrekking tot de benadeelde partijen:

1. de vordering van [benadeelde partij] (feit 1) niet ontvankelijk te verklaren;

2. de vordering van [benadeelde partij] (feit 2) niet ontvankelijk te verklaren;

3. de vordering van [benadeelde partij] feit 3) niet ontvankelijk te verklaren;

4a. de vordering van [benadeelde partij] (feit 5) toe te wijzen tot een bedrag van € 750,-- en het overige deel van de vordering af te wijzen;

4b. de vordering van [benadeelde partij] (feit 5) toe te wijzen tot een bedrag van € 950,-;

5. de vordering van [slachtoffer] (feit 6)toe te wijzen tot een bedrag van € 501,66;

- telkens met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van een in beslag genomen kluis en een groene tas.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 tot en met 6 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 tot en met 6 telkens:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Daarbij heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de verdachte zich, naast de 6 bewezen verklaarde feiten, ook schuldig heeft gemaakt aan nog 9, naar aard en omvang, soortgelijke feiten zoals valt af te leiden uit de overige ter kennisneming van de rechtbank gebrachte processen-verbaal van politie, welke zich in het onderhavige dossier bevinden, en zoals ook door de verdachte ter terechtzitting is bevestigd.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de grote hoeveelheid inbraken (15 stuks) en de niet geringe schade die verdachte daarbij heeft toegebracht aan benadeelden. Voorts heeft zij daarbij in aanmerking genomen het strafrechtelijk verleden van verdachte, zoals dit moge blijken uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 03 maart 2008, waarbij sprake is van 9 bladzijden strafblad met vrijwel uitsluitend veroordelingen voor vermogensdelicten. De rechtbank ziet, gelet met name op de documentatie, geen enkele ruimte voor het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf, zoals door de raadsman is bepleit.

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten van de op de lijst van in beslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen, te weten een kluis en een groene tas, nu voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan/kunnen worden aangemerkt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 05 september 2007 uitgebracht door Brijder Verslavingsreclassering arrondissement Alkmaar.

de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

Benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] te [woonplaats] (feit 1) zal worden afgewezen nu deze vordering niet is onderbouwd.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] te [woonplaats] (feit 2) is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] feit 3) is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] (op een tijdstip gelegen tussen 29-04-07 en 30-04-07) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 5 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van (in ieder geval)

€ 750,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die (voor dat deel) in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van feit 5 aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 750,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] (op een tijdstip gelegen tussen 17 mei 2007 en 20 mei 2007) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder feit 5 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 950,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van feit 5 aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 950,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadee[slachtoffer]benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 6 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 501,66, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van feit 6 aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 501,66 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

36 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank gelast de bewaring van de op de lijst van in beslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen, te weten een kluis en een groene tas ten behoeve van de rechthebbende(n).

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd te [woonplaats], van een bedrag van € 750,-- (zegge: zevenhonderdenvijftig euro). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 750,--, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voornoemd voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd te [woonplaats], van een bedrag van € 950,-- (zegge: negenhonderdenvijftig euro). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 950,--, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadee[slachtoffer]benadeelde partij] gevestigd te [woonplaats], van een bedrag van € 501,66 (zegge: vijfhonderdenéén euro en 66 eurocent). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 501,66, ten behoeve van het s[slachtoffer]benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] te [woonplaats] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij]) in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Aldus gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mrs. M.A. Wijnands en J.P.C. Obbink, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2008.