Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC8169

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
Awb 07/489
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Universiteit Twente heeft voor wat betreft de verzending van e-maiis tijdens werktijd ten onrechte geoordeeld dat eiser zzich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich wel aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt door het niet laten verwijderen van verwijzingen naar de Universiteit Twente op een tweetal websites en door zijn ongeoorloofde afwezigheid op 28 februari 2006. Dit plichtsverzuim kan niet als zeer ernstig worden gekwalificeerd. De opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag is naar het oordeel van de rechtbank dan ook disproportioneel. Beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/489

Uitspraak

in het geding tussen:

A te B,

eiser,

gemachtigde mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam,

en

het college van bestuur van de Universiteit Twente,

verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder aan eiser disciplinair ontslag verleend, onder bepaling dat deze maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd, indien eiser in de periode van 8 juni 2006 tot 8 december 2007 dergelijk of ander ernstig plichtsverzuim als waarop dit besluit betrekking heeft nalaat en hij zich ook overigens gedraagt zoals van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Bij brief van 25 juli 2006 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 december 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 29 januari 2007 heeft eiser bij de rechtbank Almelo beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank Almelo heeft het beroepschrift op 14 maart 2007 doorgezonden naar deze rechtbank, aangezien deze rechtbank bevoegd is. Verweerder heeft op 14 december 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 21 februari 2008 behandeld ter zitting. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Bruin. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. (…) en (…).

2.Overwegingen

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Eiser is sinds 1985 werkzaam bij de Universiteit Twente, thans in de functie van medewerker onderwijsontwikkeling bij de Dienst ITBE van de Universiteit Twente. Naast de functie die eiser bij de Universiteit Twente vervult heeft eiser een eigen bedrijf, geheten (…). Dit bedrijf is gevestigd in Deventer. Tevens verricht eiser werkzaamheden ten behoeve van(…), een onderwijskundige stroming. Bij brief van 6 maart 2006 heeft de directeur van de Dienst ITBE verweerder verzocht om eiser onvoorwaardelijk disciplinair ontslag te verlenen, vanwege plichtsverzuim. Naar aanleiding van de brief van de directeur van de Dienst ITBE heeft verweerder zich vervolgens een oordeel gevormd over eisers gedrag en eiser bij besluit van 14 juni 2006 voorwaardelijk disciplinair ontslag verleend.

In artikel 3, eerste lid, van de Regeling Disciplinaire Maatregelen Universiteit Twente 1998 (verder: de Regeling) is bepaald dat het personeelslid dat zich schuldig maakt aan plichtsverzuim of de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt een disciplinaire maatregel kan worden opgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Regeling omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, wat een goed personeelslid in gelijke omstandigheden niet behoort te doen of na te laten. Onder plichtsverzuim wordt mede begrepen het niet nakomen van aan een personeelslid opgelegde verplichtingen. Op grond van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Regeling is van plichtsverzuim geen sprake als er geen enkel verband is met de functie die het personeelslid uitoefent en het plichtsverzuim op de uitoefening van die functie niet van invloed is.

Op grond van het bepaalde in artikel 6 van de Regeling jo. artikel 5, derde lid, van de Regeling, kan verweerder, op verzoek van degene die met het beheer van een eenheid van de universiteit is belast, besluiten tot het opleggen van disciplinair ontslag. Uit het bepaalde in artikel 7 van de Regeling volgt dat bepaald kan worden dat een disciplinaire maatregel, waaronder disciplinair ontslag, niet ten uitvoer zal worden gelegd, als het personeelslid zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim of enig ander ernstig plichtsverzuim.

De rechtbank constateert dat de in het besluit van 14 juni 2006 genoemde proeftijd als bedoeld in artikel 7 van de Regeling, op 8 december 2007 is verstreken. Het bij het bestreden besluit gehandhaafde voorwaardelijk ontslagbesluit van 14 juni 2006 kan dan ook niet meer ten uitvoer worden gelegd. De rechtbank is evenwel, in navolging van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2005 (TAR 2005/82) en van 26 april 2007 (TAR 2007/105), van oordeel dat bij de schriftelijke vastlegging dat een ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim zijn rechtspositionele belang rechtstreeks betrokken is, ook al kan geen straf meer worden opgelegd. In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerders oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim zal worden opgenomen in eisers personeelsdossier. Eiser heeft dan ook, ondanks het feit dat de disciplinaire straf niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, nog steeds belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

Verweerder verwijt eiser het volgende:

a.Eiser heeft tijdens werktijd nevenwerkzaamheden verricht ten behoeve van (…). Verweerder heeft, met behulp van een zoekmachine, op internet onderzoek laten verrichten naar e-mailverkeer vanaf aan de Universiteit Twente toebehorende e-mailadressen. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat eiser tijdens werktijd e-mails heeft gestuurd ten behoeve van (…).

b.Eiser heeft het doen voorkomen alsof nevenwerkzaamheden werden verricht namens de Universiteit Twente. Zo wordt op de site van het (…), waar deze site verwijst naar eisers nevenwerkzaamheden in het kader van zijn eigen bedrijf, tevens verwezen naar de homepage van het Onderwijskundig Centrum van de Universiteit Twente en wordt een aan de Universiteit Twente toebehorend e-mailadres genoemd. Tevens wordt een aan de Universiteit Twente toebehorend e-mailadres genoemd op een Volkskrantblog over eisers project “(…)”.

c.Eiser is op 22 februari 2006 en op 28 februari 2006 ongeoorloofd afwezig geweest van zijn werk.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plichtsverzuim waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt dermate ernstig is, dat voorwaardelijk ontslag een proportionele sanctie is.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van hetgeen verweerder eiser verwijt als volgt:

Ad a.De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd is om, bij wijze van controle op nevenwerkzaamheden tijdens werktijd, onderzoek te verrichten naar e-mailverkeer dat afkomstig is van aan de Universiteit Twente toebehorende e-mailadressen. Naar het oordeel van de rechtbank is bij het door verweerder verrichte onderzoek in voldoende mate rekening gehouden met het belang van eisers privacy, nu niet aannemelijk is geworden dat verweerder in het kader van dit onderzoek de inhoud van de desbetreffende e-mails heeft ingezien.

Gebleken is dat de Universiteit Twente vooralsnog niet beschikt over een gedragscode in verband met het gebruik van internet en e-mail door medewerkers van deze universiteit. De rechtbank is evenwel van oordeel dat uit de algemene gedragsnorm van artikel 2, eerste lid, van de Regeling volgt dat het op de werkplek gebruiken van internet en e-mail voor privé-doeleinden onder omstandigheden plichtsverzuim kan opleveren. Hiervan is sprake, indien een medewerker behoort te begrijpen dat hij dergelijk gebruik – ook zonder dat sprake is van een expliciet voorschrift hieromtrent - achterwege behoort te laten.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser verwijt dat hij gedurende een periode van omstreeks drie maanden, van medio november 2005 tot medio februari 2006, vanaf zijn werkplek 33 e-mails verstuurd heeft die betrekking hebben op eisers nevenwerkzaamheden voor (…). Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het feit dat door een zoekmachine een verband is gelegd tussen geadresseerden en (…) niet worden afgeleid dat deze geadresseerden zich met (…)bezig hielden en evenmin dat de inhoud van de e-mails verband hield met (…). De rechtbank is overigens van oordeel dat de omvang van dit niet aan eisers werkzaamheden voor de Universiteit Twente gerelateerde e-mailgebruik, over een periode van omstreeks drie maanden, niet zo substantieel is dat eiser had behoren te begrijpen dat hij dergelijk incidenteel privé-gebruik achterwege had moeten laten. Verweerder heeft, voor wat betreft de nevenwerkzaamheden tijdens werktijd, dan ook ten onrechte geoordeeld dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Ad b.Tussen partijen is niet in geschil dat op de site van het (…), waar deze site verwijst naar eisers nevenwerkzaamheden in het kader van zijn eigen bedrijf, en op een Volkskrantblog over eisers project “(…)” verwezen wordt naar de homepage van het Onderwijskundig Centrum van de Universiteit Twente en/of een aan de Universiteit Twente toebehorend e-mailadres. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen om er zorg voor te dragen dat deze verwijzingen ongedaan werden gemaakt. Dit was te meer zo, nu eiser hierop door zijn leidinggevende was aangesproken. Niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk was om deze verwijzingen ongedaan te laten maken. In dit opzicht heeft eiser, door deze verwijzingen niet ongedaan te (laten) maken, zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Ad c.Vast staat dat eiser op 22 februari 2006 gedurende drie uren afwezig was van zijn werk en dat eiser op 28 februari 2006 de hele dag afwezig was van zijn werk, zonder dat eisers leidinggevende hiervan op de hoogte was.

Eiser heeft verklaard dat hij op 22 februari 2006 niet aanwezig was, vanwege lekkage aan zijn centrale verwarming thuis, welke met spoed gerepareerd moest worden. Eiser heeft verklaard dat zijn aanwezigheid thuis vereist was, om de verwarmingsmonteur te kunnen ontvangen. Eiser heeft voorts verklaard dat hij de secretaresse van de Dienst ITBE op de hoogte heeft gesteld van zijn afwezigheid, omdat zijn leidinggevende op dat moment telefonisch niet bereikbaar was. Ter zitting is gebleken dat verweerder hiernaar geen navraag heeft gedaan bij de secretaresse van de Dienst ITBE. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de op verweerder rustende plicht om besluiten zorgvuldig voor te bereiden, op de weg van verweerder had gelegen om hiernaar navraag te doen. De enkele omstandigheid dat de secretaresse dit niet uit eigen beweging aan eisers leidinggevende heeft doorgegeven is onvoldoende om aan te nemen dat eiser zich dus niet bij haar heeft afgemeld. Nu verweerder heeft nagelaten om hiernaar navraag te doen, moet het er voor worden gehouden dat eiser zich heeft afgemeld bij de secretaresse van de Dienst ITBE. De rechtbank is, gelet op de door eiser geschetste situatie op 22 februari 2006, waardoor eisers aanwezigheid thuis vereist was, van oordeel dat het eiser niet kan worden verweten dat hij zich, toen hij zijn leidinggevende niet telefonisch kon bereiken, heeft afgemeld bij de secretaresse van de Dienst ITBE. Niet gebleken is dat ten gevolge van eisers tijdelijke afwezigheid op 22 februari 2006 problemen zijn ontstaan bij de Dienst ITBE. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zich, door zijn afwezigheid op 22 februari 2006, dan ook niet schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Eiser heeft verklaard dat hij op 28 februari 2006 niet aanwezig was op zijn werk, omdat hij die dag een landelijke bijeenkomst heeft bijgewoond, die hij van zijn leidinggevende niet mocht bijwonen. De rechtbank is van oordeel dat het eiser niet vrijstond om, tegen de uitdrukkelijke wens van zijn leidinggevende in, deze bijeenkomst bij te wonen. Dat eiser meende dat zijn aanwezigheid bij deze bijeenkomst van groot belang was voor zijn werkzaamheden in het kader van het ‘(…)’ doet hieraan niet af. Eiser heeft zich in zoverre dan ook schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Nu eiser zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, was verweerder bevoegd om hem een disciplinaire straf op te leggen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het plichtsverzuim waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt, door het niet laten verwijderen van verwijzingen naar de Universiteit Twente op een tweetal websites en door zijn ongeoorloofde afwezigheid op 28 februari 2006, niet als zeer ernstig kan worden gekwalificeerd. De opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook disproportioneel.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen.

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-gelast verweerder om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,-, door de de Universiteit Twente te betalen aan eiser;

-gelast dat de de Universiteit Twente aan eiser het betaalde griffierecht ad € 141,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. J.J. Szauer-Bos, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op

Afschrift verzonden op: