Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC7709

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
105764-3 / HA ZA 05-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op AY5722. 86-jarige man, die in een verslechterende gezondheid verkeerde, benoemt een paar dagen voor zijn overlijden – vlak na een bezoek van de pastoor en de notaris – de RK parochie tot zijn enige erfgenaam. Zijn enige dochter vordert primair een verklaring voor recht dat testament niet rechtsgeldig is. Zij dient te bewijzen dat haar vader ten tijde van het laten opmaken van zijn testament niet in staat was om zijn wil te bepalen. Beoordeling van getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 105764 / HA ZA 05-185

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M.G.I.W. Teunis,

advocaat aanvankelijk mr. F.P. van Dalen, thans mr. W. Huizing te Leeuwarden,

tegen

de kerkelijke rechtspersoon

ROOMS-KATHOLIEKE PAROCHIE VAN DE H. LUDGERUS,

gevestigd te Dronten,

gedaagde,

procureur mr. E.A.M. Claassen,

advocaat mr. R.A.A. Geene te Assen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Parochie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 mei 2006

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 augustus 2006

- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiseres] van 23 mei 2007

- de antwoordakte aan de zijde van de Parochie van 6 juni 2007

- het proces-verbaal van voortzetting van verhoor en van tegenverhoor van 16 augustus 2007

- de akte overlegging productie aan de zijde van [eiseres] van 2 oktober 2007

- de akte overlegging producties aan de zijde van de Parochie van 3 oktober 2007

- de akte aan de zijde van [eiseres] van 31 oktober 2007

- de antwoordakte aan de zijde van de Parochie van 31 oktober 2007

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 10 mei 2006 (hierna: het tussenvonnis) is aan [eiseres] opgedragen te bewijzen dat haar vader [vader] (hierna: vader) ten tijde van het laten opmaken van zijn testament op 23 september 2004 niet in staat was om zijn wil te bepalen.

2.2. [eiseres] heeft als eerste getuige zichzelf doen horen. Zij heeft onder meer verklaard:

“U vraagt mij hoe vaak ik vader vanaf maart 2004 bezocht. Vanaf die maand, dus nadat hij die tia had gehad heb ik hem iedere week wel bezocht. Hij belde mij ook vaak, met name ’s ochtends vroeg. Vanaf juni/juli 2004 ben ik vaker gegaan, circa tweemaal in de week. Dat was met name omdat er dingen mis gingen en de buren belden. Onder meer bleek dat hij in die periode in de sloot was gereden met de auto.

Mijn vader was vaak verward, maar met ups en downs, soms wel soms niet. Er liepen dingen fout, zowel met het eten als met de inname van medicijnen. Deels liep het mis omdat hij verward was, deels omdat hij eigenwijs was. Hij nam van een ander niets aan.

Ook in de dagen voor 23 september was hij verward. Niet alleen ’s nachts, maar ook overdag. (…)

Kort voor de 23ste september, toen hij mij onterfd heeft, zijn er spanningen tussen hem en mij ontstaan. Ik weet niet of dat de dag voor de 23ste was of eerder. Volgens mij een paar dagen eerder. Ik zal u daarover vertellen. [A], de hoofdverzorgster van Icare, had mij gebeld of ik voor de thuiszorg kon invallen. Dat gebeurde vaker. Ik ben toen alleen naar vader in [woonplaats] gegaan. Vader was heel erg lastig. Hij wilde de hele tijd het bed uit. Ik had aan [A] beloofd dat ik hem niet het bed uit zou laten gaan. Ik wilde het niet maar ik durfde het ook niet. Het was namelijk vaker voorgevallen dat hij viel als hij eenmaal uit bed was en dan weer door de verpleging in bed gelegd moest worden. Vader vroeg mij telkens om uit bed te mogen. Ik wist me geen raad en ik ben in de keuken gaan zitten. Vader riep daarop mijn naam en begon aan het bed te rammelen. Hij deed pogingen om eruit te komen, maar er zat een hek om het bed waardoor hij er niet uit kon. Het lukte hem niet. Het was vreselijk om aan te horen. (…)

Op vragen van mr. Huizing kan ik als volgt antwoorden. Vader werd de laatste weken voor zijn overlijden wel verwarder, het werd erger.

(…)

Mr. Huizing houdt mij de passage voor op pagina 24 van de thuiszorgadministratie, waar staat vermeld: “dhr. was heel verward, wist gewoon niets meer, ook niet hoe hij in bed moest”. Dat klopt, dat was ook mijn indruk.

De volgende dag heb ik dr. [huisarts] gebeld. Ik vertelde hem dat vader mij onterfd had. Dat had hij al van de thuiszorg gehoord. Hij zei me: “met deze medicatie had uw vader nooit zo’n belangrijke beslissing mogen nemen”.”

2.3. Aan de zijde van [eiseres] zijn vervolgens de heer [partner van eiseres], haar zonen [B] en [C] alsmede [huisarts] gehoord.

2.4. [partner van eiseres] heeft verklaard:

Ik ben de partner van mevrouw [eiseres]. Ik ben vaak met [eiseres] bij haar vader op bezoek geweest. Op het laatst kwamen we er wel bijna dagelijks, omdat we dan moesten oppassen.

(…)

Ik kon wel met [vader] praten, maar het ging heel moeilijk. Hij was ziek, hij zat onder de medicijnen en daardoor was hij versuft. Die medicijnen kreeg hij altijd. Ik heb hem de laatste paar weken nooit meer helder gezien. En als ik praatte reageerde hij wel, maar heel wazig.

(…)

Op de 23ste september ben ik ook bij [vader] geweest. De thuiszorg had ons gevraagd om om 16.00 uur te komen. Ik heb op die dag niet met vader gepraat. Er was niet meer mee te praten. (…)

2.5. [B] heeft onder meer verklaard:

“Vanaf 14 september was ik in het buitenland. Ik ben op die 14de september voor het laatst bij mijn grootvader geweest. Voor die datum ging ik naar schatting zo eens in de week naar hem toe.

Ik kon wel met hem praten. Mijn grootvader was overigens geen gemakkelijke man om mee te praten, hij was eigenzinnig. Maar een gesprek was wel mogelijk.

Op 14 september, toen ik dus voor het laatst bij hem was vond ik dat hij vooral geestelijk achteruit was gegaan. (…)”

2.6. [C] heeft verklaard:

“Ik ben in de laatste paar maanden voor het overlijden van mijn grootvader zo ongeveer eens in de twee a drie weken naar hem toe geweest. Ongeveer twee weken voor zijn overlijden heb ik hem voor het laatst opgezocht.

Die laatste keer dat ik hem opzocht kon ik nauwelijks met hem praten. Het ging nergens meer over. Er zat geen structuur meer in. Ik denk dat hij me niet kon volgen. Hij moest moeite doen om contact met me te hebben. Hij lette niet meer op.

(…)”

2.7. [huisarts] heeft verklaard:

“Ik ben de huisarts geweest van de heer [vader].

U vraagt mij of ik aan mevr. [eiseres] woorden heb gezegd in de sfeer van: “uw vader kon nooit zo’n belangrijke beslissing genomen hebben met die medicatie. In die situatie kan zoiets belangrijks niet worden getekend.” Het kan heel goed zijn dat ik woorden van deze strekking heb gezegd. Of ik de medicatie heb vermeld weet ik niet.

(…)”

2.8. Tijdens de voortzetting van getuigenverhoor op 16 augustus 2007 heeft [eiseres] doen horen mr. dr. J.W. Bins, arts (hierna: Bins). Bins heeft op verzoek van partijen het zorgdossier bestudeerd en in een rapport van 27 februari 2007 verslag uitgebracht van zijn bevindingen.

2.9. J.W. Bins heeft verklaard:

“Ik ben klinisch farmacoloog en ik heb een eigen kantoor als zodanig.

(…)

Ik kom tot de conclusie, aan het slot van mijn rapport, dat ik het onwaarschijnlijk acht dat de heer [vader] op 23 september 2004 om 13.25 uur in staat was zijn wil te bepalen en een redelijk antwoord op de vragen te geven die de notaris hem gesteld heeft of had kunnen stellen. U vraagt mij of de huisarts deze mening deelde. Laat ik het zo zeggen. Ik heb in mijn gesprek met de huisarts op deze conclusie gezinspeeld en ik had niet de indruk dat de huisarts mijn conclusie zou willen bestrijden.

(…).”

2.10. Aan de zijde van De Parochie zijn in de contra-enquête de volgende vijf getuigen gehoord.

2.11. E. D. de Jongh, van beroep notaris, heeft verklaard:

“U vraagt mij eerst omtrent de gang van zaken terzake mijn inschakeling. De pastoor heeft contact opgenomen met de heer Hutten die op mijn kantoor werkzaam is. Dat moet één of twee dagen voor het passeren geweest zijn. De heer Hutten heeft aan de heer [pastoor] meegedeeld dat hij daarover de heer [vader] zelf wilde spreken. Enige tijd later heeft [eiseres] zelf met de heer Hutten gebeld.

De heer Hutten heeft mij verteld dat [vader] zijn testament wilde wijzigen. Ik heb twee gesprekken gehad met [vader], beide op de dag van het passeren. Het eerste gesprek vond omstreeks 12.30uur plaats. [vader] heeft mij tijdens dat gesprek verteld dat hij zijn dochter wilde onterven en de Parochie als erfgenaam wilde benoemen. Vervolgens ben ik teruggegaan naar kantoor om het testament op te stellen. Vervolgens ben ik weer teruggegaan naar [vader] voor het voorlezen en ondertekenen.

In mijn beleving is de pastoor alleen de eerste keer aanwezig geweest. De heer [vader] lag in de woonkamer, de heer [pastoor] heeft zich tijdens het gesprek teruggetrokken in de bijkeuken.

Mijn eerste gesprek met [vader] vond omstreeks 12.30uur of iets na half een plaats. Ik had het vorige testament bij me. Ik heb hem uitgelegd wat in zijn vorige testament stond en ik heb hem gevraagd wat hij wilde regelen. Daarop heeft [vader] mij gezegd dat de kerk erfgenaam moest worden en dat zijn dochter niets moest krijgen.

Ik heb hem vervolgens gevraagd of het legaat van de kinderen van zijn dochter in stand moest blijven. Dat was namelijk ook in het vorige testament opgenomen. Daar heeft [vader] bevestigend op geantwoord.

Ik heb hem gezegd: “u onterft uw dochter, maar zij heeft wel recht op een legitieme portie”, althans woorden van die strekking. Ik heb [vader] gevraagd of die legitieme portie ten laste van de kleinkinderen moest komen, of ten laste van de kerk. [vader] heeft geantwoord dat dat ten laste van de kerk moest komen. Naar mijn mening vereist het antwoord op een dergelijke vraag een zeker abstractievermogen.

Tijdens ons gesprek was [vader] vrij helder. Ik heb hem geen antwoorden in de mond gelegd. Ik heb hem open vragen gesteld en hij heeft daarop ook geantwoord en niet alleen met ja en nee, maar ook door het formuleren van hele zinnen. Het waren wel vrij kort geformuleerde zinnen.

U vraagt mij of ik mij heb afgevraagd of [vader] in staat was zijn wil te bepalen. Dat heb ik inderdaad. Ik realiseerde me dat er op dit punt bepaalde richtlijnen waren, een bepaalde kantoorprocedure. Juist omdat ik me dat realiseerde heb ik bij het tweede gesprek ook getuigen meegenomen. Sinds 2003 is het niet meer gebruikelijk om testamenten in het bijzijn van getuigen te verlijden, tenzij daar in het kader van een protocol aanleiding toe is.

Ik heb ook onderzocht tijdens het eerste gesprek of [vader] in staat was zijn wil te bepalen. Ik heb hem vragen gesteld over waar we waren, het adres, zijn verjaardag e.d. Hij heeft daarop de antwoorden gegeven.

U vraagt mij of [vader] emotioneel was tijdens het gesprek. Ja, ik had de indruk dat hij bang was voor de dood. Maar ik had niet de indruk dat die angst zijn denken beïnvloedde.

U vraagt mij of ik aan [vader] gevraagd heb waarom hij zijn dochter wilde onterven. Die vraag heb ik inderdaad gesteld. [vader] antwoordde daarop dat er veel ruzie was geweest omtrent de afwikkeling van de nalatenschap van zijn vrouw. Volgens [vader] was zijn dochter hem nog geld schuldig. [vader] maakte zich daar boos over. De ruzie tussen [vader] en zijn dochter ging dus over dat geld. Of dat geld was met betrekking tot de boedel van zijn vrouw of met betrekking tot een lening weet ik niet. Ik had niet de indruk dat het een opwelling was, maar dat het hem al langer bezig hield.

Ik wist dat [vader] terminaal was. Dat was ook de reden dat ik haast heb gemaakt met het passeren van het testament.

Ik heb tijdens de gesprekken met [vader] er niet aan getwijfeld dat hij in staat was zijn wil te bepalen.

U houdt mij het testament voor. De handtekening onder dat testament is van [vader]. Ik heb gezien dat hij zijn handtekening zette. [vader] lag op bed en hij had moeite om vanuit die positie zijn handtekening te zetten. Het lukte dan ook niet helemaal volgens hem, en daarom wou hij hem nog een keer zetten. Daarom is de handtekening een beetje lang uitgevallen.

Ik heb het er met [vader] over gehad dat de onterving tot problemen met zijn dochter zou leiden. Ik had de indruk dat hij dat eerder opzocht dan dat het hem afschrok. [vader] was een rechtlijnige man, een zwart-witdenker. Ik had hem tevoren in een ander verband al enige malen meegemaakt.

Op vragen van mevrouw van der Kwaak kan ik antwoorden dat het mij bekend is dat er richtlijnen van de beroepsorganisatie zijn. Vandaar dat ik ook controlevragen heb gesteld, met voorbeelden heb gewerkt en getuigen heb meegenomen. Verder zijn er nog dossiernotities van de heer Hutten. Juist met het oog op de situatie heb ik hem gevraagd de telefoongesprekken vast te leggen.”

2.12. J.H. Hutten heeft verklaard:

“Ik ben kandidaat-notaris en ben werkzaam op het kantoor van de notarissen de Jongh en van Dijk.

U vraagt mij wat mijn bemoeienis is geweest in het kader van het opmaken van het testament van [vader]. De pastoor is langsgekomen op kantoor. Hij vertelde dat hij namens [vader] kwam. Wij zijn even samen apart gaan zitten. Wij hebben een gesprek van een paar minuten gehad. De pastoor vertelde me dat [vader] zijn testament wilde wijzigen. Ik kan me niet meer herinneren of de pastoor me gezegd heeft dat [vader] zijn dochter wilde onterven. Ik heb aan de pastoor gezegd dat het wijzigen van het testament niet via via ging, maar dat [vader] zelf contact moest opnemen. De pastoor vertelde dat [vader] op zijn sterfbed lag en dat hij dus niet zelf kon komen. Ik heb hem gezegd dat het ook op locatie kon.

Korte tijd daarna belde [vader] naar kantoor en vroeg naar mij. Ik neem aan dat de pastoor na zijn bezoek aan mij naar [vader] is geweest en aan [vader] heeft gezegd dat hij zelf kontact met mij moest opnemen. [vader] vertelde me dat hij zijn testament wilde wijzigen. Hij of de pastoor maakte melding van een afspraakreservering voor 16.00uur voor diezelfde dag met notaris van Dijk. Ik kon dat niet uit de agenda halen. [vader] vertelde me dat hij nog maar kort te leven had en dat hij ruzie had met zijn dochter en dat hij daarom zijn testament wilde wijzigen. Hij is verder niet inhoudelijk op die ruzie ingegaan.

(…)

Ik had de indruk dat de heer [vader] wist wat hij wilde. Hij was heel stellig en gehaast.”

2.13. [F] heeft verklaard:

“Ik ben aanwezig geweest bij de ondertekening van het testament door [vader]. U houdt mij de laatste pagina van het testament voor. De handtekening links onder is van mij.

Toen we binnenkwamen heb ik me wel even aan [vader] voorgesteld, maar verder heb ik niet met hem gesproken.

Ik herinner me dat [vader] moeite had zijn handtekening te zetten. Hij lag op bed en moest een beetje overeind komen om te kunnen tekenen. Hij had er duidelijk moeite mee. Hij zei: “de laatste letters horen er ook bij. Het is [vader] en niet anders”. Daarop heeft hij er nog wat krabbels achter gezet.

Notaris de Jongh heeft het testament voorgelezen. De notaris heeft ook met [vader] gesproken. [vader] heeft ook het een en ander gezegd, het was meer dan ja en nee, maar ik weet niet meer wat. Ik had wel de indruk dat hij wist wat hij deed. Hij was heel stellig.”

2.14. [G] heeft verklaard:

“U houdt mij de laatste pagina van het testament van de heer [vader] voor. De handtekening midden onder is mijn handtekening. Ik ben erbij geweest toen notaris de Jongh het testament voorlas en [vader] zijn handtekening zette.

Bij binnenkomst heeft de notaris ons voorgesteld en hebben wij [vader] een hand gegeven. De notaris heeft met [vader] gesproken, het was een kort praatje. Ik kan me niet meer herinneren wat er gezegd is. Zoals gezegd heeft de notaris ook het testament voorgelezen.

Daarna heeft [vader] zijn handtekening gezet. U houdt mij de handtekening voor. Het kostte [vader] duidelijk moeite. Toen hij een deel van zijn handtekening gezet had en het niet erg lukte zei de notaris dat het zo wel goed was. Maar [vader] wilde zijn hele handtekening schrijven. Hij sprak niet duidelijk. Het was meer lichaamstaal en dat bleek juist ook bij het zetten van die handtekening. Dat heb je wel meer bij mensen die op sterven liggen. Dan willen ze juist door het plaatsen van die handtekening duidelijk maken dat ze het echt gewild hebben.

Op een vraag van mr. van der Kwaak kan ik antwoorden dat ik inderdaad de indruk had dat [vader] wist wat hij wilde. Dat bleek juist ook bij het plaatsen van die handtekening.”

2.15. [pastoor] heeft verklaard:

“Ik ben pastoor van de parochie.

In januari 1986 ben ik benoemd tot pastoor van Dronten en omstreken. Sinds die tijd ken ik de heer [vader]. Ik kende hem van zijn bezoeken aan de kerk. Voordat hij mij verzocht bij hem thuis te komen voor de wijziging van zijn testament heb ik hem niet thuis bezocht.

Ik ben ook al voor 22 september 2004 bij hem thuis geweest, ongeveer een week tevoren. Hij had mij gevraagd of ik langs wilde komen en dat heb ik gedaan. Bij dit eerste bezoek heeft hij mij verteld dat hij zijn testament wilde wijzigen. Hij heeft mij toen gezegd hoe hij begraven wilde worden. Hij heeft mij toen ook gezegd dat hij zijn dochter wilde onterven en dat hij de parochie tot erfgenaam wilde benoemen.

Ik was daar verlegen mee. Ik heb hem gezegd: “Als dat uw wens is”, maar ik heb hem ook gezegd dat ik aan mijn parochiebestuur wilde voorleggen hoe ik hiermee om moest gaan. Ik kan me niet herinneren dat ik met hem besproken heb welke gevolgen onterving zou hebben voor de vader-dochterrelatie. Ik wist wel dat de verhouding tussen vader en dochter niet goed was. Tijdens dit gesprek heb ik dat uit zijn eigen mond gehoord. Tevoren had ik via via gehoord van de verstoorde relatie. (…)

Na dit gesprek heb ik het verzoek van [vader] besproken met de secretaris van het parochiebestuur, met het notariskantoor en met het Bisdom. Het Bisdom deelde mee dat als dit de wil van de desbetreffende is, dat die wil dan gerespecteerd moet worden.

Ik heb voorts een gesprek gehad met een assistent van het notariskantoor. Als u mij vraagt of dat de heer Hutten was, denk ik dat dat juist is. Ik heb met hem gesproken over de concrete gang van zaken bij wijziging van een testament.

Vervolgens ben ik op 22 september 2004 weer bij de heer [vader] op bezoek geweest en heb ik hem meegedeeld dat de parochie de erfenis wilde aanvaarden. De heer [vader] heeft mij toen gevraagd of ik contact wilde opnemen met het notariskantoor. Ik heb toen op zijn verzoek het notariskantoor gebeld en een afspraak gemaakt. Voor alle duidelijkheid wil ik opmerken dat ik dus al eerder in de week ervoor contact had gehad met het notariskantoor om hen advies te vragen naar aanleiding van mijn eerste gesprek met [vader]. [vader] had mij de naam van het notariskantoor bij het eerste gesprek doorgegeven.

U vraagt mij omtrent de indruk die [vader] op mij maakte. Ik had de indruk dat [vader] heel goed wist wat hij deed. Ik had de indruk dat hij er al langer mee bezig was geweest. Dat is me bij het eerste gesprek duidelijk geworden. Zoals gezegd beroep ik mij voor wat betreft de mededelingen van [vader] aan mij op mijn verschoningsrecht.

(…)

Mijn indruk was dat [vader] duidelijk wist wat hij wilde. Ik heb hem ook vragen gesteld om te checken of ik het goed begrepen had. Ik heb goed verstaan wat hij zei.

(…)

Mr. van der Kwaak vraagt mij of de notaris heeft gecheckt of [vader] wilde wat hij vertelde. Ja, dat heeft de notaris gedaan.

(…)”

2.16. De rechtbank overweegt als volgt. Zowel [eiseres] als haar partner [partner van eiseres] hebben verklaard dat vader de periode voor zijn overlijden, sinds de operatie in april 2004, (vaak) verward was. Volgens [B] kon hij op 14 september 2004 nog wel met vader praten. [C], die vader twee weken voor zijn overlijden voor het laatst heeft bezocht, heeft verklaard hij bij zijn laatste bezoek nauwelijks met vader kon praten. Voorts heeft Bins in zijn rapport vermeld dat hij het onwaarschijnlijk acht dat de heer [vader] op 23 september 2004 om 13.25 uur in staat was zijn wil te bepalen en een redelijk antwoord op de vragen te geven die de notaris hem gesteld heeft of had kunnen stellen. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat Bins vader niet persoonlijk heeft ontmoet of onderzocht en dat de zonen van [vader] hun grootvader de laatste twee weken voor zijn overlijden niet meer hebben bezocht. De verklaring van [huisarts] bevat geen directe, ondubbelzinnige aanwijzingen voor de geestesgesteldheid van vader op 23 september 2004.

Tegenover deze verklaringen aan de zijde van [eiseres] staan de verklaringen van De Jongh, Hutten, [F], [G] en [pastoor], die vader allen op de dag van het tekenen van het testament hebben gezien en allen hebben verklaard dat hij de indruk wekte dat hij goed wist wat hij deed en wat hij wilde. Ook heeft De Jongh verklaard dat hij controlevragen heeft gesteld om vast te stellen dat vader in staat was om zijn wil te bepalen.

Naar het oordeel van de rechtbank leggen de verklaringen van de getuigen die door [eiseres] zijn opgeroepen onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de verklaringen van [pastoor], De Jongh, Hutten, [F] en [G], die allen hebben verklaard dat zij de indruk hadden dat vader wist wat hij wilde. De rechtbank acht [eiseres] dan ook niet geslaagd in het bewijs dat vader ten tijde van het laten opmaken van zijn testament niet in staat was om zijn wil te bepalen. Het eerste deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

2.17. Daarmee komt de rechtbank toe aan het tweede (voorwaardelijke) deel van de vordering. [eiseres] vordert subsidiair dat de rechtbank de omvang van de nalatenschap van vader en van moeder vast zal stellen en de Parochie zal veroordelen tot betaling van haar wettelijk erfdeel.

2.18. [eiseres] baseert haar subsidiaire vordering op de stelling dat de nalatenschap van moeder nog niet is verdeeld. Volgens haar blijkt dat uit een brief van 15 juli 1997 (overgelegd als productie 8 bij conclusie van repliek) van een notaris waarin aan [eiseres] onder meer wordt bericht:

“(…) Gebleken is dat de nalatenschap van uw moeder nimmer in behandeling is gebracht bij een notaris, zodat er noch een verklaring van erfrecht is opgemaakt, noch een verdeling van de goederengemeenschap waarin uw ouders gehuwd waren en de daarin begrepen nalatenschap heeft plaatsgevonden. (…)”

2.19. De Parochie heeft bij conclusie van dupliek betwist dat de nalatenschap van moeder nog niet is verdeeld. Volgens haar is het goed mogelijk dat nadien de nalatenschap alsnog is verdeeld.

2.20. Nu dit punt tijdens de comparitie van partijen in het geheel niet aan de orde is geweest en [eiseres] derhalve nog niet op de betwisting door de Parochie heeft gereageerd, zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld zich hierover bij akte uit te laten. Uit oogpunt van proceseconomie zal zij zich tevens reeds kunnen uitlaten over de hoogte van de nalatenschap van moeder en vader. De Parochie zal vervolgens op de uitlatingen van [eiseres] kunnen reageren.

2.21. De rechtbank is voornemens bij de vaststelling van de hoogte van de nalatenschap van vader en de vaststelling van de legitieme portie van [eiseres] tot uitgangspunt te nemen de cijfermatige opstelling die is weergegeven in de brief van 5 november 2004 van mr. E.D. de Jongh (overgelegd als productie 7 bij dagvaarding).

2.22. Ten aanzien van de rente over de geldlening van EUR 385.713,18 (=Fl 850.000,-) overweegt de rechtbank dat in de schuldbekentenis van 1987 is vermeld dat het rentepercentage na het eerste (renteloze) jaar in onderling overleg zou worden bepaald. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat in de loop der jaren nooit rente is betaald. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat geen rente hoefde te worden betaald.

2.23. Ten aanzien van het bedrag van Fl 27.749,- aan successierechten dat volgens [eiseres] uit haar vermogen is betaald volgt de rechtbank [eiseres] niet in haar betoog dat de vruchtgebruiker dit had moeten betalen. Op grond van art. 78 Successiewet had [eiseres] kunnen vorderen dat de – door haar verschuldigde – rechten werden betaald uit de met vruchtgebruik bezwaarde goederen. Nu zij dat kennelijk niet heeft gedaan, heeft zij deswege geen vordering op de gemeenschap, maar kan zij na het overlijden van vader het met vruchtgebruik bezwaarde erfdeel van moeder incasseren, zonder dat zij daarover (nog) successierechten is verschuldigd.

2.24. Uit het voorgaande volgt dat de zaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door [eiseres]. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 februari 2008 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 2.20 j? 2.19;

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.