Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC7514

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
07/400218-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatig verkregen bewijs, binnentreden, artikel 2 Politiewet, gesloten stelsel rechtsmiddelen, voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400218.07

Uitspraak: 18 maart 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door R.H. Broeksema, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.A. Reah, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde:

- de veroordeling van verdachte terzake het meer subsidiair ten laste gelegde tot:

- een werkstraf van 150 uur, met aftrek van het voorarrest, subsidiair 75 dagen hechtenis, en

- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering;

- dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging).

BEWIJS

Rechtmatig/onrechtmatig verkregen bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs tegen verdachte op onrechtmatige wijze is verkregen aangezien het binnentreden van de woning aan de [adres] te Zwolle onrechtmatig heeft plaatsgevonden.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het navolgende.

Het binnentreden heeft plaatsgevonden direct nadat er via de Centraal Post Ambulancedienst een melding was binnengekomen dat in de woning een persoon zou zijn die gestoken was met een mes. Op grond van artikel 2 van de Politiewet is het de taak van de politie om hulp te verlenen aan hen die deze behoeven. Ter plaatse troffen de politieagenten buiten een man aan met een bloedende wond.

Gelet op de melding bij de Ambulancedienst en het aantreffen van een gewonde man ter plaatse, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een situatie waarin het tot de taak van de politie behoorde om onmiddellijk de woning in te gaan om te kijken of er nog andere personen aanwezig waren die hulp nodig hadden. Het binnentreden heeft aldus rechtmatig plaatsgevonden.

Voorts heeft de raadsman van verdachte betoogd dat indien de binnentreding in de woning onrechtmatig is, de daarop volgende aanhouding van verdachte ook onrechtmatig is geweest.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien - zoals in het onderhavige geval - bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de aanhouding die reeds in een eerder stadium aan de rechter-commissaris zijn voorgelegd, tegen wiens oordeel geen hogere voorziening openstond.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde

De verdachte dient van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Opzet op het zwaar lichamelijk letsel

Er is sprake van voorwaardelijk opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat zwaar lichamelijk letsel zal optreden.

Verdachte heeft bij de politie op 23 juni 2007 verklaard dat er bij haar een knop omging toen [slachtoffer] dingen van haar vernielde, dat zij toen een mes uit het messenblok heeft gepakt en daarmee een zwaai in zijn richting heeft gemaakt en hem toen kennelijk aan zijn hoofd heeft geraakt.

In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2007 van verbalisanten [naam] en [naam] relateren verbalisanten dat [slachtoffer] hen de wond toonde die hij op 23 juni 2007 had opgelopen door het steken. Zij zagen een kleine wond ter hoogte van de rechter slaap. [slachtoffer] vertelde hen dat hij gisteren verwond was door een aanval met een vleesvork uit het messenblok dat op het aanrecht in de woning stond.

Op grond van algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk te achten dat iemand die wordt aangevallen met een vleesvork, op de wijze zoals verdachte heeft gedaan, als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel oploopt. De hiervoor omschreven gedragingen van de verdachte – het tijdens een reeds conflictueuze situatie pakken van de vleesvork en het zwaaien ermee in de richting van het slachtoffer ter hoogte van zijn hoofd – droegen zozeer het gevaar in zich op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer dat de rechtbank daaruit afleidt dat zij de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft zich derhalve willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat dit gevolg zou intreden.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] was gericht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 23 juni 2007 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een vleesvork in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Van het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, tijdens een ruzie met haar toenmalige vriend, zodanig onbesuisd uitgehaald met een vleesvork, dat zij hem daarbij in zijn hoofd heeft getroffen. De rechtbank neemt deze gedraging van verdachte ernstig op.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 4 februari 2008 waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Op 3 september 2007 is door psycholoog drs. I.I. van der Klaauw rapport uitgebracht omtrent de persoon van de verdachte. Dit rapport houdt onder meer in dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van zwakbegaafdheid die gepaard gaat met een sociaal-emotionele achterstand en geringe weerbaarheid. De psycholoog concludeert dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde als licht verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Op 12 november 2007 is door M. Dijkema, reclasseringswerker werkzaam bij Tactus Verslavingszorg, een rapport uitgebracht over de persoon van de verdachte. De reclassering concludeert dat verdachte weinig weerbaar is en onvoldoende in staat is om conflicten op te lossen. De reclassering adviseert om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een toezicht bij de afdeling Justitiële Verslavingszorg van het CAD. De reclassering merkt op dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot gevolg zou hebben dat verdachte haar baan verliest, hetgeen zeer onwenselijk is gezien de moeite die het zal kosten om opnieuw werk te vinden en te houden als gevolg van de zwakbegaafdheid van verdachte.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte voor het bewezenverklaarde feit bestraft dient te worden met een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Om recidive te voorkomen stelt de rechtbank als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd contact houdt met de reclassering.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het meer subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. J.H. Bosch, voorzitter, mrs. F. Koster en G.A. Versteeg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2008.