Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC7237

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
07/461474-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Straf - niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184 WvSr) - voetbalsupporters - noodbevel - bekendmaking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 257
NJFS 2008, 110

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Politierechter

Parketnr. : 07.461474-07

Uitspraak: 17 maart 2008 te Deventer

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door J.S. Staijen, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. L. Goffin, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

Op een tweetal politierechterzittingen van 7 maart 2008 zijn de zaken van een grote groep van verdachten, allen ter zake van hetzelfde feit vervolgd, behandeld. Een aantal verdachten werd daarbij bijgestaan door een raadsman of raadsvrouw. De politierechter zal in de onderhavige uitspraak ingaan op ter zitting gevoerde verweren, ongeacht of deze al dan niet door verdachte of zijn raadsman/-vrouw zijn aangevoerd.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

Door enkele raadslieden is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Daarbij is aangevoerd dat het openbaar ministerie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door alleen aanhangers van Go Ahead Eagles (GAE), zoals verdachte, te vervolgen en aanhangers van FC Zwolle ongemoeid te laten. Juist de laatste groep heeft zich provocerend richting GAE-aanhangers gedragen en heeft daadwerkelijk openlijk geweld aangewend in de richting van de GAE-aanhangers, terwijl deze laatsten geen gewelddadigheden hebben gepleegd.

De politierechter overweegt dat artikel 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekent met betrekking tot de vraag of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Dat betekent dat de rechter niet mag treden in de opportuniteit van de vervolging en dat hij de door het openbaar ministerie gemaakte belangenafweging heeft te respecteren, behoudens wanneer het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van schending van beginselen van een goede procesorde.

Dit beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt verworpen, alleen al vanwege het feit dat niet gebleken is dat ten aanzien van de FC Zwolle-aanhangers een vordering of bevel als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is gedaan c.q. gegeven dan wel dat FC Zwolle-aanhang ter zake van soortgelijke feiten daadwerkelijk zijn aangehouden.

Ook anderszins zijn in de onderhavige zaak geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van willekeur van de kant van het openbaar ministerie.

De vraag of de politie niet anders heeft kunnen handelen, door de provocerende FC Zwolle-supporters in plaats van de GAE-aanhang aan te houden, heeft betrekking op het optreden van de politie en niet van het openbaar ministerie. De keuze van politie om in de gegeven omstandigheden de GAE-aanhang aan te houden is uit strategische en tactische overwegingen niet onbegrijpelijk. De daaraan ten grondslag gelegen afweging van belangen door de politie in het kader van de hun op de voet van artikel 2 van de Politiewet opgedragen taak om te zorgen voor daadwerkelijke handhaving van de openbare orde, is niet van dien aard dat zij in redelijkheid het openbaar ministerie aanleiding had behoren te geven om van vervolging van verdachte en andere GAE-supporters af te zien.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie gaat ook op die grond niet op.

BEWIJS

1. Beoordeeld dient te worden of verdachte, zoals is tenlastegelegd, niet heeft voldaan aan een "krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel of vordering".

Van een zodanig bevel kan slechts sprake zijn indien dit bevel is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift en in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid. (HR 11 december 1990, NJ 1991, 423)

Daarom dient beoordeeld te worden óf het in de tenlastelegging bedoelde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven.

De politierechter overweegt dienaangaande als volgt.

2. Het in de tenlastelegging genoemde artikel 2 van de Politiewet bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan. (Hoge Raad van 29 januari 2008, LJN: BB4108, RvdW 2008, 192).

3. De politierechter ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het door de burgemeester van de gemeente Zwolle op 29 oktober 2007 uitgevaardigde noodbevel als een zodanig wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht kan gelden.

4. Zowel het geven van een noodbevel ex artikel 175 Gemeentewet als het uitvaardigen van een noodverordening ex artikel 176 Gemeentewet is een ingrijpende openbare ordemaatregel, waarbij de burgemeester de bevoegdheid toekomt om bij ernstige verstoring van de openbare orde of de vrees voor het ontstaan ervan de bevelen te geven, die noodzakelijk zijn om de openbare orde te handhaven of gevaar te beperken.

Of de burgemeester in redelijkheid tot het uitvaardigen van een noodbevel dan wel een noodverordening heeft kunnen komen, dient marginaal te worden getoetst.

Uit het aanvullend proces-verbaal van 5 maart jl. van de algemeen commandant van politie, [naam] komt naar voren dat er een dreigingsanalyse is gemaakt, waaruit blijkt dat – onder meer – de onderlinge verstandhouding tussen supporters van GAE en FC Zwolle agressief en gewelddadig is en in de periode voorafgaand aan 30 oktober 2007 supporters van FC Zwolle zich in Deventer agressief gedragen hebben, hetgeen tot ernstige ongeregeldheden heeft geleid, GAE-aanhang met een stadionverbod toch naar Leeuwarden zijn afgereisd om aldaar de openbare orde te verstoren en door de leidinggevende van de afdeling Inlichtingen en Veiligheid daags voor de wedstrijd werd bericht dat de harde kern supporters voornemens was naar Zwolle te gaan. Niet relevant was dat de wedstrijd niet in Zwolle maar in Emmen plaatsvond omdat de confrontatie in de regel plaatsvindt tussen supporters die een stadionverbod hebben en ingeschat kon worden dat de harde kern FC Zwolle-supporters grotendeels in Zwolle zou blijven en daarom een confrontatie in Zwolle in de rede lag.

Onder die omstandigheden heeft naar het oordeel van de politierechter de burgemeester in redelijkheid tot een noodbevel ex artikel 175 dan wel een noodverordening ex artikel 176 Gemeentewet kunnen besluiten.

5. Bij de behandeling ter zitting is onder meer de vraag aan de orde gesteld of het hier nu een noodbevel krachtens artikel 175 van de Gemeentewet betreft of een noodverordening krachtens artikel 176 van de Gemeentewet.

Het onderscheid tussen een noodbevel of noodverordening is naar het oordeel van de politierechter niet gelegen in de aard van de maatregel, doch noodbevelen hebben een ad-hoc karakter en zijn naar hun aard eenmalig en hebben onmiddellijke werking en noodverordeningen zijn naar hun aard voor een herhaalde toepassing vatbaar en kunnen voor een bepaalde tijd een normencomplex opleggen.

Een door de burgemeester uitgevaardigd noodbevel is op te vatten als een bevel dat is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift, te weten artikel 195 van de Gemeentewet, en in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid.

Aan verdachte is echter niet ten laste gelegd dat hij niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering gedaan door de burgemeester, maar door [naam] en/of [naam]

Het noodbevel is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Algemene Wet bestuursrecht en kan om die reden niet beschouwd worden als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht.

De mededelingen van de politiefunctionarissen [naam] en/of [naam] hebben hooguit te gelden als uitvoering van het noodbevel, bijvoorbeeld als een bekendmaking van het noodbevel aan de specifieke groep die zij betreft, dan wel een “eerste aanzegging” waarvan in het onderhavige noodbevel gewag wordt gemaakt.

6. Een duidelijke scheidslijn is tussen de in artikel 175 en 176 neergelegde bevoegdheden niet te trekken. Indien – zoals ter zitting is betoogd – ondanks de aanhef van het besluit van de burgemeester van 29 oktober jl. aangemerkt zou dienen te worden als noodverordening in de zin van artikel 176 Gemeentewet, kan er wel gesproken worden van een dergelijk wettelijk voorschrift.

7. Voorts overweegt de politierechter dat de (uitvoerings-) bevoegdheid van de politiemannen [naam] en [naam] zoals blijkt uit de tekst van het noodbevel - niet ongeclausuleerd was. Een dergelijke bevoegdheid gold op grond van het noodbevel dan immers alleen tegenover de supportersaanhang die “op een of andere wijze de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren”. Uit het proces-verbaal van de politie wordt duidelijk dat aan deze voorwaarden ten tijde van de vordering om Zwolle onmiddellijk te verlaten niet was voldaan. Uit het observatieverslag (procesverbaalnummer OTPV 2007.10.30.GOA) komt naar voren dat de groep zich op dat moment gedisciplineerd gedroeg en niet rumoerig was. Zij waren niet herkenbaar als voetbalsupporter en hebben geen zichtbare vlaggen of andere attributen bij zich gehad. Er zijn geen aanwijzingen van verstoring van de openbare orde of dreiging daarvan voorafgaand aan de mededeling in de [naam Pub] aan de GAE-aanhang dat zij Zwolle dienen te verlaten. Eerst nadat een herkenbare politieauto nabij de [naam Pub] is gestopt komt kort daarna dezelfde groep mensen uit de pub naar buiten en eerst op dat moment is de groep rumoerig en scandeert leuzen. Echter op dat moment was de vordering om Zwolle te verlaten reeds gegeven.

Als er vanuit zou moeten worden gegaan dat van de enkele aanwezigheid van een grote groep GAE-aanhangers in het hartje van Zwolle reeds een dreiging van ordeverstoring uitging, zou dat betekenen dat de desbetreffende zinsnede in het noodbevel van de burgemeester zinledig zou zijn en geen toegevoegde betekenis zou hebben. De politierechter wil er niet van uitgaan dat dat de bedoeling van de burgemeester is geweest.

8. Voorts dient – ongeacht de vraag of het een noodbevel of een noodverordening betreft – deze voldoende kenbaar te zijn geweest aan verdachte. Het burgemeesterlijk noodbevel is een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht, en wel een appellabel besluit; (Zie MvT MvT 26.735, NR. 3 ) Gelet op het bepaalde in artikel 3:40 Algemene Wet Bestuursrecht had het besluit bekend gemaakt dienen te worden, bij gebreke waarvan het niet in werking treedt. Deze bekendmaking diende te geschieden door toezending of uitreiking aan de belanghebbende (artikel 3:41 Awb).

Artikel 3:41, tweede lid, Awb voorziet in de mogelijkheid om op een andere geschikte wijze een besluit kenbaar te maken, indien de bekendmaking van het besluit niet door toezending of uitreiking aan de belanghebbende kan geschieden. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 23?700, nr. 3, p. 13 en NEV, Kamerstukken II 23?700, nr. 5, p. 4) heeft de wetgever het oog gehad op het geval waarin een besluit tot toepassing van bestuursdwang niet kan worden uitgereikt of toegezonden aan de overtreder, omdat het bestuursorgaan diens identiteit niet kent of niet over diens correcte adres beschikt.

Van een dergelijk geval is echter niet gebleken, daar uitreiking van het noodbevel aan verdachte in persoon tijdens het verblijf in de [naam Pub] op 30 oktober jl. had kunnen plaatsvinden. De aankondiging van verbalisant [naam] aan een achttal GAE-sympathisanten in het Rielerhuus, een (voormalig) buurthuis waar de GAE-aanhang placht bijeen te komen, op 26 oktober 2007 (procesverbaal PL041MI/07-131160) noch de mededeling van het bestaan van het noodbevel van verbalisant [naam] in de [naam Pub] kunnen als een dergelijke bekendmaking van (de inhoud van) het bevel gelden, nog daargelaten de vraag of een ieder deze mededeling van verbalisant [naam] heeft gehoord of kunnen horen.

Ook indien het door de burgemeester gegeven noodbevel, ondanks het opschrift, opgevat zou worden als een noodverordening, zou deze met inachtneming van het gestelde in artikel 176 Gemeentewet bekend dienen te zijn gemaakt op de door de burgemeester te bepalen wijze, ter kennisneming aan de Gemeenteraad en anderen te zijn gebracht, en door de Gemeenteraad in de eerstvolgende vergadering te zijn bekrachtigd.

Nu ook niet van enige bekendmaking in de hiervoor genoemde zin is gebleken, komt de politierechter tot het oordeel dat er geen sprake is van een verbindend wettelijk voorschrift op grond waarvan een bevel of vordering is gegeven.

9. Gelet op het hiervoor overwogene acht de politierechter niet bewezen dat er sprake is geweest van een krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel van [naam] en/of [naam], zodat vrijspraak moet volgen.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Aldus gewezen door mr. W.P.M. Elderman, politierechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. van Nassau, als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2008.