Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6951

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07.996508-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BL8330, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs

Valsheid in geschrifte

Strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.996508-05

Datum: 26 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum],

[woonplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. ter Haar, advocaat te Emmeloord.

De officier van justitie, mr. M.M. Brunsveld, heeft ter terechtzitting gevorderd,

- rekeninghoudend met het grote tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek en de uiteindelijke berechting -, de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 tot en met 3, telkens primair, en 4 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt gewijzigde tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging onder 4 een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of verdachte opdracht heeft gegeven aan dan wel leiding heeft gegeven aan de door [werkgever] verweten gedragingen als genoemd onder 1 primair van de tenlastelegging.

Van de zijde van de verdediging is dienaangaande aangevoerd dat in het geval van verdachte geen sprake is geweest van het feitelijk leiding geven aan [werkgever] BV.

De rechtbank kan zich in die visie niet vinden en overweegt daartoe dat de betrokkenheid van verdachte bij voornoemde rechtspersoon en het handelen van beide medeverdachten, de heren [medeverdachte] en [medeverdachte] zodanig is dat van feitelijk leiderschap wel degelijk sprake is geweest in de ten laste gelegde periode.

Zo staat vast dat verdachte nauw betrokken is geweest bij de besprekingen in februari 2004 in [adres] die hebben geleid tot het opzetten van de onderaannemingsconstructie en is van die mate van betrokkenheid eveneens sprake bij (de aanloop naar) het passeren van de wijzigingsakte bij notaris [betrokkene], hetgeen kennelijk heeft plaatsgevonden op 6 juli 2004.

Voorts staat vast dat verdachte leidend is geweest bij het oprichten en voeren van de administraties van de diverse vennootschappen onder firma (domicilie kiezend op zijn adres) en het vervullen van een groot aantal andere formaliteiten bij de belastingdienst, zoals het aanvragen van sofinummers voor de Poolse werknemers en het doen van aangiften.

Deze betrokkenheid vindt overigens nog steun in de inhoud van een aantal gevoerde telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waarin over de opzet van de zogeheten vof-constructie wordt gesproken.

Vervolgens dient aan de hand van hetgeen onder 1a ten laste is gelegd de vraag te worden beantwoord of er sprake is geweest van valsheid in geschrift bij de vervaardiging van de facturen bekend onder de nummers D-027 t/m D-46 en D-121 door ten onrechte een loonbelastingnummer aan de voet van de facturen te vermelden.

Vast staat dat het bedrijf niet over een zodanig nummer beschikte, doch de rechtbank is niet ervan overtuigd dat dit nummer met opzet op de factuur is vermeld om derden te misleiden. Ook de officier van justitie ter terechtzitting heeft daarover geen helderheid kunnen verschaffen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

Waar het onder 1b van de tenlastelegging gaat om de balans van [werkgever] BV over 2004 is verweer gevoerd in die zin dat deze balans zich inderdaad onder de digitale bescheiden heeft bevonden doch dat die balans nog geen eindproduct was dat gereed was voor inzending naar de belastingdienst e.d.

Het ging slechts om een kolommenbalans, niet bedoeld voor externe informatieverstrekking.

Nu dit standpunt niet kan worden uitgesloten op grond van hetgeen zich in het dossier bevindt, slaagt dit verweer en dient verdachte te worden vrijgesproken.

Vast staat dat het bescheid genoemd onder 1 c (de brief mbt de vermeende aandeelhoudersvergadering) valselijk is opgemaakt door [werkgever] BV en dat verdachte aan die BV feitelijk heeft leiding gegeven. Echter, omdat verdachte geen enkele betrokkenheid heeft met betrekking tot deze brief en het de belangen diende van medeverdachte [medeverdachte], kan niet worden uitgesloten dat verdachte geen enkel verwijt treft zodat hij reeds op grond daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ook van het onder 1 subsidiair verwetene dient verdachte te worden vrijgesproken omdat de rechtbank die feiten niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van het onder 3 ten lastegelegde (de balansen van de diverse vof’s over 2004) geldt hetzelfde als hiervoor ten aanzien van het onder 1 b reeds is overwogen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 3 ten lastegelegde

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 2 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 2 primair

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij artikel 225 juncto de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4

Medeplegen van opzettelijk een der in artikel 10, Coördinatiewet Sociale Verzekering, bedoelde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij artikel 17 van die wet (oud) juncto de artikelen 47 en 51 Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 januari 2008, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen voor valsheid in geschrift en verduistering is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met het vonnis van de politierechter Alkmaar van 12 september 2005 waarbij verdachte ter zake verduistering in dienstbetrekking is veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank heeft daarbij tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 21 september 2007 uitgebracht door de Stichting Reclassering Nederland.

De rechtbank acht in dit geval, gelet op al het vorenstaande, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen een passende straf.

Gelet echter op het grote tijdsverloop tussen het tijdstip van aanhouding van verdachte op 14 juli 2005 en de uiteindelijke berechting, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met deze schending zal rekening worden gehouden in die zin dat voornoemde werkstraf wordt verminderd naar 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het (gehele) onder 1 en 3 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 primair en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 200 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. C.E. Buitendijk en G.J.J.M. Essink, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2008.

Mrs. Buitendijk en Essink, en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.