Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6868

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
Awb 07/1079 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geding of verweerders besluit de WWB-uitkering van eiseres met ingang van 25 december 2006 te wijzigen naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% zonder toekenning van een garantietoeslag de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/1079 WWB

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zwolle,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft verweerder besloten de bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van eiseres met ingang van 25 december 2006 te wijzigen naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

Tegen dit besluit is op 31 januari 2007 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 24 mei 2007 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 4 juli 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 25 juli 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 8 januari 2008 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Blom.

2. Overwegingen

Tussen partijen is in geding of verweerders besluit de WWB-uitkering van eiseres met ingang van 25 december 2006 te wijzigen naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% zonder toekenning van een garantietoeslag de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4, onderdeel b van de WWB wordt onder alleenstaande ouder verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad, indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

Onderdeel d van dit artikel bepaalt dat onder ten laste komend kind moet worden verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

Het vorenstaande houdt in dat de alleenstaande ouder moet worden aangemerkt als alleenstaande, zodra het jongste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. Om de voormalige alleenstaande ouder meer tijd te geven het uitgavenpatroon aan te passen aan de teruggang van inkomen, kan het college in voorkomende gevallen voor deze kosten bijzondere bijstand verlenen.

Verweerder voert in zijn richtlijn B097 ten aanzien van het (al dan niet) verstrekken van bijzondere bijstand als hiervoor bedoeld het volgende beleid:

“Indien de werkelijke inkomsten (niet alleen de WWB) van de ouder en het inwonende kind samen minder bedragen dan de bijstandsnorm die voor hen individueel gelden, kan het gezinsinkomen door bijzondere bijstand met een toeslag worden aangevuld tot dat minimum.

Daarbij wordt rekening gehouden met:

- eigen inkomsten van het kind

Indien het kind naast de Wtos-toelage nog andere inkomsten ontvangt moet de consulent hiermee bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag rekening houden. Indien het kind via een bijbaantje in staat is zijn lage inkomen zelf tot zijn bijstandsniveau aan te vullen, is er geen noodzaak meer een toeslag aan de moeder te verstrekken.

Als het totale inkomen (zoals studiefinanciering, arbeid, alimentatie) van het kind uitkomt boven de inkomensgrens van € 431,14 (zie normenlijst een-ouder <21j) moet de uitkering van de moeder worden gewijzigd naar die van een alleenstaande met een toeslag van 10%.

- andere kinderen met een eigen inkomen

De toeslag aan het voormalige één-oudergezin wordt verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand. Dat betekent dus ook dat de toeslag uitsluitend kan worden verstrekt indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

Indien er naast het kind dat Wtos ontvangt nog andere inwonende kinderen zijn, moet de consulent aan de hand van de feitelijke inkomenssituatie van het gezin beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die toekenning van de toeslag rechtvaardigen. Het is in principe denkbaar dat de overige gezinsleden een dusdanige bijdragen aan het gezinsinkomen kunnen leveren dat een toeslag niet noodzakelijk is.

(…)

Doordat aansluiting is gezocht bij de bijstandsuitkering voor ouder en kind afzonderlijk, zal geen toeslag meer worden verstrekt aan voormalige één-oudergezinnen wiens kind een Wsf-beurs op Hbo-niveau, een bijstandsuitkering (= bijstandsnorm 18 jarige) of een (hoger) inkomen uit arbeid ontvangt.

De garantietoeslag zal zich dus beperken tot die gevallen waarin het laatste in de gezinsbijstand begrepen kind een Wtos-toelage ontvangt of Wsf-beurs op Mbo-niveau.”

Namens eiseres is een beroep gedaan op het in artikel 26 van het IVBPR verankerde discriminatieverbod. Daarbij is aangegeven, dat de uitkering van ouders die beiden een bijstandsuitkering ontvangen ongewijzigd blijft wanneer het jongste inwonende studerende kind achttien jaar wordt.

De rechtbank stelt vast dat kinderen voor de WWB voor wat betreft het ten laste komende kind een leeftijdsgrens van 18 jaar wordt gehanteerd. Blijkens de Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 34 wordt hiermee aangesloten bij het ook in andere regelingen op het terrein van de sociale zekerheid bestaande uitgangspunt dat kinderen vanaf 18 jaar doorgaans als economisch zelfstandig kunnen worden beschouwd.

Zij hebben dan ook een zelfstandig recht op bijstand. Voor een 18-jarige thuiswonende bedroeg dit bedrag ten tijde van de wijziging van de bijstandsuitkering van eiseres € 208,71. Tot de leeftijd van 18 jaar ontvangt de ouder van het kind een bijstandsuitkering naar een hogere norm (70%), dan een alleenstaande zonder kinderen of een gehuwde (50%). Deze hogere norm vervalt wanneer het jongste kind 18 jaar wordt. De (voormalige) alleenstaande ouder ontvangt dan bijstand die gelijk is aan de helft van de norm voor gehuwden. Daarbij komt dat verweerder het beleid voert dat aan de (voormalige) alleenstaande ouder bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt verleend wanneer het gezinsinkomen als gevolg van wijziging van de norm daalt tot beneden het niveau van de geldende norm voor een alleenstaande en een 18-jarige gezamenlijk. Dat sprake is van (ongeoorloofde) discriminatie als bedoeld in artikel 26 van de IVBPR ziet de rechtbank dan ook niet in.

Namens eiseres is gewezen op de brief van 12 juni 2007 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, TK 2006-2007, 30545, nr. 18, waarin deze benadrukt dat een gemeente onder omstandigheden aan de voormalige alleenstaande ouder in het individuele geval aanvullende bijzondere bijstand behoort te verlenen. De rechtbank stelt vast dat het door verweerder gevoerde beleid, zoals hiervoor weergegeven, overeenstemt met hetgeen in deze brief is gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat verweerders beleid zoals hiervoor weergegeven de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Gelet op verweerders beleid, zou eiseres in verband met het inkomen uit de Wsf-beurs van haar zoon recht kunnen hebben op een garantietoeslag. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat eiseres in bezwaar -na uitvoerig telefonisch overleg- heeft afgezien van een garantietoeslag, omdat zij deze bij toekenning met terugwerkende kracht van een beurs en een aanvullende beurs aan haar zoon zou moeten terugbetalen. Dit laatste wilde eiseres niet. Daarom is in het besluit op bezwaar ook niet ingegaan op de garantietoeslag. Ingevolge verweerders beleid bestaat geen recht op een garantietoeslag, indien het kind recht heeft op een beurs en een aanvullende beurs. Het kind heeft dan een dusdanig inkomen dat hij geacht moet worden een dusdanige bijdrage aan het gezinsinkomen te kunnen leveren dat een toeslag niet noodzakelijk is. Het kind beschikt in een dergelijk geval immers over inkomsten waarmee hij kan bijdragen aan het gezinsinkomen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar zoon met terugwerkende kracht een beurs heeft gekregen. Daarnaast heeft haar zoon vanaf februari een stagevergoeding ontvangen. Vastgesteld moet dan ook worden dat eiseres aanvankelijk zelf heeft afgezien van het aanvragen van een garantietoeslag bij verweerder. Voorts is later duidelijk geworden dat eiseres op grond van de aan haar zoon toegekende studiebeurs en aanvulling daarop ook geen recht op een garantietoeslag heeft, zodat zij een toegekende garantietoeslag zou moeten hebben terugbetalen.

Gelet op het vorenstaande, beantwoordt de rechtbank de in de aanhef van deze rubriek gestelde vraag bevestigend, zodat het beroep van eiseres ongegrond zal worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. van der Maden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van W. Veldman als griffier, op 4 maart 2008

Afschrift verzonden op: 10 maart 2008