Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6714

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
07.996507-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs

valsheid in geschrifte

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.996507-05

Datum: 26 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum]

[adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. M.M. Brunsveld, heeft ter terechtzitting gevorderd, de vrijspraak van verdachte ter zake het onder 3 ten laste gelegde en - rekeninghoudend met het grote tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek en de uiteindelijke berechting -, de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 2 telkens primair en 4 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een geldboete ten bedrage van € 10.000,--, met de daarbij behorende vervangende hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging onder 4 een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

Het verweer van de raadsman met betrekking tot hetgeen tenlaste is gelegd dat verdachte geen opzet verweten kan worden, verwerpt de rechtbank, gelet op onder meer verdachtes verklaring van 13 juli 2005. In die verklaring verklaart verdachte dat er valse facturen werden gemaakt, zodat zou lijken dat [betrokkene] als zelfstandigen werkzaam waren. De rechtbank houdt verdachte aan deze verklaring en is mede gelet op de inhoud van de overige gedingstukken van oordeel dat sprake is geweest van mede leiding geven aan [werkgever]

Aan de hand van hetgeen onder 1a ten laste is gelegd dient de vraag te worden beantwoord of er sprake is geweest van valsheid in geschrift bij de vervaardiging van de facturen bekend onder de nummers D-027 t/m D-46 en D-121 door ten onrechte een loonbelastingnummer aan de voet van de facturen te vermelden. Vast staat dat het bedrijf niet over een zodanig nummer beschikte, doch de rechtbank is niet ervan overtuigd dat dit nummer op de factuur is vermeld om derden te misleiden. Ook de officier van justitie ter terechtzitting heeft daarover geen helderheid kunnen verschaffen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

Waar het onder 1b van de tenlastelegging gaat om de balans van [werkgever] over 2004 is verweer gevoerd in die zin dat deze balans zich inderdaad onder de digitale bescheiden heeft bevonden doch dat die balans nog geen eindproduct was dat gereed was voor inzending naar de belastingdienst e.d.

Het ging slechts om een kolommenbalans, niet bedoeld voor externe informatieverstrekking.

Nu dit standpunt niet kan worden uitgesloten op grond van hetgeen zich in het dossier bevindt, slaagt dit verweer en dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten lastegelegde (de balansen van de diverse vof’s over 2004) geldt hetzelfde als hiervoor ten aanzien van het onder 1 b reeds is overwogen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 3 ten lastegelegde

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder

1 primair onder c, 2 primair en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair onder c en 2 primair, telkens:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij artikel 225 juncto de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4

Medeplegen van opzettelijk een der in artikel 10, Coördinatiewet Sociale Verzekering, bedoelde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd, begaan door een

rechtspersoon terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, strafbaar gesteld bij artikel 17 van die wet (oud) juncto de artikelen 47 en 51 Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de soort en de hoogte van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet het brein was achter het organiseren van de bewezen verklaarde feiten door [werkgever]. Bovendien heeft de rechtbank ten gunste van verdachte mee laten wegen de meewerkende houding tijdens het strafrechtelijk onderzoek en zijn schuldbewuste houding, zoals daarvan is gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 07 augustus 2007 waaruit blijkt dat hij onbekend is in dit register.

De rechtbank acht in dit geval, gelet op al het vorenstaande, een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 3000,-- subsidiair 45 dagen hechtenis een passende straf.

Gelet echter op het grote tijdsverloop tussen het tijdstip van aanhouding van verdachte op 11 juli 2005 en aansluitend de inverzekeringstelling en de uiteindelijke berechting, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met deze schending zal rekening worden gehouden in die zin dat voornoemde geldboete wordt verminderd tot een bedrag van € 2500,-- subsidiair 42 dagen hechtenis.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 3 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 primair onder c, 2 primair en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (drie) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 2500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen.

De rechtbank bepaalt dat het bedrag van de opgelegde geldboete mag worden voldaan in 5 opeenvolgende tweemaandelijkse termijnen van € 500,--.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. C.E. Buitendijk en G.J.J.M. Essink, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2008.

Mr. Buitendijk en Essink, en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.