Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6655

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
07.794513-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

fraude

flessentrekkerij

witwassen

criminele organisatie

strafmaatoverweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.794513-06

Datum: 11 maart 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. W.S. Ludwig, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1., 2., 3., 4. en 5.ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie heeft voorts de teruggave gevorderd van de administratie aan de beslagene, de verbeurdverklaring van alle inbeslaggenomen goederen die een waarde vertegenwoordigen inclusief de gevonden contante geldbedragen, alsmede de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging, zoals deze ter terechtzitting van 13 december 2007 is aangepast)

Voor wat betreft het cumulatief onder 5. tenlastegelegde zal de rechtbank het deel voor de eerste “en/of” aanmerken als impliciet primair, het deel na de eerste “en/of” aanmerken als impliciet subsidiair, het deel na de tweede “en/of” aanmerken als impliciet meer subsidiair en het deel na de derde “en/of’ als impliciet meest subsidiair.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard terzake de feiten 1 en 3 en partieel terzake de feiten 4 en 5. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de vervolging van verdachte terzake de feiten 1, 3, 4 (deels) en 5 (deels) in strijd is met de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht c.q. het vertrouwensbeginsel, omdat het openbaar ministerie bij brief van 25 juli 2007 aan verdachte heeft laten weten dat zijn zaak binnen het Oberon-onderzoek, waarin hij als verdachte is gehoord, is geseponeerd. De raadsman heeft voorts gesteld dat het Kappa-onderzoek geen nieuwe feiten aan het licht heeft gebracht, aangezien binnen het Oberon-onderzoek alle aangiften en telefoontaps betreffende [naam bedrijf] reeds bekend waren en binnen het Oberon-onderzoek reeds diverse belastende verklaringen tegen de verdachte waren afgelegd. Het openbaar ministerie heeft door desondanks te seponeren de gerechtvaardigde verwachting bij de verdachte gewekt dat er geen vervolging tegen hem zou plaatsvinden.

De rechtbank passeert dit verweer. De rechtbank overweegt dat de door de raadsman genoemde sepotbeslissing niet afkomstig was van het openbaar ministerie, maar van de politie. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat in beginsel een sepotbeslissing het gerechtvaardigd vertrouwen kan opwekken dat niet meer tot vervolging zal worden overgegaan. In onderhavige zaak –zo overweegt de rechtbank- gaat het om sepot van een zaak in een onderzoek dat zich in hoofdzaak richtte op drugssmokkel, waarbij als 'bijvangst' een onderdeel van de thans ten laste gelegde flessentrekkerij aan het licht kwam. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij de verdachte, gelet op de aard van de door hem gepleegde strafbare feiten (misdrijven) en de omstandigheden waaronder de sepotbeslissing is gedaan, namelijk binnen het kader van een ander(soortig) onderzoek, door de sepotbeslissing van de politie niet het gerechtvaardigd vertrouwen zijn gewekt dat in het geheel geen vervolging meer zou plaatshebben. Verdachte is na de sepotbeslissing van de politie onverdroten voortgegaan met het plegen van soortgelijke feiten in nieuwe bedrijven. Onder deze omstandigheden kan door de verdachte niet in redelijkheid worden staande gehouden dat bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is opgewekt dat niet tot vervolging zou worden overgegaan.

BEWIJS

De rechtbank acht hetgeen de verdachte onder 5. impliciet primair tenlaste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Uit de stukken die zich in het dossier bevinden en uit verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat er tussen verdachte en zijn medeverdachten sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een vaste rolverdeling en een sterke hiërarchische structuur. Dat de verdachte en zijn medeverdachten als familieleden intensief contact hadden, dat er in de verschillende bv’s gebruik werd gemaakt van dezelfde modus operandi, dat een aantal dezelfde medewerksters in de verschillende bv’s werkzaam was, en dat de verschillende bv’s soms zaken deden met dezelfde leveranciers en afnemers, maakt dit niet anders.

Voor het onder 5. impliciet subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde ligt dit anders. Uit de verklaringen van de medeverdachten van verdachte en van getuigen komt naar voren dat er sprake was van een gemeenschappelijke doelstelling; zowel verdachte als de med[naam BV]] waren er, in meer of mindere mate, van op de hoogte dat het doel was om goederen te kopen zonder daarvoor te betalen. Om dit doel te bereiken waren er regels in het leven geroepen, onder andere hieruit bestaande dat de medewerkers bedrijven moesten benaderen die op krediet wilden leveren. De namen van de bedrijven werden verstrekt door verdachte en zijn mededaders. Ook bestonden er instructies over hoe om te gaan met leveranciers die op betaling aandrongen. De rechtbank komt, bovenstaande overziend, tot het oordeel dat er binnen de genoemde bedrijven sprake was van een rolverdeling en hiërarchie, waarbij verdachte aan de top stond. Hij besliste over bestellingen.

Voor verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat er met betrekking tot de hierboven genoemde bedrijven valse jaarstukken werden opgemaakt waarvan gebruik werd gemaakt bij het zaken doen met de benadeelde partijen.Tenslotte heeft de rechtbank meegewogen dat er gebruikgemaakt werd van valse namen door mededaders van verdachte met het kennelijke doel om leveranciers om de tuin te leiden en om onherkenbaar te blijven.

Voor wat feit 1 respectievelijk feit 3 betreft is de rechtbank ambtshalve gebleken dat het tenlastegelegde feit ook in Duitsland en België respectievelijk in Portugal strafbaar is.

De raadsman heeft een beroep gedaan op bewijsuitsluiting van alle verklaringen door verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte] ten overstaan van de politie afgelegd, vanwege het feit dat deze zijn afgelegd zonder bijstand van een tolk.

De rechtbank verwerpt dit beroep. Ten aanzien van de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie, overweegt de rechtbank dat getuige [getuige] ter terechtzitting heeft verklaard dat zij alle zaken met de verdachte in het Nederlands besprak, omdat zij geen Turks spreekt. Op grond hiervan acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de kennis van de Nederlandse taal van de verdachte zo slecht is dat er niet zonder tolk met hem begrijpelijk gecommuniceerd kan worden. Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte] ten overstaan van de politie afgelegd overweegt de rechtbank dat de politie in de betreffende verhoren telkens als eerste de vraag heeft gesteld of de verdachte de Nederlandse taal kon verstaan, waarop genoemde verdachten hebben opgemerkt dat ‘het redelijk ging’. Daarbij komt dat de verklaringen bij de politie in hoge mate consistent zijn met de verklaringen die, met bijstand van een tolk, bij de rechter-commissaris zijn afgelegd.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 4. tenlastegelegde voor zover het op [naam BV]. betrekking hebbend vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de wisselende verklaringen van [medeverdachte] ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de aankoop van [naam BV]. onvoldoende grondslag bieden voor een bewezenverklaring.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De verklaring van [medeverdachte] terzake wordt immers ondersteund door verklaringen van anderen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1., 2., 3., 4. en 5. impliciet subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat: (volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1., 2., 3., 4. en 5. impliciet subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1

Medeplegen van een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of anderen de beschikking over die goederen te verzekeren, strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

[naam BV]

Feit 2

Medeplegen van een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of anderen de beschikking over die goederen te verzekeren, strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

([naam BV].)

Feit 3

Medeplegen van een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of anderen de beschikking over die goederen te verzekeren, strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

[naam BV]

Feit 4

Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5 impliciet subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet zo’n prominente rol heeft vervuld in het plegen van de strafbare feiten als sommige medeverdachten in hun verklaringen willen doen geloven en dat dit gegeven dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.

Anders dan de raadsman, is de rechtbank op grond van het onderhavige dossier en het verhandelde ter zitting tot de conclusie gekomen dat de verdachte een grote rol heeft gehad bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat meegewogen dat de verdachte en zijn mededaders, uit louter winstbejag, zeer grote (financiële) schade hebben aangebracht aan de bedrijven die zij hebben benadeeld.

Snelheid en vertrouwen zijn belangrijke pijlers in het handelsverkeer, zeker als het om (bederfelijke) levensmiddelen gaat. Verdachten hebben niets ontziend stelselmatig aan deze pijlers gezaagd. De leveranciers die zij met een financiële strop hebben opgezadeld zijn daarmee niet de enige benadeelden. De branche als zodanig heeft door het handelen van verdachten schade opgelopen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de aan de verdachte in beslag genomen administratie aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank zal de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende(n) van de overige in beslaggenomen voorwerpen, nu voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan/kunnen worden aangemerkt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 31 januari 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Benadeelde partijen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 15.982,38,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 15.982,38 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

De rechtbank merkt op dat er een vordering is ingedien[benadeelde partij]e partij]. De rechtbank overweegt dat deze rechtspersoon in adressering, bestuurder en naam met uitzondering van de toevoeging [naam] overeenkomt met de in de tenlastelegging genoemde [benadeelde partij] en dat zij daarmee vaststelt dat het om dezelfde rechtspersoon gaat. Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 13.076,50 vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die voor dat deel in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 13.076,50,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij]

rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 21.312,91,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die voor dat deel in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 21.312,91,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

De rechtbank acht voor het vaststellen van de identiteit van de betreffende rechtspersoon de bij het voegingsformulier van benadeelde partij [benadeelde partij] overgelegde verklaring van de griffie van de rechtbank van Koophandel te Hasselt afdoende. Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 8.667,51,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 8.667,51,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

De rechtbank merkt op dat uit het bij de vordering van benadeelde [benadeelde partij]rtij] overgelegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel niet blijkt dat het om een besloten vennootschap gaat. De rechtbank overweegt dat deze rechtspersoon in adressering, bestuurder en naam overeenkomt met de in de tenlastelegging ge[benadeelde partij]rtij] en het verschil wellicht te maken heeft met het feit dat er inmiddels bedrijfsbeëindiging heeft plaatsgehad.Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde [benadeelde partij]rtij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 21.513,60, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die voor dat deel in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde [benadeelde partij]rtij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terza[benadeelde partij]rtij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 21.513,60 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat ten aanzien van de vordering die is ingediend door [benadeelde partij], niet is gebleken dat deze is ingevuld door een persoon die gemachtigd is namens [benadeelde partij] op te treden. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve in die vordering niet ontvankelijk verklaren.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 12.623,06,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die voor dat deel in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 12.623,06,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij]. rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.499,84 vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die voor dat deel in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]. is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij]. aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 3.499,84 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat ten aanzien van de vordering die is ingediend door [benadeelde partij], niet is gebleken dat deze is ingevuld door een persoon die gemachtigd is namens [benade[benadeelde partij]tij]. op te treden. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve in die vordering niet ontvankelijk verklaren.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3. bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3.359,05,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts terzake van [benadeelde partij] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 3.359,05 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36f, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 5. impliciet primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1., 2., 3., 4. en 5. impliciet subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1., 2., 3., 4. en 5 impliciet subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 12 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen administraties.

De rechtbank gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de overige in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd [woonplaats], van een bedrag van € 15.982,38, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 15.982,38, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 109 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd te [adres], van een bedrag van € 13.076,50 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 13.076,50, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd [adres], van een bedrag van € 13.076,50 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 13.076,50, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 95 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd te [adres], van een bedrag van € 8.667,51 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 8.667,51, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde [benadeelde partij]rtij], wonende [adres], van een bedrag van € 21.513,60 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 21.513,60, ten behoeve van het slach[benadeelde partij]rtij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 142 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde [benadeelde partij]rtij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde [benadeelde partij]rtij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde [benadeelde partij]rtij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat [benadeelde partij] in zijn vordering terzake [benadeelde partij] niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende [woonplaats], van een bedrag van € 12.623,06 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 12.623,06, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 93 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij]., wonende [woonplaats], van een bedrag van € 3.499,84 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3.499,84, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]., bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij]. in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij]., daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij]. voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat [betrokkene] in zijn vordering terzake benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende [adres], van een bedrag van € 3.359,05 hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3.359,05, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. H. Th. Pos, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2008.