Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6623

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
07/400325-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs, opzet, zware mishandeling, medeplegen, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400325-07 en 07.400116-06 (vtvv)

Uitspraak: 6 maart 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. H.C.C. Berendsen, heeft ter terechtzitting gevorderd

- de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot een werkstraf

van honderd uren, subsidiair vijftig dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest en drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren ;

- de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1500,- ;

- verlenging van de proeftijd van de bij vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 2006 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging aldus dat waar ten laste is gelegd ‘opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gesloten dubbele onderbeenbreuk) heeft toegebracht’ beoogd is ten laste te leggen dat dit zwaar lichamelijk letsel door verdachte dan wel zijn mededader(s) is toegebracht.

Bewijsoverweging

De rechtbank is bij haar beoordeling uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Op donderdag 11 oktober 2007 loopt [benadeelde partij], aangever en het latere slachtoffer, op de Beethovenlaan in Zwolle. Hij wil de Porporastraat oversteken. Op dat moment rijdt er vlak langs hem een auto voorbij. Medeverdachte [1] bestuurt de auto,

medeverdachte [2] en verdachte zijn de andere inzittenden. De auto stopt ongeveer

15 meter verderop, rijdt achteruit en stopt dan ter hoogte van aangever. [medeve[medeverdachte 1] stapt uit, loopt naar aangever en slaat hem. Getuige [1] probeert te sussen. Op enig moment loopt [medeverdachte 1] terug in de richting van de auto. Aangever doet zijn jasje uit en zet zijn tassen neer. Hij bevindt zich dan op het grasveldje bij de eerste flat van de Beethovenlaan. [medeverdachte 1] en aangever raken met elkaar in gevecht. Vervolgens nemen [medeverdachte 2] en verdachte ook deel aan dit gevecht. Tijdens dit gevecht wordt er geduwd, geschopt en geslagen. Op enig moment verliest aangever zijn evenwicht en valt in de bosjes. [medeve[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte lopen weg en aangever staat op. [medeve[medeverdachte 1] draait zich vervolgens om, loopt naar aangever en trapt hem tegen zijn onderbeen. Aangever zakt in elkaar. [medeve[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte stappen in de auto en rijden weg.

De rechtbank ontleent deze toedracht onder meer uit de verklaring die [getuige 2] op 11 oktober 2007 tegenover de politie heeft afgelegd, de verklaring van heer [getuige 1], afgelegd op 12 oktober 2007, de op 13 oktober 2007 afgelegde verklaring van [getuige 3] en de verklaring van [getuige 4] van 16 oktober 2007. Voorzover relevant luiden deze verklaringen als volgt:

‘(…) Ik zag dat deze laatste in eerste instantie werd aangevallen door de jongen met het zwarte shirtje. Hij begon te schoppen en te slaan. (…) Ik zag dat het slachtoffer overeind kwam en richting stoep liep. De jongeman met het zwarte shirtje maakte zich al vechtend los en ging weer op het slachtoffer af. Ik zag in ieder geval dat hij het slachtoffer nog een keer hard tegen zijn onderbeen trapte.’(dossierpagina 23);

‘(…) Er werd over en weer geslagen tussen beide. De andere twee jongens stonden er omheen. (…)’ (dossierpagina 24);

‘(…) Ik zag dat het slachtoffer door alle drie jongens werd geslagen. Hierna leek het even rustig en leek het alsof ze wegliepen maar opeens kwam één van de drie jongens weer terug lopen en gaf het slachtoffer met zijn rechterbeen zo’n keiharde trap tegen zijn onderbeen dat de man hierdoor onderuit ging. (…)’ (dossierpagina 26);

‘ (…) Ik kan u vertellen dat die andere vriend die er ook bij was de Iranese man een keer met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen. (…)’ (dossierpagina 29).

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte als medepleger van de mishandeling van aangever kan worden aangemerkt. Vereist is dat er sprake is van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders en dat er opzet bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Aan beide voorwaarden is, gelet op de eerdergenoemde (getuigen)verklaringen, naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

De rechtbank overweegt verder het volgende. Uit voornoemde getuigenverklaringen, alsmede de verklaringen van de mededaders en verdachte zelf, kan worden afgeleid dat alle drie personen geweld tegen aangever hebben gebruikt, welk geweld hierin heeft bestaan dat aangever is geschopt en geslagen. Dat de feitelijke handelingen van de verdachte ten opzichte van zijn mededaders gering(er) van omvang zouden zijn geweest, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat de verdachte, gesteund door de groep waarin hij zich bevond, een niet te verwaarlozen bijdrage aan het geweld tegen aangever heeft geleverd. Onder deze omstandigheden kan het geweld dat verdachte en zijn mededaders hebben uitgeoefend over en weer aan elkaar worden toegerekend.

Bovendien kan hen, gelet op de feitelijke toedracht van de mishandeling, worden verweten dat zij allen opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte en/of zijn mededaders hebben aangever immers doelbewust geschopt en geslagen.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen is dat hij geweld heeft gebruikt. De rechtbank kan de raadsman voorts niet volgen in diens verweer dat de verdachte zich eigenlijk niet met de vechtpartij heeft bemoeid, anders dan dat hij heeft geprobeerd tussenbeide te komen. Uit de hierboven geschetste toedracht van de mishandeling en de bijbehorende bewijsmiddelen volgt reeds dat de lezing van de verdachte hiermee strijdig is. Ook anderszins bevatten de bewijsmiddelen geen steun voor de versie die de verdachte van zijn rol heeft gegeven.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

medeplegen van zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak zouden worden miskend. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Dat de verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld, kan niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt en doet niet af aan de ernst van hetgeen bewezen is verklaard.

Uit hetgeen onder ‘bewijsoverweging’ is opgenomen volgt dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling. Dat zijn aandeel in de mishandeling mogelijk zou verschillen van het aandeel van zijn mededaders doet aan voornoemde kwalificatie niet af. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om dit (vermeende) verschil in de straftoemeting tot uitdrukking te brengen. Daartoe is redengevend dat verdachte en zijn mededaders in beginsel in een gelijkwaardige houding tot elkaar stonden. Bovendien heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een niet zodanig ondergeschikte rol bij de mishandeling van het slachtoffer gehad dat een werkstraf in dit geval op zijn plaats zou zijn.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in gelijke mate als zijn mededaders dient te worden bestraft. Bij onherroepelijk geworden vonnissen van deze rechtbank van

4 december 2007 zijn de mededaders terzake van medeplegen van zware mishandeling beiden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de verdachte zal daarom dezelfde straf worden opgelegd.

De rechtbank heeft voorts bij haar beslissing betrokken dat het bewezen verklaarde een ernstig feit betreft, waarbij grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Samen met twee anderen heeft de verdachte zonder enige verklaarbare aanleiding het slachtoffer geslagen en geschopt, ook toen het slachtoffer al op de grond lag. Dat het feit ernstig is blijkt ook uit het letsel van het slachtoffer, die als gevolg van de mishandeling onder meer een dubbele beenbreuk heeft opgelopen. Gelet op de verklaringen van het slachtoffer en de zich in het strafdossier bevindende waarnemingen van de getuigen moet het slachtoffer veel pijn hebben gehad. Uit een proces-verbaal van 14 november 2007 is verder gebleken dat in het been van het slachtoffer pennen zijn geplaatst, die zeker een jaar tot anderhalf jaar moeten blijven zitten. Het slachtoffer loopt thans op krukken. Nadat de pennen zijn verwijderd zal hij naar verwachting weer zonder krukken kunnen lopen. Voorts kampt het slachtoffer met psychische klachten als gevolg van de gebeurtenis. Hij is nog zeer bang en heeft last van nachtmerries.

Het bewezen verklaarde feit betreft geweld op straat. Veel mensen hebben de mishandeling gezien. Uit de verklaringen van een aantal van hen blijkt dat de mishandeling diepe indruk op hen heeft gemaakt en gevoelens van angst heeft veroorzaakt. Ook hiermee heeft de rechtbank bij haar beslissing rekening gehouden.

De rechtbank rekent de verdachte voorts zijn houding na afloop van de mishandeling aan. Zonder zich te bekommeren om de toestand van het slachtoffer is hij met zijn mededaders in de auto gestapt en naar Rotterdam gereden om daar uit eten te gaan. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval een passende reactie is.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 februari 2008.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [naam] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte primair bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1500,-, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [naam] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van het primair bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1500,- ten behoeve van het slachtoffer

[naam].

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14f en 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tenuitvoerlegging van de door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad bij vonnis d.d. 5 oktober 2006 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf toe te wijzen, met dien verstande dat de rechtbank op de voet van het bepaalde in het eerste lid van genoemd artikel 14f zal gelasten dat de in voormeld vonnis bepaalde proeftijd behoort te worden verlengd.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot vier maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam] wonende te [adres], van een bedrag van € 1500,- (zegge: vijftienhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 11 oktober 2007, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1500,-, ten behoeve van het slachtoffer [naam] bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door dertig dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [naam] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de voornoemde benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank verlengt de in voormeld vonnis van 5 oktober 2006 bepaalde proeftijd met één jaar.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. G.M.J. Vijftigschild en

I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Bruggen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2008.

Mr. Clement voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.