Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6482

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
124864 - HA ZA 06-1198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocaat vordert betaling declaratie van (ex)cliënt. In reconventie vordert die cliënt schadevergoeding, omdat hij niet in staat was om volledig te werken als gevolg van de wijze waarop de advocaat met zijn zaak omging.

De reconventie wordt afgewezen, omdat zowel de schade als het causaal verband in het geheel niet zijn onderbouwd. In conventie wordt het (inhoudelijke) verweer verworpen en geoordeeld dat de vordering in beginsel toewijsbaar is nu de cliënt noch in reconventie ontbinding heeft gevorderd noch in conventie een beroep op de exceptio non adimpleti contractus of op opschorting heeft gedaan. De juridische onderbouw van de stelling dat hij niet tot betaling gehouden is, ontbreekt. Omdat door de cliënt ook geklaagd wordt over de omvang van de declaratie wordt geoordeeld dat de advocaat zijn declaratie moet voorleggen aan de Raad van Toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 124864 / HA ZA 06-1198

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. V.C. van Ahee,

advocaat mr. G.J. Boven te Leusden,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.B. Streefkerk,

advocaat mr N.D. ‘t Zand te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006

- de conclusie van antwoord in reconventie

- de brief van 2 februari 2007 van de raadsman van [gedaagde] met bijlagen

- de brief van 5 februari 2007 van de raadsman van [gedaagde] met bijlagen

- het proces-verbaal van comparitie van 7 februari 2007

- de akte van [gedaagde] van 21 februari 2007

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in conventie en reconventie

2.1. [eiser] is advocaat.

2.2. [eiser] heeft vanaf december 2004 tot april 2006 in opdracht en voor rekening van [gedaagde] juridische werkzaamheden verricht als raadsman in de echtscheidingsprocedure van [gedaagde]. De werkzaamheden hadden betrekking op de echtscheiding en de boedelscheiding.

2.3. [eiser] heeft terzake daarvan aan [gedaagde] een 16-tal facturen gestuurd. [gedaagde] heeft 10 van deze facturen onbetaald gelaten, tot een totaal beloop van EUR 13.802,92.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert betaling van voormeld bedrag, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de standpunten van partijen zal hierna –voor zover van belang- nader worden ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert betaling van EUR 20.000,- aan gederfde omzet in 2005, vermeerderd met proceskosten.

4.2. [eiser] voert verweer. Op de standpunten van partijen zal hierna –voor zover van belang- nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil in reconventie

5.1. [gedaagde] vordert betaling van EUR 20.000,- aan gederfde omzet in 2005, vermeerderd met proceskosten.

5.2. Hij stelt daartoe, dat hij niet in staat was om volledig te werken als gevolg van de manier waarop [eiser] met zijn zaken omging. De ene na de andere procedure werd verloren. [gedaagde] moest zich constant met zijn zaak bemoeien.

5.3. Bij conclusie van antwoord in reconventie voert [eiser] aan, dat hij niet of nauwelijks op deze vordering kan reageren. [gedaagde] specificeert immers niet waarin de tekortkoming zou zijn gelegen. Evenmin geeft hij aan hoe hij tot het bedrag van EUR 20.000,- aan omzetverlies komt en op welke wijze de schade aan de tekortkoming kan worden toegerekend.

Zowel bij de conclusie van antwoord in reconventie als tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] voorts aangevoerd, dat [gedaagde] ook tijdens de echtscheidingsprocedure al heeft laten aanvoeren, dat zijn omzet in 2005 veel lager was dan in vorige jaren, maar dat [gedaagde] toen (n.b. door [eiser] zelf, die toen zijn raadsman was) andere oorzaken voor die lagere omzet heeft laten aandragen dan [gedaagde] thans in de procedure tegen [eiser] doet.

5.4. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering bij brief van 5 februari 2007 een A-4tje overgelegd met een paar financiele gegevens. [eiser]aan dit velletje staat vermeld: ‘ABN AMRO Financial Summary 2005’. Uit dit A-4tje valt niet op te maken of het betrekking heeft op het taxibedrijf van [gedaagde]. De raadsman heeft iedere toelichting op dit document achterwege gelaten.

De raadsman is voorts ook in het geheel niet ingegaan op het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de beweerdelijke schade.

Nu [gedaagde] –na de gemotiveerde weerspreking door [eiser]- heeft nagelaten zijn vordering nader te onderbouwen, zal de vordering worden afgewezen.

5.5. Ter zitting heeft [gedaagde] nog aangevoerd, dat de schade mede bestaat uit het feit dat de woning nog niet verkocht kan worden omdat [eiser] destijds heeft nagelaten het taxatierapport naar de rechter en de wederpartij te sturen.

[gedaagde] heeft ook op dit punt nagelaten om voldoende te stellen. M.b.t. de omvang van deze schade is niets gesteld. Van een specificatie is geen sprake. [gedaagde] heeft voorts nagelaten zijn eis in verband met deze nieuwe schade te vermeerderen.

Overigens ligt het niet voor de hand, dat [gedaagde] wat dit betreft schade heeft geleden. Hij stelt immers, dat de woning inmiddels meer waard is geworden. Als dat waar is profiteren daar niet alleen de erven van zijn ex-vrouw van, maar ook hijzelf.

5.6. Gelet op het voorgaande dient de vordering in reconventie te worden afgewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

6. De beoordeling van het geschil in conventie

6.1. De rechtbank wil vooropstellen, dat –in geval van een geschil over de hoogte van het bedrag van de declaratie- de artt. 32-40 WTBZ van toepassing zijn. Deze artikelen kunnen echter niet worden toegepast in geschillen, die niet de omvang van het gedeclareerde bedrag betreffen (HR 18.6.93, NJ 94,4). De regeling geldt dus niet indien er andere gronden worden aangevoerd waarom de declaratie niet wordt betaald.

6.2. [gedaagde] heeft zich ter bestrijding van de vordering van [eiser] zowel beroepen op verweren, die niet zien op de hoogte van de declaratie als op een verweer, dat wel ziet op de hoogte van de declaratie. Om beide bevoegdheidsbepalingen op een evenwichtige wijze tot hun recht te laten komen staat het [eiser] vrij zich in een situatie als deze te wenden tot de burgerlijke rechter opdat deze eerst al die verweren beoordeelt waaraan –los van het geschil omtrent de redelijkheid van de omvang van de declaratie- betekenis toekomt, ook indien deze verweren daarop nog een (zijdelings) effect zouden kunnen hebben. De rechter zal zich niet aanstonds onbevoegd mogen verklaren. Zijn onbevoegdheid ingevolge de bijzondere rechtsgang als neergelegd in de artt. 32-40 WTBZ zal eerst in de loop van het geding aan de orde komen als het gaat over de beoordeling van de redelijkheid van de omvang van de declaratie (Hof Arnhem 4.10.05 NJF 2006,53).

6.3. Nu [gedaagde] in reconventie niet heeft gevorderd de overeenkomst te ontbinden staat de betalingsplicht van de facturen nog onverkort overeind. In conventie maakt [gedaagde] voorts niet duidelijk, op welke grondslag hij meent niet tot betaling gehouden te zijn. De juridische onderbouwing ontbreekt. De rechtbank ziet ook geen rechtsgronden. Art. 6:262 BW (exceptio non adimpleti contractus) is slechts van toepassing als de wederpartij een opeisbare verbintenis niet nakomt. Van opeisbaarheid is echter in het onderhavige geval geen sprake meer, nu [eiser] zijn opdracht heeft neergelegd, omdat hij van mening was dat er geen vertrouwensrelatie meer bestond, die nodig is om de belangen van [gedaagde] naar behoren te kunnen behartigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dat –gezien de omstandigheden- op correcte wijze gedaan. Derhalve is [eiser] niet meer tot verdere behartiging van de belangen van [gedaagde] gehouden, zodat van een opeisbare vordering geen sprake meer is. Van een tegenvordering van [gedaagde] is –gezien de beslissing in reconventie- evenmin sprake. Opschorting is derhalve niet mogelijk.

6.4. Terzijde wil de rechtbank nog het volgende opmerken. Bij conclusie van antwoord/eis stelt [gedaagde], dat [eiser] zijn belangen niet naar behoren heeft behartigd. [eiser] heeft dat gemotiveerd bestreden. [eiser] heeft –op verzoek van de zittingsrechter- na de comparitie het complete dossier in de echtscheidingsprocedure in het geding gebracht. Het lag vervolgens op de weg van [gedaagde] om zijn stelling, dat [eiser] zijn belangen niet naar behoren had behartigd nader aan de hand van deze stukken te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] echter nagelaten. De rechtbank rekent het zich niet tot taak om zelf omvangrijke stapels papier door te nemen teneinde de deugdelijkheid van [gedaagde]s stellingen te beoordelen.

6.5. Zoals hiervoor in ro. 6.3 reeds is overwogen staat de betalingsplicht van de facturen nog onverkort overeind, nu [gedaagde] heeft nagelaten ontbinding te vorderen. Derhalve is de vordering van [eiser] in beginsel toewijsbaar. Door [gedaagde] is echter ook geklaagd over de hoogte van de declaratie. De beoordeling van de redelijkheid van die hoogte dient ingevolge de artt. 32-40 WTBZ te geschieden door de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten te Utrecht. De rechtbank is op dit punt onbevoegd.

6.6. Nu [gedaagde] ook over de hoogte van de declaratie heeft geklaagd, zal [eiser] zijn declaratie op de voet van art. 32 WTBZ aan de Raad van Toezicht te Utrecht ter begroting kunnen voorleggen. Desnodig zal hij voorts op de voet van art. 39 WTBZ een executoriale titel kunnen halen. Gezien deze in de WTBZ vervatte specifieke regeling ligt een aanhouding niet voor de hand.

6.7. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen is [eiser] echter in het gelijk gesteld, voor zover de rechtbank tot oordelen bevoegd was. Derhalve zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de conventie worden veroordeeld.

7. De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1. verklaart zich onbevoegd,

7.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 2.021,61

in reconventie

7.3. wijst de vorderingen af,

7.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 904,-.

in conventie en reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.