Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6454

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
140252 - KG ZA 07-582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing beslag afgewezen. Belangenafweging. Onvoldoende aannemelijk dat vordering waarvoor beslag is gelegd (ongedaanmakingsverbintenis strekkende tot terugbetaling en aanvullende schadevergoeding na ontbinding) ondeugdelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 140252 / KG ZA 07-582

Vonnis in kort geding van 4 januari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. E. Tj. van Dalen te Groningen,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.J. de Boer te Hoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de fax van mr. de Boer van 28 december 2007

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

  • -

    de wijziging van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eind 2005, begin 2006 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij [eiseres] op zich heeft genomen om aan [gedaagden] een nieuwbouwwoning in houtstapelbouw te leveren en te plaatsen tegen een bedrag van EUR 123.604,11 inclusief BTW.

2.2.

[eiseres] importeert deze houtstapelbouwwoningen uit Letland en heeft aan de Letse fabrikant opdracht gegeven om de nieuwbouwwoning in productie te nemen en te komen plaatsen.

2.3.

De bouw van de woning heeft in het najaar van 2006 plaatsgevonden en is uiteindelijk door een Letse montageploeg gebouwd in een periode van zes à zeven weken.

2.4.

In januari 2007 is het houten huis door [eiseres] opgeleverd in de zin dat de woning door [gedaagden] in gebruik is genomen. En officiële oplevering heeft nooit plaatsgevonden. Op het moment van ingebruikname hebben [gedaagden] de laatste betaling gedaan.

2.5.

Vanwege klachten over de woning hebben [gedaagden] de Vereniging Eigen Huis ingeschakeld. Daaropvolgend hebben partijen meerdere deskundigen ingeschakeld die de woning hebben geïnspecteerd en die diverse gebreken aan de woning hebben geconstateerd.

2.6.

[eiseres] heeft het bestaan van deze gebreken en haar aansprakelijkheid ten aanzien van deze gebreken tegenover [gedaagden] erkend en heeft [gedaagden] daartoe bij brief van mr. S. de Swart, voormalig raadsvrouwe van [eiseres], gedateerd 28 augustus 2007 schriftelijk bevestigd de geconstateerde gebreken te herstellen en de gevolgschade te voldoen.

2.7.

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank hebben [gedaagden] op of omstreeks 14 december 2007 ten laste van [eiseres] voor een bedrag van EUR 189.900,00 conservatoir beslag op de roerende zaken van [eiseres] en conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank te Zwolle laten leggen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging van eis – samengevat - primair de opheffing van het op of omstreeks 14 december 2007 gelegde conservatoir beslag onder de Coöperatieve Rabobank IJsseldelta te Zwolle, althans subsidiair opheffing van dit beslag tegenover zekerheidsstelling door [eiseres] van een bedrag van EUR 40.000,00 en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar handelen, danwel toerekenbaar jegens haar tekortschieten door op basis van een summiere ondeugdelijke vordering conservatoir beslag te leggen, dat tevens als vexatoir moet worden aangemerkt, aangezien [eiseres] zich altijd op het standpunt heeft gesteld dat er weliswaar sprake is van enige gebreken, maar dat die niet zodanig ernstig zijn dat integrale ontbinding van de koopovereenkomst gerechtvaardigd is. Bovendien staan de vorderingen van [gedaagden] in geen enkele reële verhouding tot de daadwerkelijke herstelkosten. Daarnaast moet in het kader van een belangenafweging het belang van [eiseres] bij continuïteit van haar onderneming hoger worden aangeslagen dan het belang van [gedaagden] tot het verkrijgen van zekerheid, waarbij ervan uitgegaan moet worden dat een veel te hoog bedrag aan zekerheid is gesteld.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit geding is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering.

4.2.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Dit brengt mee dat het op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.

4.3.

[gedaagden] hebben aan het beslag een geldvordering uit hoofde van ontbinding van de overeenkomst wegens het niet op tijd of niet behoorlijk opleveren van de woning ten grondslag gelegd. Door [gedaagden] wordt aangevoerd dat zij [eiseres] in de gelegenheid hebben gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen. Een herstelplan van de kant van [eiseres] blijft echter uit. Ondanks het verzoek van [gedaagden] daartoe, wordt door [eiseres] ook geen bankgarantie gesteld. Gezien de huidige stand van zaken is voor [gedaagden] duidelijk dat [eiseres] de woning niet zonder tekortkoming zal opleveren en dat de woning gesloopt en herbouwd zal moeten worden. Al hetgeen is geïnstalleerd, moet daarbij worden gesloopt en opnieuw worden aangebracht. De woning is dermate slecht dat [gedaagden] geen vertrouwen meer hebben in [eiseres] [gedaagden] zullen daarom de ontbinding van de overeenkomst vorderen op grond van art. 7:756 BW, waardoor er een terugbetalingsverplichting ontstaat van EUR 123.604,11. Daarnaast leiden [gedaagden] schade als gevolg van zinloze installatie van elektra, keuken, badkamer, toiletten en de overige inboedel voor een bedrag van minimaal EUR 30.000,00.

4.4.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de geconstateerde gebreken nog steeds voor herstel vatbaar zijn. [gedaagden] hebben daar tegen ingebracht geen vertrouwen meer te hebben in een herstel door [eiseres], aangezien zij [eiseres] sinds het inspectieonderzoek van prof.dr.ir. A.J.M. Jorissen en ir. J.G.M. Creemers op 24 juli 2007 en het voorlopig rapport van 26 juli 2007 meerdere malen in de gelegenheid hebben gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen, waarvan [eiseres] heeft nagelaten gebruik van te maken. Uit de meest recente gebrekenrapportage van T. Wit van 22 november 2007 komt bovendien naar voren dat slopen van de gehele woning en aangepast herbouwen een goedkopere en betere oplossing is dan opknappen van de woning. Daarenboven adviseert Wit [gedaagden] hun woning niet meer te bewonen totdat de Gemeente de woning weer verantwoord uitgevoerd vindt, daar hij van mening is dat de huidige constructie van de woning kan leiden tot vervelende situaties voor [gedaagden] en zijn gezin. Vanwege dit rapport in combinatie met het gebrek aan vertrouwen dat prof.dr.ir. A.J.M. Jorissen op 21 december 2007 heeft uitgesproken ten aanzien van [eiseres] zijn [gedaagden] inmiddels de mening toegedaan dat de gebreken – die mede door het tijdsverloop zijn verergerd - enkel nog kunnen worden hersteld door de woning te slopen en te herbouwen. Een en ander heeft ertoe geleid dat [gedaagden] ontbinding van de overeenkomst in een procedure voor de bodemrechter zullen vorderen.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat er gebreken aan de woning zijn geconstateerd. [eiseres] heeft het bestaan van deze gebreken en haar aansprakelijkheid ten aanzien van deze gebreken tegenover [gedaagden] erkend en [gedaagden] schriftelijk bevestigd de geconstateerde gebreken te herstellen en de gevolgschade te voldoen. [eiseres] heeft – ondanks haar eigen toezeggingen dat zij de gebreken zou herstellen en ondanks herhaaldelijke verzoeken van [gedaagden] daartoe – het afgelopen half jaar nagelaten gebruik te maken van de mogelijkheid tot herstel die [gedaagden] haar geboden hebben. Uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd is de voorzieningenrechter bovendien voldoende aannemelijk geworden dat de gebreken aan de woning sedertdien zijn verergerd. Aan de hand van de bevindingen van prof.dr.ir. A.J.M. Jorissen en ir. J.G.M. Creemers enerzijds en T. Wit anderzijds is voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiseres] niet in staat is de gebreken aan de woning te herstellen. De voorzieningenrechter is dan ook met [gedaagden] van oordeel dat bepaald niet uit te sluiten valt dat de bodemrechter zal oordelen dat ontbinding van de overeenkomst tussen partijen wegens het niet op tijd of niet behoorlijk opleveren van de woning gerechtvaardigd is gezien de ernst van de gebreken. [eiseres] heeft gelet op het bovenstaande dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering van [gedaagden] ondeugdelijk is.

4.6.

Bovendien is de voorzieningenrechter gebleken dat [eiseres] – ondanks het verzoek van [gedaagden] daartoe - geen bankgarantie heeft afgegeven. Voor de vordering van [gedaagden] is dus geen zekerheid gesteld.

4.7.

Een gelegd conservatoir beslag kan ook worden opgeheven indien het beslag als vexatoir dient te worden beschouwd. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.8.

[eiseres] heeft gesteld dat zij door het beslag onevenredig in haar belangen wordt getroffen, omdat door het beslag haar bedrijfsvoering in gevaar is gekomen. Haar belang bij ongestoorde voortzetting van de onderneming weegt zwaarder dan het belang van [gedaagden] tot het verkrijgen van zekerheid.

Dat [eiseres] door de conservatoire beslaglegging op het aanwezige saldo van de bankrekening van [eiseres] bij de Rabobank in haar belangen is getroffen, is evident, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is zij daarin niet zodanig onevenredig zwaar getroffen dat [gedaagden] niet in redelijkheid hiertoe over hadden mogen gaan. [eiseres] heeft immers de op 24 juli 2007 geconstateerde gebreken en de voor haar daaruit voortvloeiende (financiële) aansprakelijkheid erkend, maar heeft de kans die haar door [gedaagden] daarna is geboden om middels herstelwerkzaamheden de gebreken te herstellen, niet benut. Hiermee heeft [eiseres] een risico genomen dat voor haar rekening dient te komen. Door dit nalaten van [eiseres] wonen [gedaagden] al geruime tijd in een woning die niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet, terwijl er geen zicht is op een spoedig herstel door [eiseres] Bovendien ondervinden ook [gedaagden] financiële gevolgen van een woning die niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet waardoor [gedaagden] de woning niet als zekerheid voor de bank in het kader van zijn bedrijfsmatige plannen kan gebruiken.

De voorzieningenrechter acht het belang van [gedaagden] bij handhaving van het beslag dan ook zwaarder wegend dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan.

4.9.

Subsidiair heeft [eiseres] gesteld dat het bedrag waarvoor beslag is gelegd in geen enkele verhouding staat tot de werkelijke reële vordering van [gedaagden] en om die reden als vexatoir kan worden aangemerkt. Zoals al onder 4.6 is overwogen, is onvoldoende aannemelijk geworden dat de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering van [gedaagden] ondeugdelijk is. In het geval dat de bodemrechter de overeenkomst ontbindt, ontstaat er een terugbetalingsplicht aan de kant van [eiseres] voor een totaalbedrag van EUR 123.604,11. Daarnaast vorderen [gedaagden] een bedrag van - ten minste - EUR 30.000,00 vanwege schade als gevolg van onder meer zinloze installatie van elektra, keuken, badkamer, toiletten en de overige inboedel. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dit bedrag door [gedaagden] voldoende aannemelijk is gemaakt. Nu er bij een verzoek tot beslaglegging rekening wordt gehouden met een standaardverhoging van de hoofdsom met 30% voor rente en kosten, is het bedrag waarvoor beslag is gelegd in overeenstemming met de vordering van [gedaagden] en is er geen sprake van een vexatoire beslaglegging.

4.10.

Met inachtneming van al deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het door [gedaagden] gelegde conservatoire derdenbeslag niet als onrechtmatig of vexatoir moet worden aangemerkt. De vorderingen van [eiseres] zullen dan ook worden afgewezen.

4.11.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

  • -

    vast recht EUR 251,00

  • -

    salaris advocaat 904,00 (2 punten x tarief II EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.155,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2008.