Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC6450

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
140141 / KG ZA 07-575 en 140343 / KG ZA 07-588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzet tegen verstekvonnis in kort geding (gepubliceerd onder LJN: BC2150). Vordering tot opheffing van het beslag wordt alsnog afgewezen; vordering waarvoor beslag is gelegd wordt opnieuw begroot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Vonnis in kort geding in gevoegde zaken van 15 januari 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 140141 / KG ZA 07-575 (verder: de verzetprocedure) en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 140343 / KG ZA 07-588 (verder: het executiegeschil) van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

WALCON MARINE LIMITED,

gevestigd te Hampshire, Verenigd Koninkrijk,

opposant in de verzetprocedure,

eiseres in het executiegeschil,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. D.M. Lamers te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. WALCON MARINE NETHERLANDS,

wonende te [woonplaats],

geopposeerde in de verzetprocedure,

gedaagde in het executiegeschil,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. P.J. Arenthorst te Leiden,

Partijen zullen hierna WLC en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het (verdere) verloop van de procedures blijkt uit:

- het verstekvonnis van 11 december 2007 (zaaknummer / rolnummer : 139072 / KGZA 07-516) (verder ook: het verstekvonnis);

- de dagvaardingen van 21 december 2007 in de verzetprocedure en in het executiegeschil;

- de mondelinge behandelingen in beide zaken op 3 januari 2008;

- de pleitnota van WLC;

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. WLC en van [gedaagde] hebben sedert tien jaar een handelsrelatie waarbij [gedaagde] bij WLC door WLC geproduceerde pontons en andere onderdelen voor havens en aanlegsteigers betrok en aan klanten in Nederland doorverkocht.

2.2. Na verkregen verlof heeft WLC op 25 juli 2007 (derden)beslag gelegd - samengevat - op bankrekening(en) van [gedaagde], zoals aangehouden bij de Coöperatieve Rabobank Den Haag en omstreken U.A., en op de aan [gedaagde] toekomende onverdeelde helft van de woning aan [adres] te [woonplaats] (verder: de woning). Het beslag op de bankrekening(en) heeft geen doel getroffen.

WLC heeft deze beslagen gelegd uit hoofde van een vordering wegens onbetaald gebleven facturen, betrekking hebbend op door WLC aan [gedaagde] geleverde zaken.

2.3. Op de woning is een hypotheek gevestigd van EUR 150.000,00, vermeerderd met rente en kosten tot maximaal een bedrag van EUR 202.500,00. Blijkens het uittreksel van het kadaster is de woning in 2006 gekocht door [gedaagde] en zijn echtgenote voor een bedrag van EUR 172.000,00. Op 29 november 2007 hebben de heer [A] (de schoonzoon van [gedaagde]) en mevrouw [B] (de dochter van [gedaagde]) de woning gekocht voor een bedrag van EUR 160.000,00. De koopakte is op diezelfde dag ingeschreven in de openbare registers.

2.4. Bij het verstekvonnis van 11 december 2007 is, voor zover van belang, tegen WLC de navolgende veroordeling uitgesproken:

“1.1. veroordeelt gedaagde om binnen 24 uur na dit vonnis het conservatoire beslag op de onroerende zaak gelegen te [postcode] [woonplaats], gemeente [woonplaats] op het adres [adres] op te heffen,

1.2. bepaalt dat gedaagde voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 3.1 bepaalde, aan eiser een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,00, tot een maximum van EUR 100.000,00,

1.3. verbiedt gedaagde om ten laste van eiser opnieuw conservatoir beslag te doen leggen voor vorderingen voortvloeiende uit dan wel verband houdende met de geschillen die partijen verdeeld houden totdat in de geëntameerde of te entameren gerechtelijke procedures op die geschillen tussen partijen is beslist,

1.4. bepaalt dat gedaagde voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 3.3 bepaalde, aan eiser een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,00, tot een maximum van EUR 100.000,00,”

2.5. WLC heeft het beslag op de woning (nog) niet opgeheven.

2.6. Bij beslissing van het “Southampton County Court” te Southampton, Verenigd Koninkrijk, van 28 december 2007 is [gedaagde] bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag £ 167.205,05.

3. De geschillen

3.1. In de verzetzaak strekt de vordering van WLC ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. WLC zal ontheffen van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij het verstekvonnis en [gedaagde] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans deze hem zal ontzeggen; dan wel

2. enige andere beslissing zal nemen;

3.2. In het executiegeschil strekt de vordering van WLC ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de dwangsom opgelegd bij het verstekvonnis op zal heffen dan wel op nihil zal stellen dan wel de looptijd daarvan zal opschorten;

2. [gedaagde] zal verbieden om tot enige vorm van tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan, zolang niet in de verzetprocedure een vonnis is gewezen;

3. [gedaagde] zal bevelen iedere reeds genomen executiemaatregel te staken en ongedaan te maken binnen een uur na betekening van dit vonnis;

4. zal bepalen dat [gedaagde] voor iedere handeling die hij in strijd met de onder 1 en 2 uitgesproken veroordelingen verricht, aan WLC een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,00 met een maximum van EUR 100.000,00;

5. enige andere beslissing zal nemen;

6. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.3. De conclusie van [gedaagde] strekt ertoe dat de vorderingen van WLC worden afgewezen.

3.4. Voorts heeft [gedaagde] zijn oorspronkelijke eis aangevuld. Zijn aanvullende vordering strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het beslag op de woning zal opheffen, althans dat WLC wordt geboden mee te werken aan de opheffing van het beslag onder de voorwaarde dat - na uitbetaling aan de hypotheekhouder - de overwaarde van bovenomschreven zaak op de kwaliteitsrekening van de transporterende notaris in depot wordt gestort, zulks straffe van direct opeisbare dwangsom van EUR 5.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat WLC met die medewerking in gebreke blijft.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in de verzetprocedure

4.1. Partijen hebben uitvoerig gedebatteerd over de vraag of [gedaagde] de dagvaarding die tot het verstekvonnis heeft geleid, op rechtsgeldige wijze heeft doen betekenen. Voor de beoordeling van de door partijen ingestelde vorderingen is die vraag echter niet (meer) relevant. WLC is immers (tijdig) in verzet gekomen van het verstekvonnis. Uit artikel 147 Rv volgt dat de verzetdagvaarding geldt als een conclusie van antwoord. Dat brengt mee dat, zo de betekening van voornoemde dagvaarding al nietig was, die nietigheid door de verschijning van WLC in deze procedure is gedekt. Niet gebleken is dat WLC door de wijze waarop [gedaagde] heeft betekend, onredelijk is benadeeld in de zin van artikel 66 lid 1 Rv. Wat partijen voorts over de betekening hebben aangevoerd, kan dan ook in het midden blijven.

4.2. Gelet op het voorgaande dient opnieuw te worden beoordeeld of de oorspronkelijke vorderingen van [gedaagde] kunnen worden toegewezen.

4.3. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.4. [gedaagde] heeft aan de oorspronkelijke vordering tot opheffing van het beslag op de woning ten grondslag gelegd:

1. dat hij een verrekenbare tegenvordering heeft op WLC die de (volgens [gedaagde] pretense) vordering van WLC op hem overtreft;

2. dat hij de vordering waarvoor beslag is gelegd betwist en dat deze vordering in ieder geval te hoog is.

4.4.1. Blijkens een door WLC in het geding gebrachte verzamelfactuur d.d. 7 november 2007 van [gedaagde] ziet de tegenvordering op “Management”, “Rent Office & Storage”, “Guaranties on delivered materials” en “Projects related invoicing”.

Uit de stukken blijkt ook dat [gedaagde] eerst nadat WLC beslag heeft gelegd, zich op het standpunt heeft gesteld een vordering op WLC te hebben en dat hij per 1 november 2007 facturen aan WLC heeft gezonden. Stukken waaruit blijkt van tussen [gedaagde] en WLC gemaakte afspraken, waaruit (deels) de verschuldigdheid van de aan WLC gezonden facturen zou kunnen voortvloeien, heeft [gedaagde] niet in het geding gebracht. Het bestaan van een deugdelijke grondslag voor de door [gedaagde] aan WLC gezonden facturen is door WLC met kracht bestreden.

Van een (summierlijk) aannemelijk geworden tegenvordering van [gedaagde] op WLC is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken.

4.4.2. WLC heeft haar vordering op [gedaagde] naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd, gelet op de in het geding gebrachte facturen en de toelichting daarop. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld de vordering te betwisten, maar heeft haar niet op inhoudelijke gronden weersproken en heeft toegegeven dat er bij hem betalingsproblemen zijn ontstaan nadat twee grote opdrachten waren weggevallen. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat hij (bij verstek) in een door WLC in het Verenigd Koninkrijk aanhangig gemaakte procedure inmiddels is veroordeeld tot betaling van een bedrag van £ 167.205,05. Er is dan ook (meer dan) summierlijk gebleken van het bestaan van de vordering tot dat bedrag.

4.4.3. Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het in het beslagrekest genoemde bedrag (EUR 348.115,14) te hoog is. WLC heeft dat ook erkend. Bij begroting van de vordering zal de voorzieningenrechter dan ook uitgaan van het door de Engelse rechter toegewezen bedrag, vermeerderd met 30%, derhalve (afgerond) op EUR 291.000,00.

4.5. Nu WLC op deugdelijke gronden zekerheid verlangt voor haar vordering, is de vraag aan de orde of er gronden bestaan om de aanvullende vordering kan worden toegewezen.

4.5.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt WLC zich terecht op het standpunt dat van haar niet kan worden verlangd genoegen te nemen met het verschil tussen de afkoopsom van de hypotheek en de koopprijs van EUR 160.000,00, aangezien niet kan worden uitgesloten dat de woning bij een onderhandse verkoop dan wel openbare veiling meer zal opbrengen dan laatstgenoemd bedrag. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de woning in 2006 is gekocht voor een hoger bedrag dan waarvoor het thans is verkocht, namelijk EUR 172.000,00, en [gedaagde] heeft nagelaten stukken in het geding te brengen, bijvoorbeeld een taxatie, waaruit genoegzaam blijkt dat de executiewaarde dan wel de waarde bij onderhandse verkoop van de woning minder of gelijk is dan EUR 160.000,00.

4.6. De slotsom is dat geen van de door [gedaagde] ingestelde vorderingen toewijsbaar zijn.

4.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van WLC worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.225,85

in het executiegeschil

4.8. Aangezien WLC zal worden ontheven van de tegen haar uitgesproken veroordelingen bij het verstekvonnis, heeft WLC geen belang bij toewijzing van de vorderingen. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

4.9. WLC heeft gesteld, hetgeen door [gedaagde] niet is weersproken, dat zij het executiegeschil aanhangig heeft gemaakt omdat [gedaagde] weigerde de executie van het verstekvonnis te staken totdat op het verzet zou zijn beslist, terwijl de behandeling van het verzet aanvankelijk later zou plaatsvinden dan de behandeling van het executiegeschil. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de proceskosten te compenseren.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in de verzetprocedure:

5.1. vernietigt het vonnis van 11 december 2007 (zaaknummer / rolnummer : 139072 / KGZA 07-516) en opnieuw rechtsdoende:

5.2. wijst de vorderingen van [gedaagde] (alsnog) af;

5.3. begroot de vordering waarvoor WLC beslag heeft gelegd op EUR 291.000,00;

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van WLC tot op heden begroot op EUR 1.225,85;

5.5. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af;

in het executiegeschil

5.7. wijst de vorderingen van WLC af;

5.8. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2008.