Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5830

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
07/400313-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400313-06

Uitspraak: 21 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.H. Broeksema, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.A. Reah, heeft ter terechtzitting gevorderd

- de vrijspraak van verdachte terzake het onder 2 primair en 5 ten laste gelegde;

- de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde tot een werkstraf van honderd uren subsidiair vijftig dagen vervangende hechtenis en

- een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt dat hij een CoVa Plus training dient te volgen;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [1], tot € 656,50 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [2],

ad € 1350,65 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 2 primair, 5 en 6 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, en 7 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 7 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1.

diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht;

2 subsidiair

opzetheling,

strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht;

7.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft bij haar beslissing betrokken dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten met verkeerde vrienden omging, dat het hem destijds persoonlijk niet goed ging vanwege het ontbreken van werk en huisvesting en dat hij niet uit geld- of winstbejag heeft gehandeld. Gebleken is dat de situatie van de verdachte thans is verbeterd en dat hij in een voor hem positieve omgeving verblijft. Voorts heeft de verdachte spijt betuigd en ziet hij in dat zijn gedrag onjuist is geweest. Hij heeft verklaard bereid te zijn een CoVa Plus training te volgen. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank rekening gehouden met de omvang en belasting van de CoVa Plustraining.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 januari 2008;

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 8 januari 2008 uitgebracht door S.G. Bink-De Lange, reclasseringswerker;

een retourzending rapportageverzoek betreffende de verdachte d.d. 23 augustus 2007 uitgebracht door S.G. Bink-De Lange, reclasseringswerker;

een de verdachte betreffende afsluitingsrapportage d.d. 29 juni 2006, uitgebracht door S. Kranendonk, voogd Bureau Jeugdreclassering.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan, dat de benadeelde partij

[1], rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij

[2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1350,65, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1350,65 ten behoeve van het slachtoffer [2].

De vordering van de benadeelde partij [3] (feit 7) is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

Het onder 2 primair, 5 en 6 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 7 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 7 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende zestig uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door dertig dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot één maand, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Stichting Reclassering Nederland, ook indien deze inhouden dat hij een CoVa Plus training dient te volgen, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasserings-instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [1] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[2], wonende te [adres], van een bedrag van

€ 1350,65 (zegge: dertienhonderdenvijfenzestig euro en vijftig cent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 3 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 23 november 2006, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1350,65, ten behoeve van het slachtoffer [2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zevenentwintig dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [3] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. I.F. Clement, voorzitter, mrs. C.A.M. Heeregrave en

G.M.J. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van M. van Bruggen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2008.