Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5820

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
07/440267-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, noodweer, strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.440267-07

Uitspraak: 21 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[naam]rdachte]

geboren op [geboorte[plaatsnaam]nende te [adres]

thans verblijvende in de [verblijfplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Tadema, advocaat te [plaatsnaam].

De officier van justitie, mr. B.C. van Haren, heeft ter terechtzitting gevorderd

- de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], tot een bedrag van € 1003,-.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

De rechtbank is bij de beoordeling uitgegaan van de volgende feiten.

Op woensdag 31 oktober 2007 zijn [slachtoffer] haar broer [naam] en diens vriendin [naam] met de auto vanuit [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] gereden. In [plaatsnaam] zouden zij de zoon van [naam] en verdachte (haar ex-echtgenoot) ophalen. Deze zoon verbleef bij de verdachte, maar afgesproken was dat het kind verder bij zijn moeder zou verblijven.

Aangekomen ter hoogte van het [straatnaam] te [plaatsnaam] zien zij de verdachte staan in gezelschap van [naam] en [naam] beiden familieleden van [naam].

Wanneer [naam] de auto met daarin [naam] ziet, pakt hij een vleesmes uit zijn auto. Dit mes wordt vervolgens door [naam] afgepakt, waarbij [naam] gewond raakt aan zijn hand. [naam] stapt uit de auto en loopt in de richting van verdachte. Door hem wordt zij vervolgens mishandeld en met een mes in haar rechterbil gestoken. [naam] ziet dit gebeuren en wil zijn zus te hulp schieten. Hij heeft het van [naam] afgepakte mes dan nog in zijn hand. Het komt vervolgens tot een vechtpartij met verdachte, waarbij [naam] door de verdachte in de borst wordt gestoken.

De rechtbank ontleent deze toedracht onder meer aan de verklaringen die [naam] en [naam] op 31 oktober 2007 bij de politie hebben afgelegd. Voorzover relevant luiden deze verklaringen als volgt.

‘(…) Hij begon mij toen ook gelijk te slaan. Hij sloeg mij met kracht met zijn vuist in het gezicht. Hij sloeg mij drie keer in het gezicht. (..). Ik zag toen dat hij met zijn rechterhand een mes uit zijn broekzak haalde (..). Hij begon gelijk met dat mes op mij in te steken. Ik weerde mij af met mijn rechterhand. (..) Hij stak mij in mijn rechtermiddelvinger en bovenop mijn hand. Ik zag toen dat hij een stekende beweging maakte richting mijn rechterbil. (..) Ik werd vervolgens door [verdachte] aan de haren getrokken waardoor ik op de straat kwam te vallen. Ik viel met mijn achterhoofd op de straat.’(dossierpagina 37).

(…). ‘Ik zag dat [naam] op de grond viel en dat [verdachte] op haar insloeg. (..) Ik zag dat [verdachte] [naam] van achteren bij de haren pakte. Ik zag dat [verdachte] een mes uit zijn rechter zak pakte. Hij trok [naam] naar de grond en ging bovenop haar zitten. Hij opende het mes. (..). Ik wilde [naam] direct helpen. Ik probeerde [verdachte] weg te duwen. Dit deed ik met mijn rechterhand. In deze hand had ik ook het mes nog steeds vast. [verdachte] zat dus nog op de grond en draaide zich om. Ik zag toen dat hij met zijn mes met kracht een steekbeweging naar mijn borst maakte. (…). (..) hij stak echt met kracht op mij in.’(dossierpagina 51).

De in het dossier aanwezige getuigenverklaringen ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de hierboven weergegeven toedracht van de gebeurtenissen op 31 oktober 2007.

Uit de wijze waarop verdachte [naam] heeft gestoken volgt naar het oordeel van de rechtbank geen opzet gericht op de dood van [naam].

Door [naam] gericht in de borst te steken, heeft verdachte opzet gehad op de dood van [naam] zodat de rechtbank poging doodslag bewezen acht.

Van het 1 subsidiair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1 subsidiair

poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

2 primair

poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

3

mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

Voor zover de verdediging ter terechtzitting heeft bedoeld te betogen dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld, wordt dit verweer door de rechtbank verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam] uit noodweer gehandeld toen hij zijn zus wilde verdedigen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de verdachte. De verdachte kan zich op zijn beurt dan niet op noodweer beroepen daar noodweer tegen noodweer is uitgesloten. [naam] handelde immers zelf uit noodweer en derhalve niet wederrechtelijk (HR 27 mei 1986, NJ 1987, 8).

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, die zich eerder aan geweldsdelicten schuldig heeft gemaakt, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak zouden worden miskend. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank overweegt dat de verdachte een conflict in de familiesfeer met behulp van een mes heeft uitgevochten. Deze steekpartij heeft overdag en in het openbaar plaatsgevonden. Een aantal op dat moment aanwezige passanten, sommige met kleine kinderen bij zich, heeft de steekpartij gezien. Dit heeft op hen diepe indruk gemaakt en gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De rechtbank is van oordeel dat een familieruzie niet op de wijze zoals de verdachte heeft gedaan, met geweld en op de openbare weg, behoort te worden opgelost. Daar komt bij dat hierdoor de mogelijkheid ontstond dat ook willekeurige voorbijgangers door het mes van de verdachte konden worden getroffen. Het gedrag van de verdachte heeft in de samenleving dan ook gevoelens van onveiligheid en afkeer teweeggebracht. De rechtbank acht daarom in dit geval een gevangenisstraf de enige passende reactie.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 januari 2008.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer] haar vordering heeft ingetrokken.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 primair bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1003,- vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1003,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

BESLISSING

Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot zes maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], van een bedrag van € 1003,- (zegge: duizendendrie euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 2 primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 31 oktober 2007, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1003,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. G.M.J. Vijftigschild en

I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Bruggen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2008.