Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5664

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
84721 / HA ZA 03-344 - 2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

letselschadezaak

* 2.4 en 2.5: de fiscale component is niet verdisconteerd in een rekenrente van 3%.

Overigens nog overwegingen over:

- nodeloos gemaakte kosten van een berekening blijven voor eiser (2.9)

- wettelijke rente over smartergeld (2.10 e.v.)

- WAO-voorbehoud

Een eerder tussenvonnis in deze zaak is gepubliceerd onder LJN BC6457.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 84721 / HA ZA 03-344

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.M. van Raaijen,

advocaat mr. H. Mollema-de Jong te Amersfoort,

tegen

de ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ UNIVÉ SCHADE B.A.,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Univé genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2006

- de akte uitlating van [eiser]

- de antwoordakte van Univé

- de akte uitlating productie tevens houdende producties van [eiser]

- de antwoordakte van Univé

- de antwoordakte productie van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In voormeld vonnis is de zaak naar de rol verwezen om [eiser] in de gelegenheid te stellen een contante waarde berekening betreffende het verlies van verdienvermogen in het geding te brengen, met inachtneming van door de rechtbank bepaalde uitgangspunten.

Verder is overwogen dat [eiser] diende aan te geven welk bedrag hij op basis van de berekening, de door de rechtbank reeds vastgestelde schadebedragen, de wettelijke rente en de reeds door Univé betaalde bedragen nog van Univé te vorderen heeft.

De berekeningen

2.2. [eiser] heeft aanvankelijk een berekening van Groot Expertisebureau b.v. van 14 december 2006 in het geding gebracht en daarna een (op een klein onderdeel) herziene berekening van 23 maart 2007, waarin een totale schade aan verlies verdienvermogen berekend werd van EUR 498.049,00.

Univé heeft een berekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) van 26 februari 2007 overgelegd, die uitkomt op een schade van EUR 404.876,00.

2.3. [eiser] heeft de berekening van 23 maart 2007 laten aanvullen met een pensioenschadeberekening van Groot Expertisebureau van 13 april 2007. Uitgaande van een kapitalisatiedatum van 1 januari 2006 bedraagt volgens Groot Expertisebureau de verschenen schade EUR 40.995,00, de toekomstige schade EUR 405.401,00 en de fiscale schade EUR [bedrag] (totaal EUR 571.494,00).

Volgens een door Univé vervolgens overgelegde berekening van NRL van 4 mei 2007 bedraagt de pensioenschade EUR 41.572,00 en het totaal verlies arbeidsvermogen EUR 446.448,00.

Fiscale component

2.4. Partijen discussiëren over de vraag in hoeverre rekening dient te worden gehouden met de fiscale component. [eiser] betoogt dat deze afzonderlijk berekend behoort te worden, terwijl Univé stelt dat deze fiscale schade al in de rekenrente is verdisconteerd.

2.5. De door de rechtbank in haar tussenvonnis van 8 november 2006 tot uitgangspunt genomen rekenrente is het saldo van het rendement dat behaald kan worden over de toekomstschade die al wel wordt uitgekeerd maar nog niet is geleden en de inflatie. De huidige cijfers betreffende het gemiddeld haalbare rendement en de inflatie maken een rekenrente van 3% aanvaardbaar. In de door de rechtbank tot uitgangspunt genomen rekenrente van 3% is dus nog geen rekening gehouden met de fiscale schadecomponent, die ziet op de te verwachten belastingheffing. Deze heeft Groot Expertisebureau dan ook terecht afzonderlijk berekend, zodat de rechtbank de visie van [eiser] zal volgen. Volgens de laatste berekening van [eiser] bedroeg de fiscale schade EUR [bedrag], welke hoogte Univé niet heeft weersproken, zodat dit bedrag vaststaat.

Auto van de zaak

2.6. Ten aanzien van de auto van de zaak heeft Univé terecht opgemerkt dat de fiscale bijtelling over 2000 maar 20% was, over de jaren 2001 tot en met 2003 25% en pas sinds 2004 22%. [eiser] heeft nadien de berekening van Groot Expertisebureau van 23 maart 2007 overgelegd waarin met toepassing van de juiste percentages een schadeverhogend effect van EUR 800,00 is berekend, waartegen Univé geen verweer meer heeft gevoerd. De door [eiser] uiteindelijk gehanteerde wijze van berekenen kan derhalve worden gevolgd.

2.7. Univé heeft voorts gesteld dat de wijze waarop de auto van de zaak in de beide berekeningen is meegenomen verschilt, zonder aan te geven welke in haar ogen de juiste is en in hoeverre dit een (aanmerkelijk) verschil in uitkomst oplevert.

De rechtbank heeft in voornoemd tussenvonnis overwogen hoe in de berekening van het verlies aan verdienvermogen met de auto van de zaak rekening dient te worden gehouden. Groot Expertisebureau heeft, zoals uit bladzijde 2 van haar brief van 14 december 2006 blijkt, de verplichte fiscale bijtelling enerzijds als netto voordeel beschouwd en daarmee verder rekening gehouden in het bruto-netto traject, hetgeen de rechtbank heeft voorgeschreven. Aangezien Univé tegen de werkwijze van Groot Expertisebureau geen gemotiveerde bezwaren heeft ingebracht, houdt de rechtbank die wijze voor de juiste.

Pensioenschade

2.8. Uit de stellingen van partijen volgt dat zij het erover eens zijn dat de pensioenschade eveneens voor vergoeding in aanmerking komt. Zij verschillen echter van mening over de hoogte ervan. Zoals in rov. 2.3 is overwogen hebben partijen na de eerste in rov. 2.2 genoemde berekeningen aanvullende berekeningen overgelegd in verband met deze pensioenschade. Univé heeft op de nieuwe berekening van [eiser] gereageerd met het overleggen van een berekening van NRL, echter zonder daarbij aan te geven op welke punten de berekening van Groot Expertisebureau onjuist zou zijn. Zoals blijkt uit bladzijde 5 van de NRL-berekening van 4 mei 2007 heeft NRL de fiscale component niet in aanmerking genomen, zulks ten onrechte gelet op rov. 2.5, zodat de rechtbank niet van deze berekening kan uitgaan. Aangezien de beide berekeningen elkaar – afgezien van de fiscale schade – nauwelijks lijken te ontlopen en Univé de berekening van Groot Expertisebureau niet gemotiveerd heeft bestreden, ziet de rechtbank aanleiding deze laatste te volgen. Daarbij is tevens van belang dat deze berekening overigens, gelet op hetgeen hiervoor in de rov. 2.5 tot en met 2.7 is overwogen, aan de volgens de rechtbank in aanmerking te nemen maatstaven voldoet.

Slotsom is derhalve dat de schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen EUR 571.494,00 bedraagt, waarvan 70% (EUR 400.045,80) voor vergoeding in aanmerking komt.

Declaraties

2.9. De declaratie van EUR 1.001,39 betreffende de berekening van 14 december 2006 van Groot Expertisebureau komt niet voor vergoeding in aanmerking. Omdat in de aanvankelijke berekening ten onrechte de pensioenschade niet is berekend, was een nieuwe berekening noodzakelijk. De nodeloos gemaakte kosten van de berekening van 14 december 2006 dienen in redelijkheid voor [eiser] te blijven. Alleen de kosten van de laatste berekening van Groot Expertisebureau ad EUR 1.103,73 komen als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b voor 70% voor rekening van Univé. Dit betreft een bedrag van EUR 772,61.

Dat Univé ook kosten heeft gemaakt om de schade te laten berekenen is in het kader van deze procedure tot vaststelling van de schade van [eiser] niet relevant.

Wettelijke rente (smartengeld)

2.10. Als de rechtbank de akte uitlating van 25 april 2007 van [eiser] juist begrijpt, wenst [eiser] geen aanspraak meer te maken op de wettelijke rente inzake de directe schade (punt 17), maar wel de wettelijke rente vergoed te krijgen over het door Univé verschuldigde smartengeld (punt 18). [eiser] heeft daartoe een renteberekening ingebracht (productie 62), waarin rekening wordt gehouden met betaalde voorschotten van EUR 2.268,90 in mei 1997 en EUR 27.226,81 in april 1999.

In punt 24 van genoemde akte heeft [eiser] echter gesteld dat de berekende wettelijke rente “voornamelijk” betrekking heeft op “het nog verschuldigde smartengeld en de toekomstige schade”, hetgeen in tegenspraak is met zijn eerdere stelling in punt 18.

2.11. Wettelijke rente over schade uit hoofde van onrechtmatig handelen is verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Volgens vaste jurisprudentie betekent dat voor het smartengeld dat wettelijke rente over die schade verschuldigd is vanaf het moment van het ongeval, voor geleden schade vanaf het moment dat de desbetreffende schade is ontstaan en voor de gekapitaliseerde toekomstschade vanaf de kapitalisatiedatum.

2.12. De door [eiser] berekende wettelijke rente over het smartengeld tot en met 17 mei 1997 (datum betaling voorschot ad EUR 2.268,90) bedraagt EUR 844,52 en de van 18 mei 1997 tot 24 april 1999 (datum betaling voorschot ad EUR 27.226,81) berekende wettelijke rente bedraagt EUR 2.208,55. De rechtbank acht deze rentebedragen, waarvan de hoogte van in totaal EUR 3.053,07 niet is bestreden, toewijsbaar.

Daar waar het smartengeld is bepaald op EUR 21.000,00, ziet de rechtbank voor toewijzing van de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 april 1999 zonder nadere toelichting van [eiser], die ontbreekt, geen aanleiding, te meer aangezien uit [eiser]s stelling moet worden afgeleid dat de wettelijke rente ook over in ieder geval de toekomstige schade is berekend. Voor de periode vanaf april 1999 heeft dan ook te gelden dat de tussentijds betaalde voorschotten de geleden schade betreffende smartengeld afdoende hebben gedekt, zodat voor het overige geen aanleiding bestaat daarover wettelijke rente toe te kennen.

Definitief toe te wijzen bedrag

2.13. Onweersproken staat vast dat [eiser] in totaal EUR 95.785,51 aan voorschotten heeft ontvangen.

[eiser] heeft recht op de volgende schadevergoeding:

- Directe kosten EUR 3.858,48

- Kosten huishoudelijke hulp EUR 10.032,75

- Verlies van verdienvermogen EUR 400.045,80

- Smartengeld EUR 21.000,00

- Wettelijke rente over smartengeld EUR 3.053,07

- Buitengerechtelijke kosten EUR 6.989,71

- Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid EUR 1.648,38

(conform tussenvonnis 10 november 2004, rov. 3.19)

- Nadere kosten conform rov. 2.9 + EUR 772,61

EUR 447.400,80

- In mindering: betaalde voorschotten - EUR 95.785,51

Totaal EUR 351.615,29

Wettelijke rente

2.14. Gelet op de in rov. 2.11 weergegeven hoofdregel kan de wettelijke rente over het in rov. 2.13 weergegeven totaalbedrag vanaf 1 januari 2006 worden toegewezen.

Wao-voorbehoud

2.15. Vaststaat dat [eiser] een Wajong-uitkering ontvangt.

Hij heeft gevorderd dat Univé gehouden is bij eventuele toekomstige wijzigingen in het stelsel van de WAO, die leiden tot een vermindering van zijn inkomen, jaarlijks een zodanige betaling te doen dat de negatieve gevolgen zullen worden gecompenseerd. Univé heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

Gelet op de huidige ontwikkelingen binnen het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is onzekerheid omtrent het voortbestaan en de toekomstige omvang van sociale voorzieningen bepaald aanwezig. Nu het bij uitkeringen als hier bedoeld gaat om een niet te verwaarlozen onderdeel van het inkomen, is het terecht dat [eiser] op dit punt de weg openhoudt naar een aanvullende schadevergoeding.

Proceskosten

2.16. Univé zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 68,20

- vast recht 4.535,00

- deskundigen 0,00

- salaris procureur 9.000,00 (4,5 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 13.603,20

Toelichting punten salaris procureur:

dagvaarding (1), conclusie van repliek (1), conclusie na deskundigenbericht (0,5), vier akten met bijzondere inhoud (totaal 2).

De kosten van de incidentele conclusie blijven, gelet op de uitkomst van het incident, voor rekening van [eiser].

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Univé om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 351.615,29 (driehonderdéénenvijftig duizendzeshonderdvijftien euro en negenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 januari 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.2. verstaat dat Univé gehouden is bij een eventuele wijziging van het stelsel van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering die leidt tot een vermindering van de

op die wet gebaseerde uitkering van [eiser], aan hem tot aan zijn 65-ste levensjaar jaarlijks een zodanige betaling te doen dat de negatieve gevolgen van deze stelselwijziging, althans deze vermindering voor [eiser] netto zullen/zal worden gecompenseerd,

3.3. verstaat dat Univé gehouden is bij een eventuele wijziging van het stelsel die zou leiden tot een vermindering dan wel nihilstelling van het thans aan [eiser] toegekende persoonsgebonden budget, aan hem tot aan zijn 75-ste levensjaar jaarlijks een zodanige betaling te doen dat de negatieve gevolgen van deze verandering, althans deze vermindering voor [eiser] netto zullen/zal worden gecompenseerd,

3.4. veroordeelt Univé in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 13.603,20,

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. J.N. Dobben-Bartels en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.