Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5648

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
07.607455-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs

opzet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607455-06

Datum: 5 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Van der Zouw, advocaat te Haarlem.

De officier van justitie, mr. S.J. Buis, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1. ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht niet bewezen de verdachte de opzet heeft gehad op de dood va[slachtoffer]htoffer]. Het dossier bevat uiteenlopende verklaringen over wanneer het schot is gelost da[slachtoffer]htoffer] in de buik heeft geraakt. De rechtbank kan, deze verklaringen naast elkaar leggend, niet met zekerheid vaststellen of de verdachte gericht heeft geschoten o[slachtoffer]htoffer], dan wel dat in de worsteling met die [slachtoffer] het pistool door verdachte, dan wel doo[slachtoffer]htoffer] op dat moment vastgehouden is afgegaan. Ook voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van die [slachtoffer] acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet bewezen, omdat niet enkel uit het aanwezig hebben van een wapen in een handgemeen kan worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit wapen zou afgaan en dat daarbij iemand anders dodelijk zou worden getroffen. De mogelijkheid blijft open dat de verdachte het pistool enkel heeft meegenomen om zijn tegenstanders daarmee te bedreigen en dit pistool heeft geladen om ervoor te zorgen dat zij deze bedreiging serieus zouden nemen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte van bovenstaand feit dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2. 3. en 4. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

De raadsvrouw heeft gesteld dat het onder 3. tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat het waarschuwingsschot dat de verdachte heeft gelost niet gericht was t[getuige]getuige], maar tegen zijn broers.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de betrokkenen bij het handgemeen uiteenlopen met betrekking tot de vraag tegen wie het waarschuwingsschot is gericht geweest en op welk moment de auto me[slachtoffer]htoffer] en een andere persoon van wie de identiteit door de rechtbank niet met zekerheid is vast te stellen, is komen aanrijden. De rechtbank acht de verklarin[getuige]getuige] echter het meest betrouwbaar op dit punt. Zijn verklaringen zijn consistent. Bovendien komt de eerste door verdachte bij de politie afgelegde verklaring op dit punt redelijk overeen met de verklaringe[getuige]getuige]. Hiervan uitgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte, door een geladen vuurwapen in de richting te houden van de grond, terwijl hij in een conflictgesprek dan wel handgemeen verwikkeld wa[getuige]getuige], en daarbij een waarschuwingsschot in de grond te lossen, die [getuige] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

De raadsvrouw heeft eveneens gesteld dat het onder 4. tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat de verdachte dit feit ontkent, de verklarin[getuige]getuige] niet betrouwbaar is en de verklaring van zijn vriendin door de raadsvrouw niet geverifieerd kon worden.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Zoals hiervoor overwogen acht zij de verklaringe[getuige]getuige] geloofwaardiger dan de wisselende verklaringen van de verdachte. Daar komt bij dat de verklaring van [getuige] de verklaring van [getuige] ondersteunt. In het licht van de gebeurtenissen die op 31 oktober 2006 tussen verdach[getuige]getuige] hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank een dergelijke handelwijze van de verdachte ook niet onaannemelijk.

Van het onder 2. 3. en 4. meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 eerste lid van deze wet.

Feit 3

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank overweegt dat zij bij oplegging van deze gevangenisstraf voor wat betreft de duur daarvan afwijkt van hetgeen door de officier van justitie is geëist, maar dat dit gelet op het feit dat zij de verdachte van het onder 1. tenlastegelegde heeft vrijgesproken, is geïndiceerd. Naast de -deels voorwaardelijk- opgelegde gevangenisstraf acht de rechtbank een werkstraf in de gegeven omstandigheden passend.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, zijnde een pistool, merk AMT, model Back Up, dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat met dit voorwerp het strafbare feit zoals bewezen verklaard onder 3. is begaan. Het ongecontroleerde bezit en daarmee samenhangend te verwachten gebruik van een dergelijk vuurwapen is - blijkens het bewezenverklaarde onder 2.- in strijd met de wet.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 januari 2008.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2., 3. en 4. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 223 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 180 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het pistool, merk AMT, model Back Up.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. G.J.J.M. Essink, voorzitter, mrs. H.J. Buijsman en H.M. Schaak, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2008.

Mr. Buijsman voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.