Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5581

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
07.607224-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging

Bewijs

Vrees

Belaging

Stalking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607224-07

Datum: 07 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum]

[woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.I. Roos, advocaat te Almere.

De officier van justitie, mr. A. Kengen, heeft ter terechtzitting ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd:

- de verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid te ontslaan van alle rechtsvervolging;

- de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis te gelasten gedurende een jaar;

- teruggave van de in beslag genomen telefoon aan verdachte;

- alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 1000,--;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 500,-- en het overige deel van die vordering niet ontvankelijk te verklaren.

- voorts de proeftijd van de bij vonnis d.d. 26 oktober 2006 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, te verlengen met één jaar.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat: (volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De raadsman heeft ter zake het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat verdachte de [betrokkene][betrokkene] van [adres] niet eens kende en derhalve geen vrees aan kon jagen. Voorts dat hetzelfde geldt voor wat betreft de overige medewerkers van [adres].

De [betrokkene] van [adres] (aangever) heeft tegenover de politie, zakelijk weergegeven, onder meer verklaard: “Bovenstaande e-mails zijn allen afkomstig van dezelfde man. Ik ken deze man omdat ik in een vorig [adres] waar ik werkzaam was hem als cliënt had. Het is dus aan te nemen dat hij weet dat ik de [betrokkene] ben van [adres] en dat de bedreiging tegen mij is gericht. Ik denk dat de afzender van de email genaamd [de man] zeker in staat is om zijn bedreiging die naar mij is geuit waar te maken. Ik voel dat de dreiging die geuit is dat ik hiervoor mijzelf en mijn medewerkers moet beschermen”.

De rechtbank acht op grond van voormelde passages bewezen dat de door verdachte geuite bedreigingen op zowel aangever als diens medewerkers, serieus zijn opgevat en overgekomen.

De raadsman heeft ter zake het onder 2 ten laste gelegde verklaarde betoogd dat er geen sprake is geweest van stelselmatigheid en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. Hij heeft betoogd dat het enkel plaatsen van het mobiele telefoonnummer van aangeefster op een site en het schrijven van wat email-berichten en één enkele klachtbrief aan haar werkgever (welke klacht niet rechtstreeks aan aangeefster was gericht) en het overtreden van het contactverbod, geen stelselmatigheid oplevert in de zin van de wet.

De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen door verdachte van het mobiele telefoonnummer van aangeefster op een site - waardoor zij tegen haar wil regelmatig werd lastig gevallen door derden, een ernstige inbreuk is op de persoonlijke levensfeer van aangeefster. Dit geldt eveneens voor het versturen van meerdere emailberichten en een klachtbrief aan de werkgever van aangeefster, omdat aangeefster daardoor indirect weer werd geconfronteerd met verdachte.

De rechtbank beziet het onder 2 ten laste gelegde in samenhang met het door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 26 april 2006 gewezen vonnis waarbij als bijzondere voorwaarde aan verdachte was opgelegd dat hij op geen enkele wijze (direct noch indirect) contact mocht opnemen met aangeefster.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de proeftijd van voormeld vonnis is ingegaan op 02 april 2007, terwijl het ten laste gelegde zich uit heeft gestrekt over de periode 01 april 2007 tot en met 15 juni 2007.

De rechtbank acht aldus, gelet op al het vorenoverwogene, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1

Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd, strafbaar ge¬steld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2

Belaging, strafbaar gesteld bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten zijn strafbaar nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

Met betrekking tot de persoon en de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een psychiatrisch rapport d.d. 26 oktober 2007, uitgebracht door drs. F. Nhass, forensisch psychiater;

- een psychologisch rapport d.d. 12 oktober 2007, uitgebracht door drs. J.F.G.M. van Nunen, klinisch psycholoog.

Het rapport van de deskundige Nhass houdt als conclusie onder meer in dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis NAO (differentiaal diagnostisch wordt gedacht aan een psychotische stoornis op basis van middelen-gebruik, schizofrenie of een waanstoornis) en een persoonlijkheidsstoornis NAO en dat hiervan ook sprake was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Voorts houdt de rapportage (onder meer) het navolgende in.

Vanuit de onrijpe en kwetsbare persoonlijkheid van verdachte met o.a. ontwijkende en schizoïde trekken bestaat er een onvermogen om op adequate wijze volwassen intieme relaties aan te gaan. Dit maakt dat situaties waarin emoties als verliefdheid een rol spelen bijzonder moeilijk zijn voor verdachte. Het kwetsbare van zijn persoonlijkheid maakt tevens dat gebruik van psychoactieve middelen en stressvolle situaties belangrijke risicofactoren vormen in het ontstaan van een psychotische decompensatie. Als gevolg van gestoorde realiteitstoetsing (centraal symptoom bij een psychotische decompensatie) was verdachte niet meer in staat uitingen van het slachtoffer en gebeurtenissen rondom haar goed te interpreteren en daar zijn reacties op adequate wijze op af te stemmen. Op grond van het voorgaande adviseert de deskundige verdachte ontoerekeningsvatbaar te achten.

Het rapport van de deskundige Van Nunen houdt als conclusie onder meer in dat verdachte lijdende is aan een ziekelijk stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een waan- en aanpassingsstoornis bij een onderliggende persoonlijkheidsstoornis NAO en dat hiervan ook sprake was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Voorts houdt de rapportage (onder meer) het navolgende in.

Verdachte is een psychisch zeer kwetsbare en nog onrijpe jongeman, die de druk en de spanning in relatie met het slachtoffer (de fysiotherapeute) niet heeft aangekund en gaandeweg psychisch is gedecompenseerd. De bij hem naar boven komende verliefdheid en behoefte werden niet beantwoord, de frustratie daarover en dat hij zich door het slachtoffer afgewezen en vernederd heeft gevoeld hebben veel spanning en ook boosheid bij hem gegeven. Vanuit behoefte het contact met het slachtoffer te continueren en tegelijk zijn boosheid over haar gedrag jegens hem te uiten is hij tot het ten laste gelegde grensoverschrijdende gedrag gekomen.

Het aan verdachte ten laste gelegde gedrag kan hem niet worden toegerekend, er was geen inzicht in de wederrechtelijkheid ervan, de genoemde waanstoornis en de aanpassingsstoornis stonden centraal en waren gedragsbepalend.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen op goede gronden tot hun advies zijn gekomen en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare.

De rechtbank concludeert op grond van de rapportages dat verdachte ten tijde van het plegen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten ontoerekeningsvatbaar was en dat deze feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar ter zake voornoemde feiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten, op de omstandigheden waaronder verdachte deze feiten heeft gepleegd en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde, op de grond dat verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar wordt geacht.

De deskundige Nhass stelt in voornoemd rapport dat de gestoorde realiteitstoetsing een belangrijke factor zal zijn als het gaat om de kans op recidive. Zoals in de rapportage is geschetst, zijn stressvolle situaties en het gebruik van psychoactieve middelen weer belangrijke luxerende factoren in het ontstaan van de gestoorde realiteitstoetsing. De persoonlijkheidsstoornis van verdachte maakt dat bepaalde situaties voor hem stressvoller zijn dan voor een persoon zonder persoonlijkheidsstoornis. In het gebruik van cannabis spelen factoren en condities mee als verveling (daginvulling en structuur is dan belangrijk) en het onderdrukken van negatieve emoties (voor een deel op te vangen door het aanleren van adequatere copingstrategieën). De deskundige stelt dat behandeling zal moeten bestaan uit het instellen op antipsychotische medicatie al dan niet in combinatie met een antidepressivum en beveelt behandeling aan door middel van plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis.

De deskundige Van Nunen stelt in voornoemd rapport dat er kans is op recidive. Verdachte heeft zijn emotionele gerichtheid op het slachtoffer nog niet afgesloten en verder is het niet onmogelijk dat in de toekomst met iemand anders, waarop verdachte emotioneel gericht raakt hetzelfde gebeurt. Verdachte kan vanuit affectieve behoefte impulsief over de grenzen van anderen gaan. Een agressieve uitbarsting in reactie op frustratie van een dergelijke genoemde emotionele gerichtheid kan niet geheel uitgesloten worden. Daarbij kan de mogelijkheid van een op zichzelf gerichte agressieve/destructieve actie ook niet geheel uitgesloten worden. De deskundige stelt dat om de kans op herhaling in de toekomst te voorkomen vooralsnog een intensive klinische psychiatrische behandeling nodig is. Geadviseerd wordt verdachte op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Op grond van voornoemde rapporten is het de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van verdachte voor een termijn van een jaar eist.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 7 januari 2008 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.

De rechtbank heeft, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gelet op de artikelen 37 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van (immateriële) schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1000,--.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks (immateriële) schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 250,--, (als voorschot) vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig de proeftijd, welke is bepaald in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 26 oktober 2006, te verlengen met één jaar.

BESLISSING

Ter aanzien van de tenlastelegging

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank verklaart de verdachte niet strafbaar terzake het onder 1 en 2 bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar.

De rechtbank gelast de teruggave van een mobiele telefoon aan verdachte.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres], [woonplaats], van een bedrag van € 250,-- (zegge: tweehonderdenvijftig euro), als voorschot, met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank verlengt de proeftijd opgelegd bij vonnis d.d. 26 oktober 2006 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, met één jaar.

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en G. Blomsma, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 07 februari 2008.