Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5310

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
129574 - HA ZA 07-230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansrpakelijkheid van juridisch adviseur die een aantal fouten maakt in arbeidsrechtelijk geschil:

- ten onrechte heeft hij na op non-actief-stelling van zijn cliënte de mogelijkheid van een vordering in kort geding tot wedertewerkstelling niet met zijn cliënte besproken. (rov.4.3)

- ten onrechte heeft de juridisch adviseur finale kwijting verleend terwijl hij niet had onderzocht of zijn cliënte nog aanspraken had, in casu was er reden geweest een vordering t.z.v. achterstallig loon in te stellen. (rov.4.5 e.v.)

- ten onrechte heeft hij de CAO niet nagekeken op de gelende opzegtermijn. (rov.4.7)

- ten onrechte heeft hij niet geprobeerd een hogere dan een neutrale correctiefactor (C=1) overeen te komen. (rov.4.11)

Volgt veroordeling tot onder meer schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129574 / HA ZA 07-230

Vonnis van 2 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. E.P. Cornel te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. E.V.H. van Tricht te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis

- de conclusie van dupliek

- de akte houdende uitlating producties van de zijde van [eiser]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] was sinds 1987 werkzaam bij [bedrijf].

2.2. In het door [eiser] aangestuurde team bestonden al langere tijd problemen. Op 10 en 27 juni 2005 hebben er binnen het bewuste team onder leiding van de door [bedrijf] extern ingeschakelde drs. [X] teambuildingsgesprekken plaatsgevonden. [X] heeft naar aanleiding van de laatste bijeenkomst een uitvoerig verslag geschreven waarin zij onder meer schrijft:

“(…)

Ik heb dit verslag zo uitgebreid gemaakt omdat ik een aantal zaken duidelijk wil stellen.

1. Mijn vermoeden, dat de draai naar het positieve zeer broos was en men gemakkelijk weer terug kon schieten in oude vertrouwde patronen is helaas uitgekomen. De middag heeft haarscherp duidelijk gemaakt, dat wat in dit team aan de hand is zeer serieus genomen moet worden.

2. Er bestaat in dit team bij een aantal mensen een zeer hardnekkige negatieve grondhouding, die invloed heeft op de hele groep. Mensen, die eigenlijk niet zo negatief zijn worden erin meegesleurd, zo meldde althans een deelneemster telefonisch aan [eiser] direct na deze middag. Deze houding ziet er als volgt uit: Bij iedere nieuwigheid, die van boven komt op voorhand tegen zijn en dit luid en duidelijk kenbaar maken, verbaal en nonverbaal. Ook na uitleg waarom iets anders gaat dan men verwacht had blijft men doorwrokken met een “maar toch vind ik het niet goed” en zoekt dan allerlei argumenten als zou het moment of de toon niet goed zijn. Men mist hierbij absoluut de volwassenheid om met een positieve houding mee te werken aan een besluit, dat niet helemaal hun eigen voorkeur heeft.

3. Zij zelf zijn absoluut niet aanspreekbaar op eigen gedrag. Hoewel ik eerst gezien werd als “eindelijk iemand die ons begrijpt” ging dat snel over toen ik mijn observaties gaf, die negatief voor hen uitpakten.

4. Gedurende de tijd, dat ik met ze gewerkt heb, spraken zij elkaar niet aan op gedrag, zij gaven elkaar alle vrijheid in gedrag, maar [eiser] geen enkele.

5. Zij vertonen weinig zelfreflectie en leggen alle schuld steeds buiten zichzelf.

6. Hoewel [eiser] het liefst een teamplayer is, versterken zij het denken in “wij tegen zij” voortdurend o.a. door kritiek steeds in de wijvorm te geven. Deze groep is bezig met een voortdurende observatie van haar teamleider om haar te kunnen wijzen op in hun ogen fout gedrag. Hierbij roepen ze enerzijds “houdt ons in toom, geeft wat strakker leiding” en anderzijds zijn ze zeer tegendraads, wanneer de leiding wat strakker is en hun invloed dus geringer. Het is altijd zeer moeilijk om in een vrouwengroep leiding te geven, wanneer men zelf uit het team komt, maar in dit geval is er echt sprake van obstructie.

7. In een tweegesprek zijn de medewerkers altijd heel aardig tegen [eiser]. Zij geven dan nooit hun kritiek. Pas in een vergadering komt men met allerlei opgespaarde kritiek, hetgeen [eiser] als verraad ervaart. Ieder moment kan ze totaal onverwacht aangevallen worden.

Conclusie:

In dit team is werken met agogische middelen niet meer mogelijk, aangezien dat een volwassen manier van communiceren vereist. Het gedrag van een aantal teamleden acht ik onaanvaardbaar en onverenigbaar met de gedragscode van [bedrijf]. Om dit soort gedrag echt uit te bannen zullen op korte termijn duidelijke gedragsregels uitgevaardigd en gehandhaafd moeten worden, geldend voor alle teamleden. Een aantal medewerkers zal individueel aangesproken moeten worden in een gesprek met de teamleider en de directeur. Pas wanneer de teamleider hiermee haar gezag heeft gevestigd kan er met een stevige procesbewaking gewerkt worden aan de verbetering van de samenwerking, met name aan het onderling feedback geven.”

2.3. [bedrijf] heeft eind juni 2005 besloten dat er gedragsregels zouden komen voor het team en dat er beoordelingsgesprekken zouden plaatsvinden met vijf teamleden. De beoordelingsgesprekken hebben niet plaatsgevonden, omdat de teamleden zich hebben gewend tot [leidinggevende], de leidinggevende van [eiser]. Op 13 juli 2005 is [eiser] uit haar functie gezet. Negatieve functioneringsgesprekken tussen [eiser] en haar leidinggevende lagen hier niet aan ten grondslag. [eiser] heeft zich op 25 juli 2005 ziek gemeld. [bedrijf] heeft vervolgens geen initiatieven genomen in de richting van [eiser].

2.4. [eiser] heeft zich vervolgens voor juridisch advies tot [gedaagde] gewend, waarna er tussen partijen een overeenkomst van opdracht is gesloten. Deze overeenkomst vermeldt onder meer dat [gedaagde] specialist ontslagrecht is en dat hij zich conformeert aan de gedragsregels van de Nederlandse Vereniging van Rechtskundige Adviseurs.

2.5. Partijen hebben in de periode juli 2005 - november 2005 veelvuldig e-mail contact gehad.

2.6. [gedaagde] heeft [eiser] tijdens één bespreking met [bedrijf] bijgestaan. Dit gesprek vond plaats op 29 september 2005.

2.7. [gedaagde] heeft naar aanleiding van het gesprek van 29 september 2005 namens [eiser] een vaststellingsovereenkomst opgesteld en op 4 oktober 2005 aan [bedrijf] verzonden. Mr. [X] heeft op 5 oktober 2005 het voorstel namens [bedrijf] aanvaard. Deze overeenkomst vermeldt onder meer dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] per 1 november 2005 wordt ontbonden, dat [bedrijf] [eiser] EUR 64.687,- aan ontbindingsvergoeding zal betalen, uitgaande van een fictieve opzeggingstermijn van één maand en een correctiefactor van 1 overeenkomstig de zogenaamde kantonrechtersformule, en dat partijen elkaar finale kwijting verlenen.

2.8. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is na een formele ontbindingsprocedure bij beschikking d.d. 12 oktober 2005 door de kantonrechter per 1 november 2005 ontbonden.

2.9. Het UWV heeft [eiser] laten weten dat zij eerst per 1 februari 2006 een WW-uitkering ontvangt.

2.10. Bij brief van 5 april 2006 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden doordat [gedaagde] haar belangen niet juist heeft behartigd. [gedaagde] heeft tot op heden niets betaald aan [eiser].

2.11. [X] heeft op 24 januari 2006 aan de raadsman van [eiser] gemaild:

“ Cliënte was verbaasd dat de jurist van mevrouw [eiser] niet hoger inzette dan factor C=1. Bij een inzet van factor C=1,5 was er nog wat te onderhandelen geweest. Hoewel cliënte vanuit juridisch oogpunt eigenlijk niet meer dan factor C=1 wilde betalen, was het denkbaar geweest dat zij meer dan factor C=1 had geaccepteerd om toch maar tot overeenstemming te komen. Het is zeer lastig om achteraf hier een factor aan te hangen, maar na overleg vanochtend met mijn cliënte kan ik u meedelen dat een factor C=1,2 waarschijnlijk tot de mogelijkheden had behoren.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na wijziging van eis - samengevat -, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

1.

voor recht zal verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van juridische werkzaamheden;

2.

Primair:

[gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het feit dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [bedrijf] geëindigd is per 1 november 2005, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet;

Subsidiair:

[gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bruto bedrag van EUR 31.602,38, vermeerderd met rente;

3.

[gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bruto bedrag van EUR 5.623,09 en een netto bedrag van EUR 3.908,98, beide bedragen vermeerderd met rente;

4.

[gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Aangezien [gedaagde] zich niet heeft verzet tegen de gewijzigde eis en deze eiswijziging evenmin in strijd komt met de eisen van de goede procesorde, zal op basis van de gewijzigde eis recht worden gedaan.

4.2. Kern van het geschil betreft de vraag of [gedaagde] bij het nakomen van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst van opdracht met [eiser] heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt. Nu [gedaagde] blijkens de overeenkomst van opdracht naar buiten treedt als een specialist op het gebied van het ontslagrecht, heeft dit tot gevolg dat aan het handelen van [gedaagde] in het kader van zijn juridisch advies aan [eiser] zwaardere eisen gesteld moeten worden. In het navolgende zal beoordeeld worden of [gedaagde] aan deze eisen heeft voldaan.

Wedertewerkstelling

4.3. Het meest verstrekkende verwijt dat [eiser] [gedaagde] maakt, is dat hij niet met [eiser] de mogelijkheid van een vordering in kort geding tot wedertewerkstelling heeft besproken en dat van [gedaagde] verwacht had mogen worden dat hij een dergelijk kort geding had aangespannen tegen [bedrijf]. In dat geval had zij immers nog bij [bedrijf] in dienst kunnen zijn. De stelling van de zijde van [gedaagde] dat hij [eiser] daar wel op heeft gewezen, maar dat zij onder geen beding terug wilde naar [bedrijf], is niet, althans onvoldoende onderbouwd. Van een rechtshulpverlener mag worden verwacht dat hij dergelijke belangrijke mededelingen schriftelijk aan zijn cliënt bevestigt. Een brief met die strekking heeft de rechtbank niet bij de stukken aangetroffen, terwijl dit evenmin blijkt uit de e-mailwisseling tussen partijen en de e-mail waarin [gedaagde] de zaak tijdelijk overdraagt aan zijn waarnemer.

4.3.1. Daarmee ligt de vraag voor of van [gedaagde] verwacht had mogen worden dat hij de mogelijkheid van een vordering in kort geding tot wedertewerkstelling met [eiser] had besproken. Tussen partijen staat vast dat het functioneren van [eiser] voor 13 juli 2005 nimmer negatief is beoordeeld en dat kort voor het op non-actief stellen van [eiser] door [bedrijf] was besloten om het door [eiser] aan te sturen team aan te pakken middels gedragsregels en beoordelingsgesprekken. De rechtbank acht op dit punt ook van belang dat [X] heeft geconcludeerd dat het gedrag van enkele teamleden onaanvaardbaar was, terwijl haar conclusie geen melding maakt van enig disfunctioneren van [eiser]. Desondanks is [eiser] op non-actief gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] onder deze omstandigheden, waarin geen aanvaardbare redenen naar voren zijn gekomen voor de op non-actief-stelling van [eiser], de mogelijkheid om wedertewerkstelling te vorderen expliciet met [eiser] moeten bespreken en de uitkomst daarvan ten behoeve van (het begrip van) [eiser] moeten vastleggen. Bovendien had [gedaagde], door bestudering van de toepasselijke CAO moeten weten, dat het op non-actief stellen van [eiser] in strijd was met artikel 81 CAO Thuiszorg. Dit artikel bepaalt dat dit voor maximaal 3 weken is toegestaan indien de voortgang van de werkzaamheden ernstig wordt belemmerd, terwijl de redenen voor op non-actief stellen schriftelijk moeten worden medegedeeld en gedurende de periode van op non-actief staan gewerkt moet worden aan voorzieningen die hervatting van het werk mogelijk maken. [bedrijf] heeft zich onweersproken aan geen van deze voorschriften gehouden.

4.3.2. Onder deze omstandigheden had van [gedaagde] verwacht mogen worden dat hij via een kort geding wedertewerkstelling had gevorderd, althans de mogelijkheid ervan met [eiser] zou hebben besproken. Indien [eiser], zoals is gesteld door [gedaagde], maar door [eiser] weersproken, daadwerkelijk niet terug wilde naar [bedrijf] dan had van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur in ieder geval verwacht mogen worden dat hij de dreiging met een dergelijk kort geding zou benutten om op deze manier de (juridische en/of onderhandelings-) positie van [eiser] tegenover [bedrijf] te versterken.

4.4. Vervolgens dient beoordeeld te worden of een door [gedaagde] ingestelde vordering tot wedertewerkstelling naar alle waarschijnlijkheid tot een voortzetting van de arbeidsovereenkomst van substantiële duur had geleid. In dat kader is het van belang, zoals is gesteld door [gedaagde], dat de werkgever naar aanleiding van een vordering wedertewerkstelling vaak tegelijkertijd een ontbindingsverzoek indient. Daarbij is essentieel dat [gedaagde] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat [eiser] geen draagvlak meer had binnen haar team en [bedrijf] en [leidinggevende] niet meer verder wilden met [eiser]. [eiser] heeft te weinig aanknopingspunten verschaft waaruit zou blijken dat zij in geval van een inhoudelijke ontslagprocedure bij zo’n ontbrekend draagvlak haar baan zou hebben behouden, terwijl zij ook niets, althans niet met voldoende onderbouwing heeft gesteld dat er een reële mogelijkheid bestond voor een andere vergelijkbare functie binnen [bedrijf]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser], gelet op de betwisting van de zijde van [gedaagde], in deze niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Het onder twee primair gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

Vordering achterstallig loon

4.5. Uitgaande van de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist in het ontslagrecht in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, is op zichzelf niet onzorgvuldig te achten dat [gedaagde] het voortouw heeft genomen om tot de opstelling van een vaststellingsovereenkomst te komen. Indien dan in zo’n overeenkomst een door [eiser] aan [bedrijf] te verlenen kwijting wordt opgenomen, mag wel van [gedaagde] worden verwacht dat hij alle voorzienbare juridische complicaties en eventuele onduidelijkheden over de positie en de aanspraken van [eiser] volledig zou onderzoeken, daarvan [eiser] verslag zou doen en haar duidelijk zou maken wat de mogelijke onderhandel-varianten en/of de punten zouden zijn waarop in enigerlei mate ruimte bestond.

4.6. [eiser] vordert EUR 5.623,09 wegens een niet ingestelde loonvordering. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat aan [eiser] laatstelijk salaris is betaald als ware zij 24 uur teamleider en 13 uur verpleegkundige. [eiser] heeft op 28 september 2005 aan [gedaagde] gemaild dat zij al ruim twee jaar niet meer werkzaam was als verpleegkundige, hetgeen naar de mening van [eiser] voor [gedaagde] aanleiding had moeten zijn om een loonvordering in te stellen.

4.6.1. [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] volledig teamleider was en daartoe aangedragen dat de arbeidsovereenkomst en de recente salarisstroken uitgaan van een functieverdeling van 24 uur teamleider en 13 uur verpleegkundige, terwijl [eiser] middels een ongedateerde brief jegens [bedrijf] het standpunt heeft ingenomen dat zij 18 uur verpleegkundige was. Bovendien heeft [gedaagde] gesteld dat uit een door [leidinggevende] op 9 juni 2005 aan [eiser] verstuurde e-mail voortvloeit dat zij maximaal een aanstelling voor 27 uur als teamleider gehad kan hebben.

4.6.2. Naar het oordeel van de rechtbank had deze onduidelijkheid rondom de functieverdeling van [eiser] aanleiding voor [gedaagde] moeten zijn om, onder raadpleging van de toepasselijke CAO, zelfstandig te onderzoeken of een loonvordering kans van slagen kon hebben. [gedaagde] kan in ieder geval niet ter afwering van een eventuele aansprakelijkheid wegens een niet ingestelde loonvordering een beroep doen op de instemming van [eiser] met de inhoud van de door [gedaagde] opgestelde vaststellingsovereenkomst. [eiser] mocht er immers op vertrouwen dat zij in deze juist werd geadviseerd.

4.6.3. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur had voorts naar het oordeel van de rechtbank verwacht mogen worden dat deze geen finale kwijting had verleend zonder zulke onduidelijkheden op te helderen. Nu [gedaagde] de finale kwijting echter wel heeft opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, dient de onzekerheid omtrent de vraag of een loonvordering zou zijn geslaagd volledig voor rekening van [gedaagde] te komen. De gevorderde wettelijke verhoging krachtens artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek zal niet worden toegewezen, nu deze verhoging betrekking heeft op niet-tijdig betaald loon en niet op schadevergoeding. [eiser] heeft onvoldoende feiten gesteld die aannemelijk maken dat zij van [bedrijf] een wettelijke verhoging zou hebben gekregen.

4.6.4. Op het gevorderde bedrag van EUR 5.623,09 zal een korting van 30% worden toegepast, aangezien [eiser] over schadevergoeding in beginsel geen loonbelasting en sociale premies verschuldigd is. De rechtbank zal derhalve toewijzen een bedrag van 70% van EUR 5.623,09. Mocht [eiser] met betrekking tot dit bedrag toch belasting en/of sociale premies moeten betalen, dan zullen deze voor rekening van [gedaagde] komen.

Ontbindingsdatum

4.7. Voorts heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] ten onrechte heeft aangestuurd op het beëindigen van haar arbeidsovereenkomst per 1 november 2005, aangezien het volgen van de CAO Thuiszorg had geresulteerd in een ontbinding per 1 februari 2006. Nu [gedaagde] desondanks in de vaststellingsovereenkomst als ontbindingsdatum 1 november 2005 heeft opgenomen, stelt [eiser] een bedrag van EUR 8.607,67 aan inkomen misgelopen te zijn. [gedaagde] heeft op dit punt gesteld dat hij van [bedrijf] had begrepen dat de fictieve opzegtermijn 1 maand zou zijn. De rechtbank is echter samen met [eiser] van oordeel dat [gedaagde] niet blind had mogen varen op deze mededeling en zelf de CAO had moeten naslaan op de geldende opzegtermijn. Dit zou ertoe hebben geleid dat [gedaagde] had ontdekt dat de fictieve opzegtermijn niet 1 maand maar 3 maanden was. [gedaagde] heeft zijn stelling dat de ontbinding per 1 november 2005 ingegeven was door de wens van [eiser] om de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen onvoldoende onderbouwd. Nu [gedaagde] voorts niet heeft gesteld dat er een goede reden was om af te wijken van de krachtens de CAO geldende opzegtermijn, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] per 1 februari 2006 ontbonden had moeten worden, te meer nu [eiser] onweersproken heeft gesteld dat [bedrijf] hiermee zou hebben ingestemd. Het in dit kader gevorderde bedrag zal onder toepassing van het overwogene in 4.6.4. worden toegewezen.

Eindejaarsuitkering

4.8. Door [eiser] is daarnaast gesteld dat zij de eindejaarsuitkering van EUR 585,53 op grond van artikel 25 CAO Thuiszorg is misgelopen, aangezien [gedaagde] ten onrechte haar arbeidsovereenkomst per 1 november 2005 heeft laten beëindigen. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2006 ontbonden had moeten worden, zal voormeld bedrag na toepassing van de korting van 30% worden toegewezen, terwijl ook ten aanzien van dit bedrag de laatste zin van rechtsoverweging 4.6.4. geldt.

Verlies pensioenopbouw

4.9. [eiser] heeft een bedrag van EUR 1.521,00 gevorderd wegens het verlies aan pensioenopbouw over de maanden november 2005 tot en met januari 2006. [gedaagde] heeft op dit punt verweer gevoerd door te stellen dat [eiser] vóór een bepaalde datum een beroep op de voortzetting van haar pensioenopbouw had kunnen doen en daarmee haar schade had kunnen beperken. Indien deze mogelijkheid zou hebben bestaan, dan had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn cliënte daarop te wijzen. Nu gesteld noch gebleken is dat hij dit heeft gedaan, zal het gevorderde bedrag, onder toepassing van het overwogene in 4.6.4. worden toegewezen.

Vakantiedagen

4.10. [eiser] heeft voorts aangevoerd dat zij door de ontbinding per 1 november 2005 de opbouw van vakantiedagen over de maanden november 2005 tot en met januari 2006 is misgelopen, terwijl [eiser] daarnaast onweersproken heeft gesteld dat zij op voorstel van [gedaagde] 50% van haar resterende vakantiedagen heeft ingeleverd. In totaal stelt [eiser] hierdoor 13 vakantiedagen verloren te hebben, hetgeen gelijk staat aan een bedrag van EUR 2.225,36. De rechtbank overweegt dat het gemis aan opbouw van vakantiedagen voor rekening dient te komen van [gedaagde], nu gelet op het voorgaande als ontbindingsdatum 1 februari 2006 had dienen te gelden. Voorts zou een redelijk handelend en redelijk bekwaam juridisch adviseur nimmer uit zichzelf voorgesteld hebben om 50% van de resterende vakantiedagen in te leveren zonder dat daar om was gevraagd door de werkgever. Dit geldt te meer nu [eiser] zich op dat moment reeds ziek had gemeld bij [bedrijf]. Het gevorderde bedrag zal - wederom - na toepassing van het overwogene in rechtsoverweging 4.6.4. worden toegewezen.

Correctiefactor

4.11. In rechtsoverweging 4.3. is reeds overwogen dat de omstandigheden die tot het op non-actief stellen hebben geleid niet in de verwijtbaarheidssfeer liggen van [eiser], maar veeleer in die van [bedrijf]. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur had dan ook verwacht mogen worden dat deze bij de toepassing van de zogenaamde kantonrechtersformule hoger dan de normale, neutrale factor C=1 had ingezet en dat deze niet direct had aangestuurd op een neutrale ontbinding. Door dit wel te doen, heeft [gedaagde] zonder noodzaak alle onderhandelingsruimte van [eiser] weggegeven. De rechtbank is van oordeel dat er een reële kans bestaat dat de correctiefactor in de kantonrechtersformule op een hogere factor dan C=1 terecht was gekomen indien [gedaagde] hoger had ingezet. Dit geldt des te meer, nu bij mail van 24 januari 2006 namens [bedrijf] is aangegeven dat het denkbaar was geweest dat [bedrijf] een C-factor hoger dan 1 had geaccepteerd en dat de factor C=1,2 waarschijnlijk tot de mogelijkheden had behoord. Nu [gedaagde] de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag van EUR 18.662,82, waarbij uitgegaan wordt van C =1,2, niet heeft betwist, zal dit bedrag eveneens onder toepassing van rechtsoverweging 4.6.4. worden toegewezen.

Gedragsregels

4.12. Gelet op het vorenstaande behoeft de vraag of [gedaagde], gezien onder meer zijn onprofessioneel ogende e-mailberichten, in strijd met zijn gedragsregels heeft gehandeld geen bespreking meer, daargelaten de vraag of [eiser] wat dit punt betreft heeft voldaan aan haar stelplicht.

Verklaring voor recht

4.13. Blijkens het vorenoverwogene is [gedaagde] op meerdere punten toerekenbaar tekort geschoten jegens [eiser]. De door [eiser] onder 1 gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

Dictafoon

4.14. Door [eiser] is voorts gesteld dat zij een defecte dictafoon heeft gekocht van [gedaagde] en dat zij deze reeds aan laatstgenoemde heeft teruggegeven. [gedaagde] heeft echter gesteld ook de daarbij behorende software en boekjes terug te willen, terwijl [eiser] bij repliek heeft aangegeven deze nooit te hebben ontvangen. Nu [gedaagde] deze laatste stelling van [eiser] niet heeft weersproken, zal het door [eiser] in dit kader gevorderde bedrag van EUR 80,- worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.15. [eiser] heeft een bedrag van EUR 3.828,98 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. Nu niet (voldoende onderbouwd) is gesteld dat ten behoeve van [eiser] werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voor-werk II, zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden slechts worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde EUR 1.158,00.

Wettelijke rente

4.16. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 15 april 2006, nu de stelling van de zijde van [eiser] dat, gelet op de aansprakelijkheidsstelling (rechtsoverweging 2.10.), [gedaagde] vanaf deze datum in verzuim is, niet is weersproken. De wettelijke rente zal derhalve anders dan primair gevorderd niet vanaf 1 februari 2006 worden toegewezen, aangezien gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] reeds op die datum in verzuim was.

Proceskosten

4.17. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,32

- vast recht 870,00

- salaris procureur 2.316,00 (4,0 punt x tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 3.270,32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van juridische werkzaamheden;

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 26.057,83, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 15 april 2006 tot de dag van volledige betaling;

5.3. veroordeelt [gedaagde], indien [eiser] over het in rechtsoverweging 5.2. toegewezen bedrag belasting en/of sociale premies moet betalen, dit bedrag aan belasting en/of sociale premies aan [eiser] te betalen;

5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 1.238,00 aan buitengerechtelijke kosten en de vergoeding voor de dictafoon vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 15 april 2006 tot de dag van volledige betaling;

5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 3.270,32;

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. T.M.L. Veen en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2008.