Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC4969

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
07/620284-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

opium

bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/620284-07

Uitspraakdatum : 12 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

[geboortedatum],

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. M. Kamper, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht,

- onttrekking aan het verkeer van de verdovende middelen en de weegschaal, voorkomend de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen,

- teruggave aan de verdachte van de polispapieren, voorkomend op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Hoewel de rechtbank het merkwaardig acht dat de verdachte in zijn woning in de centrale afzuiginstallatie een groot geldbedrag gestopt had, valt het niet uit te sluiten dat het geldbedrag, zoals de verdachte verklaart, afkomstig is van een Luxemburgse bankrekening, welke hij in 1998 heeft opgezegd. Daarnaast heeft de rechtbank uit de stukken niet kunnen opmaken dat de verdachte wist dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig was, omdat de enkele verklaring van [betrokkene] dat verdachte handelt in cocaïne en de vondst van de 5 kilo cocaïne in de auto van [betrokkene], die volgens [betrokkene] afkomstig zijn van verdachte, niet voldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs van witwassen te kunnen komen. Dat de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat in de drugswereld biljetten van 500 euro worden verhandeld, brengt de rechtbank niet tot een andere beslissing.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1 meer of anders tenlastegelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting een verklaring afgelegd omtrent een [betrokkene] die wel eens bij hem op bezoek komt, waarvan [betrokkene] de 5 kg cocaïne heeft gepakt, maar dit acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze gang van zaken vindt in geen enkel bewijsmiddel steun. Voorts geldt dat het dan onbegrijpelijk is, dat verdachte dit eerst na ongeveer vijf maanden voorlopige hechtenis verklaart. Voor de hand had dan gelegen dat verdachte meteen zo had verklaard teneinde zo snel mogelijk uit voorlopige hechtenis te geraken. Verdachte heeft ten slotte ook niet verzocht om deze [betrokkene] te horen als getuige, noch daartoe de nodige gegevens verstrekt.

De rechtbank passeert ook het subsidiair door de raadsvrouw gedane verzoek om [betrokkene] nog als getuige te horen. De noodzaak ontbreekt daartoe immers. [betrokkene] is al vele malen gehoord en heeft telkens consistent verklaard omtrent de 5 kg cocaine die hij op 31 augustus 2007 van verdachte heeft gehad, welke verklaringen ook steun vinden in telefoontaps en observaties door de politie. Door verdachte of van de zijde van diens verdediging is ook niet eerder verzocht om [betrokkene] nog een keer te horen.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 10 van de Opiumwet.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals opgenomen op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” 2008 overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat de op voornoemde lijst onder 2 en 3 vermelde voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontro¬leerde bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet, althans met het algemeen belang en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, als het bewezen en strafbaar verklaarde feit.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de aan de hem toebehorende, op voornoemde lijst onder 1 en 4 vermelde voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 januari 2008.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36d en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 tenlastegelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 meer of anders tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

36 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 2 en 3 vermelde voorwerpen, te weten een zak verdovende middelen en een weegschaal.

De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 1 en 4 vermelde voorwerpen, te weten papieren.

Aldus gewezen door mr. G.J.J.M. Essink, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en J.P.C. Obbink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. Verstraeten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2008.