Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC4936

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
07/410099-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs opzetverweer 'shaken baby-syndrome'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.410099-07

Uitspraak: 19 februari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

wonende te [adres]

thans verblijvende te [verblijfplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. de Vries, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. H.C.C. Berendsen, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook indien dit behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling inhoudt.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

In het dossier bevinden zich een verklaring van [naam], waarnemend kinderarts bij de [ziekenhuis] (weergegeven in een proces verbaal van 11 oktober 2007, kenmerk PL04NO/07-120053) dossierpagina 14-1) en een verslag van [naam] kinder-radioloog bij het AMC. Uit deze stukken blijkt dat bij [slachtoffer] het volgende letsel is geconstateerd: retinabloedingen aan beide ogen; twee ribfracturen en bloedingen in het hoofd met dientengevolge schade aan de hersenen. Geconcludeerd is dat dit letsel kenmerkend is voor het zogeheten shaken baby-syndroom.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdachte dat er in zijn geval geen sprake is geweest van enige opzet en overweegt hiertoe het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie is het een feit van algemene bekendheid dat het door elkaar schudden van een baby uitermate gevaarlijk is voor de gezondheid van de baby en zelfs zeer wel de dood tot gevolg kan hebben.

De verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] meerdere keren heeft geschud. Gelet op deze verklaring, in samenhang met de bevindingen van de artsen [naam] en [naam], is de rechtbank van oordeel dat medische oorzaken voor het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel zijn uitgesloten en dat het letsel is ontstaan doordat hij hardhandig is geschud. Door zo te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vastpakken en hardhandig heen en weer schudden de dood van zijn kind tot gevolg zou kunnen hebben. De rechtbank kent hierbij mede betekenis toe aan de ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte dat hij, als hij [slachtoffer] uit de box haalde, diens hoofdje ondersteunde omdat baby’s een zwak nekje hebben. Dit illustreert dat de verdachte zich van de kwetsbaarheid van het hoofd en de nek van zijn zoon terdege bewust is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van het primair ten laste gelegde sprake is van voorwaardelijk opzet.

Aan het vorenstaande doet niet af dat [slachtoffer] niet is overleden, dat het thans goed met hem lijkt te gaan en dat nog niet is komen vast te staan of hij blijvend letsel als gevolg van het schudden zal ondervinden.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID VAN DE DADER

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

Over de verdachte is een pro justitia rapport opgemaakt door psychiater I. Hazemeijer, gedateerd op 26 januari 2008. Als conclusie houdt deze rapportage in dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van zwakbegaafdheid en dat hij ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid heeft kunnen inzien, maar in mindere mate dan de gemiddelde normale mens. De psychiater concludeert dat de verdachte ten tijde van het hem ten laste gelegde lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat het feit hem in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat psychiater Hazemeijer op gronden die dat advies kunnen dragen tot zijn bevindingen is gekomen, neemt deze bevindingen over en betrekt deze in haar oordeel.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het bewezen verklaarde feit de verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De verdachte heeft een aan zijn zorgen toevertrouwde zeer jonge, weerloze baby meerdere keren krachtig geschud. Hij heeft dit uit frustratie gedaan omdat hij het kind niet stil kon krijgen. De rechtbank overweegt dat het hier een zeer ernstig feit betreft, waarvan de gevolgen wellicht pas later zichtbaar zullen worden. Dit feit heeft in de samenleving gevoelens van verbijstering en afkeer opgeroepen. Voor een dergelijk feit zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zijn.

De persoon van de verdachte en zijn zwakke sociale omstandigheden, tezamen met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, in ogenschouw genomen is de rechtbank echter van oordeel dat een werkstraf van de maximale omvang in dit geval meer op zijn plaats is. De rechtbank acht voorts een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Gelet op de ernst van het onderhavige feit dient ook deze voorwaardelijke straf een straf van substantiële omvang te zijn.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank laten meewegen dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank naast het hiervoor genoemde psychiatrische rapport rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 december 2007;

- een de verdachte betreffend vroeghulp interventierapport d.d. 25 oktober 2007, uitgebracht door J. de Jong-Stoel, reclasseringswerker;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 22 januari 2008, uitgebracht door J. de Jong-Stoel, reclasseringswerker.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende tweehonderdenveertig uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door honderdentwintig dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot twaalf maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ook indien deze inhouden

- het ondergaan van een ambulante behandeling, waaronder begrepen behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling dan wel;

- het opvolgen van aanwijzingen met betrekking tot de invulling van het contact met zijn zoon [slachtoffer] en zijn ex-partner [naam]

zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. I.F. Clement, voorzitter, mrs. G.M.J. Vijftigschild en

G.A. Versteeg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Bruggen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2008.

De griffier was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.