Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC4536

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-02-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
Awb 08/174
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter wijst verzoek om schorsing reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een appartementengebouw op perceel Betje Wolffstraat te Zwolle, af. Niet gebleken is dat het bouwplan in strijd is met de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 08/174

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

A t/m C

allen wonende te Zwolle, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder

Delta Wonen B.V.,

gevestigd te Zwolle, belanghebbende,

gemachtigde: mr. V.A. Textor, advocaat te Zwolle.

1.Procesverloop

Op 15 juni 2007 heeft verweerder op aanvraag van belanghebbende een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw op het perceel Betje Wolffstraat (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie B, nummer 6207.

Tegen de bouwvergunning is door – onder meer – verzoekers bij brief van 26 juli 2007 bezwaar gemaakt.

De Adviescommissie bezwaarschriften heeft partijen op 11 oktober 2007 gehoord, waarna zij op 13 november 2007 haar advies heeft uitgebracht.

Bij het thans bestreden besluit van 7 december 2007 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften – samengevat – de bezwaren van een groot aantal personen niet-ontvankelijk verklaard en voorts de bezwaren van anderen (waaronder verzoekers) ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben, tezamen met 51 anderen, met hun brief van 15 januari 2008 beroep ingesteld. Bij brief van 25 januari 2008 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met haar brief van 29 januari 2008 heeft mr. Textor voornoemd namens belanghebbende verzocht om als partij aan het geding deel te mogen nemen. Op 8 februari 2008 heeft zij schriftelijk gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op 30 januari 2008 en op 7 februari 2008 de gedingstukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 februari 2008 waar verzoekers in persoon zijn verschenen. Namens verweerder zijn mr. H.C.S. van Dop, drs. M.E.L. Kuenen en A.R. Flim verschenen. Namens belanghebbende is W.G. Smith verschenen, bijgestaan door mr. Textor.

2.Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet af van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb tevens op het beroep te beslissen, aangezien verzoekers in de onderhavige procedure niet tevens alle overige eisers vertegenwoordigen.

De voorzieningenrechter ziet in die omstandigheid tevens reden om zich in het kader van onderhavige procedure niet uit te laten over de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van andere - niet in het onderhavige geding betrokken - eisers.

Met het verzoek beogen verzoekers te bereiken dat in afwachting van een uitspraak op hun beroep belanghebbende geen bouwactiviteiten ontplooit.

Het beroep en het verzoek richten zich tegen de bij het thans bestreden besluit gehandhaafde reguliere bouwvergunning voor het realiseren van een appartementengebouw op een perceel aan de Betje Wolffstraat te Zwolle.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Op 10 april 2007 heeft de welstandscommissie Het Oversticht (de welstandscommissie) een positief stempeladvies uitgebracht, waarna zij in het kader van de bezwaarschriftprocedure op 22/27 november 2007 dit stempeladvies van een op schrift gestelde motivering heeft voorzien.

Niet in geschil is dat ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Wipstrik” de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming “Meergezinshuizen” met nevenbestemming “Bijzondere doeleinden” hebben.

Volgens artikel 8, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften zijn deze gronden - onder meer - bestemd voor meergezinshuizen met bijbehorende bebouwing en erven.

Volgens het tweede lid, sub a van dit artikel gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen

de - thans relevante - volgende bepalingen:

1.een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

2.per hoofdgebouw dienen één (of meer) gevel(s) in de op de plankaart aangegeven bouwgrens, gelegen aan de wegzijde, te worden gebouwd;

3.de goot- en nokhoogte van een gebouw mag niet meer dan de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen.

Op de plankaart is aangegeven dat de goothoogte maximaal 6 meter mag zijn en de nokhoogte maximaal 9 meter.

Ingevolge artikel 1, aanhef en sub 15, van de planvoorschriften wordt onder een bouwgrens verstaan: een op de plankaart aangegeven lijn, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voorschriften toegelaten afwijkingen.

Onder een meergezinshuis wordt volgens artikel 1, aanhef en sub 30, van de planvoorschriften verstaan: een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat.

Volgens artikel 2, aanhef en onder 9, van de planvoorschriften wordt bij het toepassen van de voorschriften de (bouw) hoogte / nokhoogte van een bouwwerk als volgt gemeten: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, ondergeschikte bouwdelen als schoorstenen en antennes niet meegerekend.

Artikel 2, aanhef en onder 10, van de planvoorschriften bepaalt dat bij het toepassen van de voorschriften de goothoogte van een bouwwerk als volgt wordt gemeten: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend.

Voorts zijn volgens de planvoorschriften de in die voorschriften gegeven bepalingen omtrent plaatsing, afstanden en maten niet van toepassing op antennemasten, trappenhuizen, gevel- en kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels, dakgoten, overstekende daken, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, erkers en soortgelijke ondergeschikte bouwdelen, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1,30 meter wordt overschreden.

Verzoekers hebben in beroep betoogd dat het bouwplan, met name vanwege de kapvorm, in strijd is met het bestemmingsplan aangezien niet wordt voldaan aan de maximaal toegestane goot- en nokhoogte. Verzoekers zijn voorts van mening dat de dakconstructie niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat, gelet op de eerdere negatieve adviezen van de welstandscommissie, niet volstaan had kunnen worden met een stempeladvies. In dit verband hebben verzoekers gesteld dat zij in hun procesbelangen zijn geschaad doordat zij, vanwege het ontbreken van essentiële stukken, niet in staat zijn geweest een adequate beoordeling van de advisering door de welstandscommissie te maken.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het te bouwen appartementengebouw, gelet op de inrichting en het beoogde gebruik (appartementen voor seniorenhuisvesting en huisvesting van co-assistenten van het Isala ziekenhuis), past binnen de bestemming “Meergezinshuizen”.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het bestemmingsplan niet in de weg staat aan een dakconstructie als in het in geding zijnde bouwplan is voorzien. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de op de bij de verleende bouwvergunning behorende bouwtekening aangegeven goot- en nokhoogte (6 meter resp. 9 meter) niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Ter zitting is gebleken dat de voorgevel van het te bouwen gebouw zal worden gebouwd in de op de plankaart aangegeven bouwgrens, gelegen aan de zijde van de Betje Wolffstraat.

Met betrekking tot de overschrijding (tot 1,30 meter) van de bouwgrens voor wat betreft de entreeportalen is de voorzieningenrechter van oordeel dat, aangezien in de planvoorschriften geen limitatieve opsomming is gegeven van ondergeschikte bouwdelen waarvoor geldt dat de bouwgrens met maximaal 1,30 meter mag worden overschreden, onderhavige entreeportalen, gelet op de wel genoemde voorbeelden, kunnen worden aangemerkt als zodanige ondergeschikte bouwdelen, zodat deze overschrijding niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bouwplan, nu voorts bewoning op de tweede verdieping van het gebouw volgens het bestemmingsplan niet is verboden, niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

Verzoekers hebben ter zake van het positieve welstandsadvies – samengevat – betoogd dat verweerder dit advies niet had mogen volgen aangezien het bouwplan op een kritiekpunt uit een eerder negatief advies van de welstandscommissie, te weten dat de samengestelde kapvorm in de omgeving niet voorkomt, niet is aangepast.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit het systeem van de Woningwet volgt dat de welstandstoets er niet toe mag leiden dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet kunnen worden verwezenlijkt.

De voorzieningenrechter is gebleken dat de welstandscommissie bij de beoordeling van het bouwplan heeft getoetst aan de ter zake van toepassing zijnde criteria uit de welstandsnota van de gemeente Zwolle.

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de indiening van de officiële bouwvergunningaanvraag, een aantal ontwerp-bouwplannen ter beoordeling voorgelegd aan de welstandscommissie, die deze plannen heeft becommentarieerd in de vorm van pre-adviezen. Ter zitting is gebleken dat de welstandscommissie afziet van het maken van verslagen. De uitkomsten van de beraadslagingen legt zij in de vorm van (pre-)adviezen vast.

In haar eerste pre-advies van 4 oktober 2006 heeft de welstandscommissie geconcludeerd dat het bouwplan niet voldeed aan nader genoemde criteria uit de welstandsnota

De welstandscommissie heeft vervolgens – onder meer – opgemerkt dat de samengestelde kapvorm, die bestaat uit een gedeelte plat dak en een gedeelte kap, in de omringende bebouwing niet voorkomt en voorts dat de dakvlakken te zeer aangetast worden door balkons, dakkapellen en dakramen. Tevens was de welstandscommissie van mening dat de eindgevels van het blok te gesloten zijn en niet reageren op de stedenbouwkundige context. De commissie adviseerde tot slot een kap of een plat dak toe te passen en de gevelcomposities daarop en op de omgeving af te stemmen.

Verzoekers hebben erop gewezen dat het vergunde bouwplan nog steeds uitgaat van een samengestelde kapvorm. Verweerder heeft erop gewezen dat er sprake is van een alzijdige kapvorm.

De voorzieningenrechter is, gelet op de door de welstandscommissie in haar pre-advies van

4 oktober 2006 gegeven omschrijving van het begrip “samengestelde kapvorm”, van oordeel dat het vergunde bouwplan nog steeds zo’n samengestelde kapvorm kent en dat op dat onderdeel van het bouwplan niet is tegemoet gekomen aan het in dat pre-advies gegeven slotadvies.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er thans sprake is van een, ten opzichte van het eerste bouwplan, op meerdere onderdelen gewijzigd bouwplan, dat door de welstandscommissie op zijn eigen merites diende te worden beoordeeld. Daarvan uitgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op zichzelf niet onbegrijpelijk en evenmin onredelijk is dat de welstandscommissie tot een andere conclusie is gekomen dan daarvoor.

De voorzieningenrechter acht het evenmin onbegrijpelijk en onredelijk dat de welstandscommissie, gelet op alle wijzigingen die het bouwplan heeft ondergaan, waarbij de welstandscommissie expliciet heeft genoemd dat er thans sprake is van een alzijdige kapverdieping, tot de conclusie is gekomen dat het gewijzigde bouwplan qua volume, maat, schaal en richting en oriëntatie goed is ingepast in de bestaande stedenbouwkundige ruimte en structuur.

Nu verzoekers geen deskundig tegenadvies in het geding hebben gebracht is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verweerder in redelijkheid het positieve advies van de welstandscommissie heeft kunnen volgen. Het betoog van verzoekers, dat zij niet in staat zijn geweest om een inhoudelijk reactie te (laten) geven op het welstandsadvies - onder meer - omdat zij niet tijdig over alle relevante stukken konden beschikken leidt, wat daarvan ook zij, thans niet tot een ander voorlopig oordeel.

Gesteld noch gebleken is dat het bouwplan overigens in strijd is met de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden.

Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat verweerder op juiste gronden bij het thans bestreden besluit de bezwaren van verzoekers ongegrond heeft verklaard. Er is dan ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Bunt als griffier, op

Afschrift verzonden op: