Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BC3544

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
07/630002-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs

rechtmatige informatievergaring

observatie

peilbaken

DNA

alternatieve toedracht ongeloofwaardig

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.630002-07

Uitspraak: 31 januari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende [adres]

thans verblijvende in de [verblijfplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Holleeder, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. I. Verkerk, heeft ter terechtzitting gevorderd

- de vrijspraak van verdachte terzake het onder 2, 4, 11, 12, 17, 18 en 19 ten laste gelegde;

- de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13 primair, 14, 15, 16, 20, 21, 22 en 23 ten laste gelegde tot vier jaren en zes maanden gevangenisstraf met aftrek van de duur van de voorlopige hechtenis;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 1]

tot € 9612,69 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2]

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 3],

ad € 3426,88 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 4],

ad € 4197,02 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de ontneming van het uit de ten laste gelegde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel ad € 29.999,-;

- verbeurdverklaring ten aanzien van de van verdachte inbeslaggenomen goederen (nummers 2 tot en met 30);

- teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen goederen (nummers 31 en 32) aan de rechthebbende.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het onder 2, 4, 6, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 22 en 23 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Waar de officier van justitie uitdrukkelijk de veroordeling van de verdachte heeft gevorderd, overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat, wil sprake zijn van opzetheling als bedoeld in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht, noodzakelijk is dat de verdachte het goed voorhanden heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte de betreffende auto voorhanden heeft gehad. Aldus kan de verdachte niet worden verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Met betrekking tot het ten laste gelegde onder 10 tot en met 16, 22 en 23 overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat in het opsporingsonderzoek op rechtmatige wijze informatie is vergaard. Deze informatievergaring heeft hierin bestaan dat er telefoons zijn afgetapt, het woonadres van de verdachte met behulp van camera’s is geobserveerd en een peilbaken is geplaatst op een auto, te weten een [merk auto] met het kenteken [kenteken nummer]. Daarnaast bevat het dossier afdrukken van beelden die door bewakingscamera’s op de plaats van de ten laste gelegde misdrijven zijn geregistreerd.

De rechtbank stelt voorop dat uit de door het openbaar ministerie aangedragen opsporingsmiddelen, in het bijzonder de beelden die door observatiecamera’s zijn geregistreerd en de beelden afkomstig van bewakingscamera’s, controleerbaar en inzichtelijk moet zijn op basis van welke feiten en omstandigheden de met de opsporing belaste ambtenaren tot hun bevindingen zijn gekomen dat de verdachte en/of zijn mededaders de ten laste gelegde feiten hebben gepleegd dan wel dat de verdachte hierbij betrokken is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat op de in het dossier aanwezige beelden van de observatiecamera’s niet kan worden waargenomen dat de verdachte op de ten laste gelegde tijdstippen inzittende is geweest van de [auto merk] (feit 10), de [auto merk] (feit 12) of de [merk auto] (feit 13 tot en met 16, 22 en 23) die nabij of op de plaats en tijdstip van de diefstallen zouden zijn gezien. Weliswaar is door de opsporingsambtenaren geverbaliseerd dat de verdachte op bepaalde tijdstippen - die verband zouden kunnen houden met de tijdstippen waarop de diefstallen zijn gepleegd - in één van deze auto’s is gestapt, maar voor de rechtbank is niet inzichtelijk of te verifiëren op basis waarvan de opsporingsambtenaren dit hebben geconcludeerd. Het vorenstaande klemt te meer nu verder op geen enkele wijze is waargenomen dat de verdachte op de ten laste gelegde tijdstippen op de plaats van de misdrijven aanwezig is geweest. Nu voor bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten enig verband moet kunnen worden gelegd tussen het gebruik van de genoemde auto’s en de persoon van de verdachte en dit verband niet kan worden gelegd, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de verdachte de ten laste gelegde opzetheling en diefstallen heeft gepleegd dan wel hier bij betrokken is geweest.

Ten aanzien van de afgeluisterde telefoongesprekken overweegt de rechtbank dat deze geen concrete aanknopingspunten bevatten die rechtstreeks tot de ten laste gelegde diefstallen zijn te herleiden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aangedragen informatie afkomstig uit de telefoontaps, het peilbaken en de camerabeelden op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, voldoende gronden bevatten voor het bewijs dat de verdachte dan wel zijn mededaders de diefstallen hebben gepleegd dan wel dat de verdachte hierbij betrokken is geweest.

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 3, 5, 7, 8, 9, 20 en 21 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

Voor de bewezenverklaring is onder meer redengevend dat op de tie-wraps (kabelbinders) waarmee de slachtoffers van de overval zijn geboeid een DNA-spoor is aangetroffen dat te herleiden is tot de persoon van de verdachte. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdachte dat dit DNA-spoor niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De verdediging heeft hiertoe betoogd dat niet is vast te stellen op welk moment het DNA-spoor op de tie-wraps is terechtgekomen en dat niet valt uit te sluiten dat het DNA-spoor via secundaire overdracht op de tie-wraps terecht kan zijn gekomen. Voor verwerping van het verweer van de verdediging is voor de rechtbank het hierna volgende redengevend.

Blijkens een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de regiopolitie Hollands Midden van 8 juli 2004, PL1640/04147291 (met bijlage) zijn op de tie-wraps aangetroffen sporen veiliggesteld. In de bijlage staat vermeld dat deze sporen afkomstig zijn van de huid. Uit een deskundigenrapport van het NFI van 4 januari 2006 met het opschrift ‘profielcluster 3951’ is gebleken dat het aangetroffen spoor met kenmerk ABD145#2 overeenkomt met het bij het NFI geregistreerde profielcluster 3951, inhoudende een referentiemonster met DNA van de verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het spoor bedraagt minder dan één op één miljard.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het op de tie-wrap aangetroffen DNA-spoor afkomstig is van de verdachte. Evenmin is in geschil dat de match tussen het aangetroffen spoor en het referentiemonster zeer hoge pieken bevat, hetgeen erop duidt dat de overeenkomst tussen spoor en monster zeer hoog is.

De door de verdachte eerst ter terechtzitting gegeven alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van diens DNA op de tie-wraps, te weten dat hij één of twee weken voorafgaand aan de overval met tie-wraps, toebehorende aan ene [xxxxxxx] de fiets van zijn neef heeft gerepareerd, is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank merkt hierbij op dat het dossier geen enkele steun bevat voor de in verdachtes verklaring besloten liggende stelling dat bij de overval aan [xxxxxxx] toebehorende tie-wraps zouden zijn gebruikt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, naast het aangetroffen DNA-spoor van de verdachte, de verklaringen van één van de slachtoffers van de overval, [naam slachtoffer] eveneens gronden bevat voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Uit het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 1 mei 2007 (pagina 7, dossierpagina 223) en het proces-verbaal van verhoor van 2 mei 2007 (pagina 3, dossierpagina 226) blijkt dat de verdachte met haar heeft gesproken over de gang van zaken in de winkel. De besproken zaken, onder meer het tijdstip waarop zij met haar werk pleegt te beginnen, het tijdstip waarop het geld uit de kluis wordt gehaald, wordt geteld en in de kassa wordt gedaan, duiden naar het oordeel van de rechtbank op de intentie om kennis te verkrijgen van de gang van zaken in de ochtend - met het oog op het beramen van een overval - en niet om informatie te verkrijgen met oog op een eventuele sollicitatie van de partner van de verdachte. Het vorenstaande, in samenhang bezien met het in de aangifte vermelde tijdstip van de overval, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de betrokkenheid van de verdachte bij de overval buiten enige twijfel is en dat deze betrokkenheid wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

Ten aanzien van het onder 21 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Niet in geschil is dat bij de verdachte goederen, te weten vier ringen en 4670,- Roemeense lei, afkomstig uit diefstal zijn aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat de eerst ter terechtzitting gegeven verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid en herkomst van deze goederen in zijn woning, namelijk dat deze door vrienden zijn achtergelaten, geenszins overtuigend is. De verklaring van de verdachte dat de goederen van vrienden afkomstig zijn, is niet te verifiëren. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat de vrienden van de verdachte van Roemeense afkomst zijn, dan wel op enige wijze met het geld in verband kunnen worden gebracht. Dit bezien in samenhang met de omstandigheid dat het geld niet in gangbare valuta, zoals bijvoorbeeld euro’s of dollars is aangetroffen, verlangt dat de verdachte op z’n minst een plausibele verklaring voor de aanwezigheid van het aangetroffen geld, in combinatie met de ringen, moet kunnen geven. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.

Van het onder 1, 3, 5, 7, 8, 9, 20 en 21 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

1.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht;

5.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

7.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

8.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

9.

opzetheling,

strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht;

20.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht

21.

opzetheling,

strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak zouden worden miskend. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gewicht toegekend aan het feit dat de verdachte de door hem bekende bedrijfsinbraken samen met anderen en tijdens de nachtelijke uren heeft gepleegd.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de overval op het Kruidvat op 6 juli 2004 heeft plaatsgevonden. Het betreft hier naar het oordeel van de rechtbank een ernstig feit. Op gewelddadige wijze, onder bedreiging van een wapen heeft de verdachte een groot geldbedrag en goederen weggenomen. De slachtoffers zijn hierbij door middel van tie-wraps aan hun handen en voeten vastgebonden. Daarnaast heeft de verdachte gedreigd de slachtoffers dood te maken en gedreigd dat hij nog zal terugkomen. De verdachte heeft zich bij zijn handelen alleen door eigen financieel gewin laten leiden en geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers. De overval op het Kruidvat is een verwerpelijke daad. Buiten twijfel is dat deze voor de slachtoffers zeer beangstigend is geweest. Een dergelijk feit brengt daarnaast in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Door zich bij herhaling schuldig te maken aan het plegen van gekwalificeerde diefstallen, waarbij hij het gebruik van geweld, hetzij tegen personen, hetzij tegen goederen, niet heeft geschuwd, geeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank er geen blijk van op enige wijze rekening te houden met de lichamelijke en fysieke integriteit van anderen en de aan anderen toebehoren goederen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 november 2007

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 5], is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij, [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 9 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij heeft in de periode waarin de verdachte diens auto onder zich heeft gehad, kosten moeten maken voor voor hem noodzakelijk vervoer. Deze kosten zijn derhalve aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank verwijst naar in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2002, NS 2002, 107.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1384,05, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1384,05 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu de verdachte is vrijgesproken terzake van het ten laste gelegde onder 12, 15, 16, 17, 18, 22 en 23 zijn de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] [slachtoffer 6], [slachtoffer 3 +4], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] in hun vorderingen niet ontvankelijk.

Beslag

Met betrekking tot de gevorderde verbeurdverklaring en teruggave aan de rechthebbende van de onder de verdachte in beslag genomen goederen overweegt de rechtbank dat uit de lijst van inbeslaggenomen goederen niet eenduidig kan worden afgeleid met betrekking tot welke feiten de goederen in beslag zijn genomen dan wel wie de rechthebbende van deze goederen is. De rechtbank ziet daarom geen andere mogelijkheid dan van deze goederen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten.

BESLISSING

Het onder 2, 4, 6, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 22 en 23 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 3, 5, 7, 8, 9, 20 en 21 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 3, 5, 7, 8, 9, 20 en 21 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachto[slachtoffer 2] van een bedrag van € 1384,05 (zegge: dertienhonderdvierentachtig euro en vijf cent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 9 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 10 januari 2007, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1384,05 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door negenenzestig dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat,

indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] [slachtoffer 6], [slachtoffer 3 +4], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn nu de verdachte terzake van het onder 12, 15, 16, 17, 18, 22 en 23 ten laste is vrijgesproken.

De rechtbank gelast de bewaring van de inbeslaggenomen goederen ten behoeve van de rechthebbende.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. G.M.J. Vijftigschild en

I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Bruggen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2008.