Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:255

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
122756 - HA ZA 06-916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeraar weigert na brand met grote schade uitkering met beroep op artikel 251 Wetboek van Koophandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122756 / HA ZA 06-916

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

procureur mr. H.R. Quint,

advocaat mr. W.M. van den Pol te Gorinchem,

tegen

de naamloze vennootschap ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert.

Partijen zullen hierna [eiseres] en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 juli 2006

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

[eiseres] , een handel in hout- en plaatmateriaal, is een sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw bestaande bancaire relatie van de ABN AMRO.

2.2.

Op 18 februari 2004 heeft [naam 1] , verder te noemen: [naam 1] , als “Eigenaar / firmant / directie”, voor [eiseres] een aanvraagformulier voor een ABN AMRO bedrijfspolis (verzekeringsovereenkomst) ondertekend.

2.3.

Van dat formulier maakt een slotverklaring deel uit. Die luidt als volgt:

“Gedurende de laatste 8 jaar zijn er aan mij of een ander belanghebbende door een verzekeringsmaatschappij geen verzekeringen opgezegd of geweigerd, dan wel verzwarende voorwaarden gesteld.

Bent u, of zijn andere personen wier belang wordt meeverzekerd op deze verzekering (denk hierbij ook aan privaatrechtelijk samenwerkingsverbanden zoals de maatschap en de VOF), in de laatste acht jaar in aanraking geweest met politie of justitie? Bij voorbeeld omdat u of de andere personen werd of werden verdacht van het plegen van een strafbaar feit (waar ook overtredingen onder vallen)?

Zo ja, geef dan aan om welk strafbaar feit het ging, of het tot een rechtszaak is gekomen, wat het resultaat daarvan was en of eventuele (straf)maatregelen al zijn uitgevoerd. (U kunt deze informatie desgewenst vertrouwelijk aan de directie zenden.)

N.B. Bij beantwoording van deze vraag is niet alleen de eigen wetenschap van de aanvrager bepalend, maar ook die van de andere belang hebbenden. Indien deze verzekering wordt gesloten door of mede ten behoeve van een rechtspersoon, dan geldt de vraag ook voor:

  • -

    de statutair directeur(en) /bestuurder(s) van de rechtspersoon;

  • -

    de aandeelhouder(s) met een belang van 33,3 % of meer […] de statutair directeur(en) / bestuurder(s) daarvan.

Gedurende de laatste 3 jaar is door mij of een andere belanghebbende geen schade geleden en/of veroorzaakt.

De onderhoudstoestand van en de orde en netheid in de ter verzekering aangeboden risico’s is goed en zal gedurende de gehele looptijd van de verzekering in dezelfde staat blijven.

Eventuele toelichting op bovengenoemde zaken:

………………

………………

Verklaring

De ondergetekende, mede gelet op de inhoud van artikel 251 Wetboek van Koophandel, verklaart dat de gegevens zoals vermeld in dit aanvraagformulier volledig en juist zijn.

Geen omstandigheden die voor verzekeraars van belang kunnen zijn, zijn verzwegen of verkeerd voorgesteld.”

2.4.

Onder het kopje “Eventuele toelichting op bovengenoemde zaken” heeft [naam 1] geschreven: “Ik ben in jan. 2000 slachtoffer geweest van pyromaan, waarbij dader nooit gepakt is, maar de verz. mij heeft mij wel voor een aanzienlijk bedrag schadeloos moeten stellen en de verzekering stopgezet.”

2.5.

De verzekeringsovereenkomst is op 13 april 2004 tot stand gekomen onder nr. [nummer] De dekking ziet onder meer op risico van schade aan de onroerende zaak van [eiseres] aan de [adres] . Op deze overeenkomst zijn onder meer van toepassing de Algemene Verzekeringsvoorwaarden ABN AMRO Bedrijfspolis (AVAABP-2004), de Specifieke Verzekeringsvoorwaarden Gebouwen (SVGEB-2004) en enige specifieke verzekeringsvoorwaarden en bijzondere clausules.

2.6.

Per 2 september 2005 heeft ABN AMRO op aanvraag van [eiseres] voor een waarde van € 500.000 tevens verzekerd de goederen/inventaris. Dit verzoek heeft [eiseres] verwoord op een ‘onderhoudsformulier van polisnummer [nummer] . ABN AMRO heeft dat verzoek zonder invulling van een aanvraagformulier gehonoreerd.

2.7.

Door [naam 1] is ten behoeve van een nadere wijziging en aanvulling op de lopende verzekeringsovereenkomst op 17 oktober 2005 een nieuw aanvraagformulier ondertekend. De Slotverklaring in dat aanvraagformulier is gelijkluidend aan de hiervoor geciteerde slotverklaring in het eerdere aanvraagformulier. Op 17 oktober 2005 schreef [naam 1] onder het kopje “Eventuele toelichting op bovengenoemde zaken”: “Zie eerdere verklaringen. 5 jaar geleden slachtoffer van pyromaan. Laatste 3 jaar geen verzekering geweigerd.”

2.8.

De door [eiseres] beoogde wijzigingen zijn door ABN AMRO per 28 oktober 2005 doorgevoerd. Vanaf dat moment golden de volgende verzekerde sommen: € 246.000 voor gebouwen, € 25.000 voor opruimingskosten, € 600.000 voor roerende goederen, € 40.000 voor bedrijfsschade en € 10.000 voor extra kosten.

2.9.

Op 10 november 2005 is als gevolg van las- en/of slijpwerkzaamheden door derden rond het middaguur in genoemd pand aan de [adres] van [eiseres] brand uitgebroken. Bij deze brand is het pand aanzienlijk beschadigd en is het grootste deel van de daarin opgeslagen houtvoorraad verloren gegaan.

2.10.

[eiseres] heeft de schade aan ABN AMRO gemeld en verzocht over te gaan tot uitbetaling. ABN AMRO is vervolgens overgegaan tot een onderzoek van de oorzaak en andere relevante aspecten betreffende de brand. De schade is door experts van ABN AMRO vastgesteld op € 884.136 uitgaande van een herbouwwaarde en € 689.220 uitgaande van een verkoopwaarde.

2.11.

In een gesprek op 6 februari 2006 is [naam 1] door medewerkers van de afdeling Speciale Zaken (nu: afdeling Forensisch Verzekeringsonderzoek) van ABN AMRO meegedeeld dat uit onderzoek was gebleken dat [naam 1] op het aanvraagformulier een relevant strafrechtelijk verleden had verzwegen, daartoe stellende dat hij in de relevante periode zou zijn veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en wegens bedreiging.

2.12.

Bij brief van 24 april 2006 heeft ABN AMRO de verzekering met een beroep op artikel 251 Wetboek van Koophandel nietig verklaard. De brief vermeldt onder meer:

“De reden van ons beroep op art. 251 (..) is het feit dat u op het door u ingevulde aanvraagformulier geen melding heeft gemaakt van het feit dat u in de laatste acht jaar (voor het aangaan van de verzekering) in aanraking bent geweest met politie en justitie en ook veroordeeld bent.

Verder geeft u op het aanvraagformulier aan dat u in 2000 het slachtoffer bent geweest van een pyromaan. Uit het onderzoek blijkt echter niets van een pyromaan welke in 2000 actief was in [plaats 1] of omgeving.

Wanneer u ons bij het afsluiten van deze verzekering volledig had geïnformeerd, zouden wij de aanvraag niet hebben geaccepteerd. Deze verzekering is daarom nietig verklaard.”

2.13.

Op 20 februari 2000 heeft brand gewoed in het aan [eiseres] toebehorende pand aan de [adres] . In het kader van het onderzoek naar de oorzaak van die brand is brandstichting vastgesteld. Ook [naam 1] is toentertijd gehoord.

2.14.

De curator in het faillissement van de besloten vennootschap [eiseres] . heeft op 9 februari 1996 aangifte gedaan tegen [naam 1] en zijn twee broers, [naam 2] en [naam 3] , van verdenking van deelneming aan bankbreuk, valsheid in geschrifte en verduistering. [naam 1] is daarop op 20 juni 1996 als verdachte gehoord. [naam 1] is van die verdenking op 28 februari 1997 door de politierechter te Breda vrijgesproken.

2.15.

Tegen [naam 1] is voorts aangifte gedaan wegens bedreiging van zijn broer [naam 2] op 24 november 1998 met een alarmpistool, waarop [naam 1] op 24 november 1998 als verdachte is gehoord. [naam 1] is bij vonnis van de politierechter te Breda van 24 februari 2000 vrijgesproken van genoemde bedreiging doch veroordeeld voor het voorhanden hebben van een alarmpistool tot betaling van een geldboete van fl. 400,00.

2.16.

Tegen [naam 1] is tot slot op 20 december 1999 aangifte gedaan wegens mishandeling van zijn broer [naam 2] . [naam 1] is in deze zaak op 21 januari 2000 als verdachte gehoord. Dit feit is geseponeerd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

2.17.

Op 23 december 1999 heeft het gerechtshof te Den Bosch arrest gewezen in een kort geding-procedure waarin [eiseres] samen met [naam 2] procedeerde tegen [naam 1] . In dat arrest wordt vooralsnog als vaststaand feit aangenomen dat [naam 1] op 24 juli 1998 als mede bestuurder van genoemde vennootschap is ingeschreven, terwijl het inschrijvingsformulier door [naam 1] was ingevuld en het betreffende formulier met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet door [naam 2] was ondertekend. Omtrent deze inschrijving zijn verschillende procedures gevoerd. In dat kader is een vergelijkend onderzoek gedaan naar handtekeningen en handschriften. In een rapport van 12 augustus 1999, opgesteld door schriftexpert [naam 4] , is onder meer geconcludeerd: “De handtekening op het voor onderzoek aangeboden document [bedoeld inschrijvingsformulier] is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen echte handtekening van de heer [naam 2] . Het handschrift van de invullingen op het voor onderzoek aangeboden document (..) is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geproduceerd door de schrijver van de brief met het vergelijkingshandschrift, kennelijk de heer [naam 1] ”.

2.18.

In februari 2004 heeft [naam 1] ook een aanvraagformulier ondertekend waarin voor hetzelfde bedrijfspand een verzekering werd aangevraagd bij Delta Lloyd. Dat formulier vermeldt onder 7c. de vraag “hebt u feiten te melden omtrent een strafrechtelijk verleden van u, het bedrijf, een (mede)bestuurder van het bedrijf of een (mede)verzekerde, die binnen de afgelopen acht jaar zijn voorgevallen?”. Van de opties “nee” en “ja” is de eerste aangekruist. Het formulier vraagt ook naar het weigeren of opzeggen van een eerdere verzekering. Daarop is een getypte toelichting in het formulier opgenomen. Daarin wordt melding gedaan van de voorgeschiedenis van [eiseres] , de problemen in de familie [naam 1] , de brandstichting in 2000 en de opzegging van de opstalverzekering in 2000. Ook wordt vermeld dat de gebouwen sindsdien niet meer verzekerd zijn geweest. Die toelichting vermeldt onder meer: “Kort daarna brak brand uit in die loods. Het vermoeden bestond dat de partij hout in brand is gestoken, maar dat is nooit bewezen. […] onbekend is tot op heden wie de pyromaan was, uitgaande van het toch realistisch vermoeden dat de partij hout is aangestoken.” De verzekering is in maart 2004 door Delta Lloyd geweigerd.

2.19.

De besloten vennootschap EMN Expertise B.V. te Nieuwegein heeft in opdracht van ABN AMRO en in overleg met de contra-expert van [eiseres] de omvang van de schade vastgesteld, waarvoor zij bij factuur van 10 maart 2006 een bedrag van € 15.193,92 aan ABN AMRO heeft berekend.

2.20.

De Stichting Salvage heeft aan ABN AMRO in verband met de na de brand van 10 november 2005 getroffen maatregelen een bedrag van € 505,75 aan kosten berekend.

2.21.

In opdracht van ABN AMRO heeft de vennootschap onder firma Gorissen & Van der Zande V.O.F. te Tilburg de oorzaak van de brand onderzocht, waarvoor zij bij factuur van 16 december 2005 een bedrag van € 4.445,48 in rekening heeft gebracht.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert te bepalen dat ABN AMRO de bij haar door [eiseres] afgesloten bedrijfspolis met nummer [nummer] ten onrechte heeft vernietigd, dat de gevolgen van de op 10 november 2005 geleden schade derhalve gedekt worden door de onderhavige polis en daarbij ABN AMRO te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

ABN AMRO voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.

ABN AMRO vordert samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 20.221,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.4.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In debat is of ABN AMRO zich terecht beroept op nietigheid van de verzekerings-overeenkomst wegens verzwijging door [eiseres] .

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de verzekeringsovereenkomst van partijen is gesloten voor de inwerkingtreding van titel 7.17 van het Burgerlijk Wetboek per 1 januari 2006 en dat ABN AMRO, gelet op haar in punt 2.12 weergegeven brief van 24 april 2006, zich binnen één jaar na die inwerkingtreding heeft beroepen op het niet door [eiseres] voldoen aan de in artikel 251 van het Wetboek van Koophandel (K) bedoelde mededelingsplicht. Tegen die achtergrond is, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 221 lid 2 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek, in deze procedure artikel 7:930 BW niet van toepassing. Het debat van partijen moet dan ook, anders dan [eiseres] bepleit, op basis van het bepaalde in art. 251 K worden beoordeeld.

4.3.

Anders dan [eiseres] betoogt, kan niet tot de conclusie worden gekomen dat op 2 september 2005 met betrekking tot een inventaris/goederenverzekering een (afzonderlijke) overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Uit de door [eiseres] overgelegde stukken blijkt immers dat het gaat om een uitbreiding van de al per 13 april 2004 tot stand gekomen ‘bedrijfspolis’. [eiseres] ’s verzoek tot uitbreiding van de dekking is immers gedaan op een zogenaamd ‘onderhoudsformulier van polisnummer [nummer] ’ ofwel bedoelde bedrijfs-polis. Dat er geen nieuwe overeenkomst tot stand kwam, vindt haar bevestiging in het daarop uitblijven van een aanvraagformulier, waarvan de invulling zou worden verlangd. Dat in de brief van 2 september 2005 gewag wordt gemaakt van ‘een nieuwe polis’ legt geen voldoende gewicht in de schaal, nu uit de daarbij toegezonden polis van die datum duidelijk blijkt dat het gaat om een uitbreiding van de lopende verzekering. Onjuist is dan ook de stellingname van [eiseres] dat het beroep van ABN AMRO op de in artikel 251 K bedoelde nietigheid in zoverre al doel zou missen.

4.4.

ABN AMRO heeft haar beroep op nietigheid van de verzekeringsovereenkomst gestoeld op twee verzwijgingen c.q. onjuiste mededelingen, te weten het ten onrechte vermelden dat [eiseres] ‘in 2000 slachtoffer is geweest van een pyromaan’ en het niet door [naam 1] vermelden van zijn strafrechtelijk verleden.

4.5.

Wat betreft de eerst gestelde nietigheidsgrond geldt dat ABN AMRO zich er op beroept dat het door [eiseres] althans [naam 1] in zijn aanvulling op de slotverklaring van 18 februari 2004 gebruikte woord ‘pyromaan’ niet dezelfde betekenis heeft als het kennelijk bedoelde ‘brandstichter’ en dat niet gebleken is dat in [plaats 1] en omgeving in 2000 een pyromaan actief is geweest. Daarmee zou [naam 1] het aanvraagformulier onjuist hebben ingevuld op een manier die mede rechtvaardigt dat ABN AMRO de verzekering nietig heeft verklaard. De rechtbank kan ABN AMRO daarin niet volgen.

4.5.1.

Volgens Van Dale is de betekenis van ‘pyromanie’ “een psychische stoornis gevormd door dwangmatige brandstichting zonder andere motivatie en een fascinatie voor het zien van een brand”. Uit die definitie volgt dat ABN AMRO uit de door [naam 1] gegeven aanvulling in ieder geval had kunnen begrijpen dat [eiseres] - volgens opgaaf van [naam 1] - in januari 2000 te maken heeft gehad met brandstichting. Taalkundig mogen de woorden ‘pyromaan’ en ‘brandstichter’ niet geheel overeenstemmen, in het dagelijks taalgebruik worden de woorden vaak gebruikt op een wijze die daar volledig aan voorbij gaat. Ook [naam 1] geeft daar in zijn toelichting op de door Delta Lloyd afgewezen aanvraag blijk van. Hij geeft aan dat zelfs niet zeker is dat sprake was van brandstichting en spreekt vervolgens van een pyromaan die onbekend is gebleven. Vast staat wel dat de toenmalige verzekeraar van [eiseres] tot vergoeding van de door die brand veroorzaakte (aanzienlijke) schade is overgegaan, zoals ook in de toelichting is verwoord, zodat [eiseres] evenmin kan worden verweten dat zij zich als slachtoffer van die toenmalige brand heeft neergezet.

4.5.2.

Als ABN AMRO zoveel belang hechtte aan het feit dat de eerdere brand was gesticht door een pyromaan ofwel door iemand die lijdt aan voormelde psychische stoornis, en niet door ‘een brandstichter’ zonder een dergelijke stoornis, dan had ABN AMRO dat kenbaar moeten maken door daar nader vragen over te stellen. Dat heeft ABN AMRO nagelaten. Dat nalaten moet voor haar rekening worden gelaten.

4.5.3.

Aan het voorgaande kan worden toegevoegd dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat ABN AMRO betreffende de acceptatie van [eiseres] in 2004 anders zou hebben gehandeld indien [eiseres] in het aanvraagformulier van 18 februari 2004 voor de brand van 2000 en de daardoor ontstane schade andere bewoordingen had gebruikt. ABN AMRO heeft onvoldoende feiten gesteld die aannemelijk maken dat zij in die situatie wel een nader onderzoek had ingesteld. Voorts geldt dat uit het kennelijk nu door ABN AMRO verrichte onderzoek geen (verwijtbare) betrokkenheid van [eiseres] en/of [naam 1] bij de brand van 2000 kan worden afgeleid. Dat de [naam 1] ’ broer [naam 2] hem heeft beschuldigd van betrokkenheid bij die brand, maakt dat niet anders, nu niet gebleken is dat voor die beschuldiging enig grond bestaat.

4.5.4.

Het voorgaande leidt dan ook tot de slotsom dat aan ABN AMRO haar beroep op nietigheid moet worden onthouden, voor zover zij zich daarvoor baseert op onjuiste en/of onvolledige informatie over de brand van 20 februari 2000.

4.6.

Wat betreft de gestelde nietigheidsgrond van een verzwegen strafrechtelijk verleden van [naam 1] geldt dat ABN AMRO stelt dat [eiseres] althans [naam 1] niets heeft gemeld op de vraag naar ‘in aanraking geweest zijn met politie en justitie’, daaronder begrepen verdenkingen van strafbare feiten, inclusief overtredingen, en de resultaten en gevolgen daarvan, terwijl nu moet worden vastgesteld dat in de laatste acht jaren voorafgaande aan de aanvraag ten aanzien van [naam 1] drie keer sprake is geweest van een strafrechtelijke vervolging en daarnaast van twee andere contacten met politie en justitie, te weten het geschil zoals afgedaan door het gerechtshof te Den Bosch op 23 december 1999 en de brand van 20 februari 2000.

4.6.1.

[eiseres] stelt ten verwere dat [naam 1] de vraag naar zijn strafrechtelijke verleden onbeantwoord heeft gelaten, zodat er geen sprake van is dat hij dat verleden heeft verzwegen. Daartoe is aangevoerd dat [naam 1] zich niet kan herinneren dat de vraag mondeling aan hem is gesteld en dat hij op het formulier geen antwoord heeft ingevuld. Dit alles zou hij zich pas hebben gerealiseerd na de bespreking op 6 februari 2006. [naam 1] heeft daaraan toegevoegd dat indien aan het antwoord op een vraag dergelijke zware consequenties worden verbonden als nu door ABN AMRO gesteld, uit een formulier tenminste duidelijk moet blijken of de vraag is beantwoord, al was het maar met een enkel “nee” of “ja”.

4.6.2.

Vast staat dat in de slotverklaring ook naar het strafrechtelijke verleden van de statutair bestuurders en grootaandeelhouders is gevraagd. Onomstreden is dat [naam 1] ook ten tijde van de aanvraag van de verzekering als een statutair bestuurder en grootaandeelhouder van [eiseres] had te gelden, zodat [naam 1] niet anders dan kon begrijpen dan dat die vraag (ook) op zijn persoon betrekking had.

4.6.3.

Hoewel aan [eiseres] kan worden toegegeven dat [naam 1] niet in expliciete bewoordingen op de vragen betreffende een strafrechtelijk verleden heeft geantwoord, kan dit hem, gezien het navolgende, niet baten.

[naam 1] heeft het formulier ondertekend nadat hij de door de werknemer van ABN AMRO ingevulde antwoorden had gecontroleerd en nadat hij zelf de toelichting op de brand in 2000 en de stopzetting van de toenmalige verzekering had ingevuld. De vraag naar opgezegde of geweigerde verzekeringen staat ook in de slotverklaring, onmiddellijk boven de vraag naar een strafrechtelijk verleden. Uit de (slot)tekst van de slotverklaring blijkt voldoende duidelijk dat [naam 1] , indien hij op dat punt iets te vermelden had, dat had moeten doen. Door dat niet te doen heeft [naam 1] aangegeven niets te melden te hebben. Uit de context van de (volgorde van de) vragen, het wel door [naam 1] gegeven antwoord over een eerdere beëindigde verzekering en bedoelde slottekst, onmiddellijk waaronder [naam 1] zijn handtekening had geplaatst, mocht ABN AMRO dan ook in redelijkheid, zonder nader onderzoek, begrijpen dat de vragen over het strafrechtelijk verleden in ontkennende zin werden beantwoord.

Dat komt ook overeen met de subsidiaire stelling van [eiseres] dat [naam 1] niets relevants te melden had. Dat was ook de door hem opgegeven reden voor het met “nee” beantwoorden van de vraag van Delta Lloyd, welke vraag volgens [eiseres] qua duidelijkheid wel exact beantwoordde aan de daaraan te stellen eisen.

4.7.

Partijen strijden voorts over de vraag welke informatie [eiseres] althans [naam 1] aan ABN AMRO had moeten meedelen.

4.7.1.

Voor zover ABN AMRO aan [eiseres] verwijt dat [naam 1] zijn conflict met zijn broers en de in dat kader gevoerde procedures over de zeggenschap over [eiseres] ten onrechte heeft verzwegen, is dat ten onrechte. De door haar in haar slotverklaring opgenomen vraag is immers zo toegespitst op eventuele strafrechtelijke contacten met politie en justitie dat [naam 1] er niet vanuit hoefde te gaan dat de vraag ook betrekking had op dergelijke civiele geschillen. ABN AMRO heeft niet gesteld en dat is ook niet op andere wijze gebleken dat het in r.o. 2.17. genoemd handschriftonderzoek tot een strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 1] heeft geleid.

4.7.2.

Voor zover ABN AMRO aan [eiseres] verwijt dat [naam 1] niet heeft vermeld dat hij door de politie is gehoord in het kader van het onderzoek naar de brand van 20 februari 2000, heeft dat evenmin succes. [eiseres] heeft immers in de slotverklaring van 18 februari 2004 die brand doen vermelden en in voldoende duidelijke bewoordingen doen uitkomen dat die brand is veroorzaakt door brandstichting. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat ABN AMRO dan mocht veronderstellen dat [naam 1] als de opgegeven ‘eigenaar / firmant / directie’ van [eiseres] volledig buiten het onderzoek naar die brand zou zijn gehouden. Daarenboven geldt dat, zoals al in r.o. 4.5.3. is overwogen, geen (verwijtbare) betrokkenheid van [eiseres] en/of [naam 1] bij die brand is gesteld of gebleken.

4.7.3.

Voor zover [eiseres] stelt dat [naam 1] niet behoefde te vermelden dat hij bij vonnis van de politierechter te Breda d.d. 28 februari 1997 is vrijgesproken, is dat onjuist. Deze vrijspraak valt immers binnen de door ABN AMRO genoemde periode. Die vrijspraak staat voorts in verband met een verdenking van strafbare feiten - in dit geval: ‘bankbreuk, valsheid in geschrifte en verduistering’ - waarnaar ABN AMRO (ook) vroeg. Dat [naam 1] een en ander ten tijde van de aanvraag van 18 februari 2004 was vergeten, zoals [eiseres] stelt, doet niet ter zake nu de op [eiseres] rustende mededelingsplicht niet alleen ‘kennen’ maar ook ‘behoren te kennen’ insluit. [eiseres] heeft onvoldoende feiten gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [naam 1] die verdenking en de daarop gevolgde vrijspraak van 28 februari 1997 niet (meer) behoorde te kennen.

4.7.4.

Met ABN AMRO is de rechtbank van oordeel dat [naam 1] eveneens had moeten vermelden dat hij bij vonnis van de politierechter te Breda van 24 februari 2000 was vrijgesproken van bedreiging doch was veroordeeld tot een geldboete voor het voorhanden hebben van een alarmpistool. Hetzelfde geldt voor de - kennelijk nadien in 2000 of 2001 geseponeerde - aangifte van mishandeling. Ook hier gaat het om (verdenking van) strafbare feiten die vallen binnen de voor ABN AMRO relevante periode.

4.7.5.

Anders dan [eiseres] veronderstelt, was er voor haar of [naam 1] geen ruimte voor een

eigen beoordeling van de relevantie van de hiervoor bedoelde feiten. ABN AMRO vroeg immers in voldoende duidelijke bewoordingen naar ‘alle aanrakingen’ met politie en justitie in de laatste acht jaren, onder expliciete referte aan verdenkingen van strafbare feiten, of het ter zake tot rechtszaken gekomen is en wat daarvan het resultaat was. [eiseres] althans [naam 1] kon daardoor niet anders dan begrijpen dat de beslissing van ABN AMRO om de door [eiseres] beoogde verzekeringsovereenkomst aan te gaan en onder welke voorwaarden, kon afhangen of zou kunnen afhangen van kennis van die in de r.o. 4.7.3. en 4.7.4. bedoelde feiten. [eiseres] had - in de persoon van [naam 1] - die feiten dan ook moeten opgeven. Nu dat niet is gedaan, is dan ook sprake van een relevant verzwijgen.

4.7.6.

Anders dan [eiseres] voorts veronderstelt, doet aan het voorgaande niet af de eventuele wetenschap bij de vestiging van ABN AMRO te [plaats 1] van het geschil tussen de broers [naam 1] en de daaruit voortgevloeide geschillen en strafrechtelijke onderzoeken en procedure tegen [naam 1] . Het gaat hier immers om een kantoor van het bancaire deel en niet van het verzekeringsdeel van ABN AMRO, waarbij geldt dat [eiseres] zelf stelt dat zij voor haar verzoek om een offerte voor een bedrijfspolis is doorverwezen naar (een medewerker van) de vestiging te [plaats 2] . Op de voet van wat hiervoor in de tweede alinea van r.o. 4.6.3. is overwogen, kan ABN AMRO dan ook niet met succes worden tegengeworpen dat zij het als ontkennend te beschouwen antwoord op de vraag naar ‘aanrakingen met politie en justitie’ niet bij (de medewerkers van) de vestiging te [plaats 1] op juistheid heeft gecontroleerd, voor zover dat al mogelijk zou zijn geweest.

4.7.7.

Anders dan [eiseres] voorts veronderstelt, staat het ontbreken van ieder causaal verband tussen de verzwegen feiten en het op 10 november 2005 als gevolg van las- en/of slijpwerkzaamheden ontstaan van brand - de verwezenlijking van een verzekerd risico - niet aan een beroep door ABN AMRO op artikel 251 K in de weg. [eiseres] heeft geen voldoende onderbouwde feiten gesteld die dat anders maken.

4.8.

Met haar stelling dat [naam 1] ’ vrijspraken uit 1997 en 1998 en de geldboete van fl. 400,00 ofwel € 181,12 wegens het binnenshuis voorhanden hebben van een alarmpistool geen reden was geweest om de verzekering niet af te sluiten, betoogt [eiseres] dat niet is voldaan aan het in artikel 251 K bedoelde relevantievereiste.

4.8.1.

Dat vereiste houdt in (vgl. HR 19 mei 1978, NJ 1978, 607 (Hotel Wilhelmina)) dat een schending van de mededelingsplicht uitsluitend rechtsgevolgen heeft indien de achteraf gebleken feiten die de verzekeringsnemer niet of onjuist heeft meegedeeld ‘een redelijk handelend verzekeraar’ ervan zouden hebben weerhouden de in concreto gesloten verzekering aan te gaan.

4.8.2.

Dat betekent dat aan de hand van de ware stand van zaken alsnog moet worden beoordeeld of ABN AMRO de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. De stelplicht en eventuele bewijslast met betrekking tot feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een bevestigende beantwoording van deze vraag rust op ABN AMRO.

4.8.3.

[eiseres] heeft in dat kader aangevoerd dat de weigering door Delta Lloyd in maart 2004 alleen is gegrond op de toestand van de elektrische installatie in het pand aan de [adres] , welke toestand voor ABN AMRO wel acceptabel bleek. Zij heeft voorts gesteld dat twee andere verzekeraars (Nationale Nederlanden en Klaverblad Verzekeringen) inmiddels hebben laten weten dat de veroordeling voor het alarmpistool en de kwestie van de brand van 2000 geen aanleiding geven om consequenties te verbinden aan de bij hen lopende verzekeringen.

4.8.4.

Een aspect van gewicht bij de beoordeling van de in r.o. 4.8.2. bedoelde vraag vormen, naast de normale verkeersopvattingen en de redelijkheid - de omstreeks februari 2004 gangbare opvattingen in de verzekeringsbranche over het acceptatiebeleid in gevallen als deze. De rechtbank acht dan ook een deskundigenbericht noodzakelijk.

4.8.5.

Aan de te benoemen deskundige(n) zou in elk geval de volgende vraag kunnen worden voorgelegd:

Was het acceptatiebeleid in de verzekeringsbranche met betrekking tot een bedrijfspolis in februari 2004 zodanig dat aannemelijk is dat [eiseres] bij bekendheid van een redelijk handelend verzekeraar met de vrijspraken van haar directeur [naam 1] in 1997 van verdenking van bankbreuk, valsheid in geschrifte en verduistering en in 1999 van bedreiging, diens veroordeling in 1999 wegens het voorhanden hebben van een alarmpistool tot een geldboete van fl. 400,00 en het in januari 2000 als verdachte gehoord zijn over een aangegeven mishandeling - een en ander gevoegd bij de in de slotverklaring van 18 februari 2004 gedane mededeling over de brand van 20 februari 2000 - op dezelfde voorwaarden als door ABN AMRO is gedaan, als verzekeringsnemer zou zijn geaccepteerd?

4.8.6.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over het aantal en de persoon / personen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) voor te leggen vragen. Aan partijen wordt verzocht hun akten, alvorens deze te nemen, op voorhand over en weer aan elkaar te doen toekomen, opdat bij die akte op het standpunt van de andere partij kan worden gereageerd. Aan partijen wordt tevens verzocht zo mogelijk met een gezamenlijk voorstel voor (een) deskundige(n) te komen.

4.9.

In afwachting van een en ander wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

in reconventie

4.10.

In afwachting van wat in conventie is overwogen, wordt in reconventie eveneens iedere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op rol zal komen van woensdag 21 februari 2008 voor het nemen van de akte als bedoeld in r.o. 4.8.6. door zowel [eiseres] als ABN AMRO,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-De Mug, mr. W.F. Boele en mr. J.N. Dobben-Bartels en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.