Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BD0106

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
118667 / HA ZA 06-364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Bank eist krediet op als blijkt van vervalste voorraadadministratie (alleen t.b.v. de bank);

faillissement volgt. Curator mag bestuurders terecht persoonlijk aansprakelijk houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 118667 / HA ZA 06-364

Vonnis van 17 oktober 2007

in de zaak van

[curator],

in hoedanigheid van curator in de faillissementen van [B.V. A], [B.V. B] en [B.V. C],

allen gevestigd te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.P. Tuin,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. S.B.M. Tilman te Breda.

Partijen zullen hierna de curator en de [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 16 augustus 2006;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B.V. A] verwerkte vis en visproducten en dreef een groothandel in vis en visproducten. [B.V. C] was aanvankelijk actief in het verwerken van vis en visproducten, maar was de laatste jaren niet meer actief. [B.V. B] was een houdstermaatschappij van de aandelen in [B.V. A].

2.2. De [gedaagden] zijn beiden directeur bestuurder van de drie gefailleerde vennootschappen. Dit zijn zij geweest vanaf de datum van oprichting van de vennootschappen: 29 december 1977 voor de vennootschappen [B.V. B] en [B.V. C] en 27 mei 1987 voor de vennootschap [B.V. A]. Tot op het moment van het faillissement van voornoemde BV’s zijn de [gedaagden] statutair bestuurder geweest. In ieder geval tot en met 1999 stond de bedrijfsvoering ook feitelijk onder hun leiding.

2.3. In 1999 heeft er overleg plaatsgevonden met de heer [D] over investering door hem in de vennootschappen. Deze onderhandelingen werden begin 2000 afgerond. Dit heeft geleid tot uitgifte van eenderde van de aandelen in [Bedrijf A,B en C] aan [D] en een daartegenover staande financiële injectie door [D] van NLG 1.000.000,-, waarvan NLG 700.000,- is voldaan.

2.4. In de loop van 1999 bleek dat de [gedaagden] niet meer in staat waren leiding te geven aan voornoemde vennootschappen. In deze periode is [de heer E] (mede) leiding gaan geven over [B.V. A].

2.5. Vanwege de huisbankier, toen ING Bank, en mede in verband met de slechte resultaten is per 18 mei 2000 de heer [de heer F], lid van de [maatschap], als interim-manager van [B.V. A] aangesteld. In verband met de uitvoering van deze functie zou [de heer F] twee dagen per week beschikbaar en aanwezig zijn. Verder werd er een coördinatieteam (hierna CT) ingesteld dat bestond uit de personen (allen werknemers van de vennootschappen) [medewerker1], [medewerker2], [medewerker3] en [medewerker4]. Met de [gedaagden] was afgesproken dat zij zich de eerste drie maanden na 18 mei 2000 niet fysiek zouden ophouden in de vennootschap om de effectiviteit van de interim-manager niet negatief te beïnvloeden.

2.6. [medewerker1] leidde de (financiële) administratie, waaronder de voorraadadministratie en produceerde de cijfers ten behoeve van de vergaderingen van het CT met [de heer F]. Hij produceerde ook de cijfers ten behoeve van (het overleg met) de bank en de accountant. Onder zijn verantwoordelijkheid werden de interne cijfers geproduceerd. De afdelingen inkoop, verkoop, productie en magazijn rapporteerden aan hem. Hij maakte de betalingsopdrachten voor de bank en bepaalde welke rekeningen ter betaling aan de bank werden aangeboden.

2.7. [medewerker3], zoon van [gedaagde1], werkte vanaf midden jaren tachtig bij de vennootschappen. Hij heeft daar diverse functies vervuld. In ieder geval het laatste jaar voor de faillissementen heeft [medewerker3] zich ook bezig gehouden met de voorraadadministratie binnen het bedrijf van de [B.V. A]. Voor hem werden deze werkzaamheden verricht door [medewerker5] en daarvoor door [medewerker6] en [medewerker7].

2.8. In 2000 is, op voorstel van de ING, een sale en lease back constructie toegepast met betrekking tot onroerend goed van de vennootschappen.

2.9. In de loop van het jaar 2000 werd, in de plaats van ING, Banque Artesia Nederland NV (hierna Artesia) de nieuwe huisbankier. De positie van [de heer F] als interim-manager bleef ongewijzigd. [de heer F] heeft deze functie uiteindelijk tot 31 december 2001 vervuld.

2.10. Met ingang van 24 september 2003 wordt [de heer F], op verzoek van Artesia, opnieuw tot interim-manager benoemd.

2.11. Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 27 november 2003 is [de heer F], naast de [gedaagden], tot statutair directeur benoemd, waarbij hij alleen en zelfstandig bevoegd werd.

2.12. Door [medewerker3] is aan de [gedaagden] een brief geschreven gedateerd 5 november 2004 met onder meer de volgende inhoud:

“Ik wil even mijn zorgen met jullie delen. Zoals jullie weten, is al wel 15 jaar geleden de voorraad met één miljoen gulden verhoogd. Dit is destijds met de toen functionerende staf van [B.V. A] besloten. Dit wist ik niet, maar [medewerker1] heeft me dit verteld, ongeveer twee jaar geleden.

Dit gegeven weet ik dus nu twee jaar, en al die tijd heb ik hier van de leidinggevende personen niet over mogen spreken. (…) Wat ik er van weet is dat er een voorraadlijst is, opgesteld door de boekhouding, waar toen ook [medewerker5] werkzaam was, en deze lijst moet in de voorraad voor de bank worden verwerkt. (…)

Totdat [medewerker5] hier weg ging (eind 2003); toen kreeg ik van de boekhouding de lijst met voorraad, die in het systeem moest worden verwerkt, alléén voor de bank. Dit gaat nog steeds zo door. (…)

Nu wil ik mijn zorgen met jullie delen; [de heer G] (schoonzoon van [gedaagde2]) en nog andere mensen willen investeren in [vennootschappen]. Maar, evenals onze interim directeur, weten zij niet van de verhoogde voorraad met één miljoen gulden. (…)

Ik schrijf deze brief op persoonlijke titel en wil jullie beide herinneren van dit feit. Wat gebeurt er met de nieuwe aandeelhouders als dit later uit gaat komen? Want voor mij staat vast dat het uit gaat komen! Wat gebeurt er als zij het voor de tijd te weten komen. Zij zullen dan niet investeren, denk ik.

IK WEET NIET WAT IK DOEN MOET. Ik ga het niet aan [de heer F] en/of [de heer G] vertellen. Dat is mijn verantwoording niet. Ik denk dat jullie met z’n tweeën hier uit moeten komen en dan actie moeten ondernemen.

Ik leg het bij jullie neer; verder wil ik hier buiten blijven. En als [medewerker1] om een lijst vraagt, krijgt hij die en verder hou ik mijn mond.”

2.13. Bij brief d.d. 11 november 2004 heeft Artesia het voorwaardelijke karakter van de opzegging van het verleende krediet per 1 januari 2004 ingetrokken en eist zij per direct het krediet op. De bank schrijft onder meer:

“U heeft ons verteld dat er door (oud-)medewerkers van [vennootschappen] –sinds jaar en dag- gefraudeerd is in de voorraadadministratie in dier voege dat naar derden toe willens en wetens een hogere voorraad is voorgehouden dan er daadwerkelijk aanwezig is.

Die constatering, het feit dat de bank is misleid en bovendien bevoorschot heeft op activa die er nimmer waren, noopt ons om het voorwaardelijke karakter van de opzegging per 1 januari 2004 per omgaande in te trekken en per direct tot opeising van het krediet over te gaan.

De omstandigheid dat bovendien de bank is misleid omtrent de aard en de omvang van de verplichtingen van de onderneming(en) aan sociale partners, bevestigt en bekrachtigt voorgaand besluit.

De bank accepteert niet dat voornoemde medewerkers de fraude niet hebben gemeld op het moment dat de bank om gerechtvaardigde, gemotiveerde en door u geaccepteerde redenen tot opzegging is overgegaan doch omwille van de brede bereidheid om te saneren en herstructureren de opeising heeft opgeschort. Dit dringt des te meer nu alle partners in de overtuiging verkeerden dat voornoemde sanering en herstructurering nagenoeg succesvol was afgerond.”

2.14. De [gedaagden] hebben vervolgens bij akte d.d. 11 november 2004 hun medewerking verleend aan het in vuistpand afgeven van alle goederen waarop Artesia pandrechten had en aan de verhuur van de bedrijfspanden aan Artesia.

2.15. Op 11 november 2004 is door [de heer F] en de [gedaagden] namens de drie vennootschappen een verzoek om surséance van betaling ingediend bij deze rechtbank. Op 16 november 2004 is surséance verleend.

2.16. Bij beschikking d.d. 23 november 2004 van deze rechtbank zijn de vennootschappen in staat van faillissement verklaard. Eiser is tot curator aangesteld in voornoemde faillissementen.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat – te bepalen dat de [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het betalen van de schulden die na vereffening van de faillissementen van de vennootschappen niet voldaan kunnen worden, welke schulden zijn op te maken bij staatprocedure.

3.2. De [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Door de curator is aangevoerd dat het faillissement van de vennootschappen rechtstreeks is veroorzaakt door de omstandigheid dat de voorraad administratie van met name [B.V. A] niet op de juiste wijze bleek te zijn bijgehouden. Volgens de curator werd de waardering van de aanwezige visvoorraden stelselmatig kunstmatig verhoogd met een totaalbedrag van EUR 385.151,-. Wanneer er tussentijdse of jaarlijkse cijfers aan de bank gepresenteerd moesten worden, werd voormeld bedrag consequent toegevoegd aan de werkelijk aanwezige voorraad. Nadat de bank hiervan op de hoogte kwam, is door de bank per direct het krediet opgezegd en aanspraak gemaakt op afgifte in vuistpand van alle goederen waar de bank pandrechten op had. De [gedaagden] hebben hier zonder meer aan meegewerkt. Vervolgens hebben de [gedaagden] surséance van betaling aangevraagd, wat noodzakelijkerwijs gevolgd is door omzetting in faillissement aangezien de bedrijfsactiviteiten waren gestaakt.

De curator is van mening dat de [gedaagden] in hun hoedanigheid van bestuurder, hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement in de zin van art. 2:248 BW. De [gedaagden] hebben immers nagelaten ervoor zorg te dragen dat de administratie van de vennootschappen waarvan zij bestuurders zijn, op zodanige wijze was ingericht dat daaruit de (juiste) rechten en verplichtingen van de vennootschap konden worden afgeleid. De [gedaagden] hebben onrechtmatig meegewerkt, althans toegelaten, dat onjuiste voorraadwaarderingen in de administratie werden vermeld. Hierdoor hebben zij jegens de vennootschappen onrechtmatig gehandeld.

4.2. Subsidiair heeft de curator aangevoerd dat, voor zover niet toegekomen kan worden aan toepassing van art. 2:248 BW, hij zijn vordering grondt op onrechtmatig handelen van de [gedaagden], zowel jegens de vennootschappen als jegens de crediteuren van de vennootschappen.

4.3. Daarnaast heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat het zonder meer meewerken door de [gedaagden] aan het verlangen van de bank om over te gaan tot het afgeven in vuistpand van goederen waarop de bank pandrechten had, ook gekwalificeerd moet worden als onbehoorlijk bestuur. Hiermee is het voortbestaan van de vennootschappen door de [gedaagden] onmogelijk gemaakt. Bovendien is door deze handelwijze aan de bank een bevoorrechte positie verschaft ten opzichte van de overige crediteuren van de vennootschappen. Ook dit levert volgens de curator onrechtmatig handelen op van de [gedaagden]

4.4. De curator heeft aangegeven dat het wellicht zo mag zijn dat de [gedaagden] de laatste jaren voorafgaande aan de faillissementen niet meer feitelijk betrokken waren bij het leiding geven aan de vennootschappen, maar dat dit het bovenstaande standpunt niet anders maakt. De [gedaagden] waren immers bestuurders van de vennootschappen. Zo zij al niet zelf direct verantwoordelijk zouden zijn voor het opplussen van de voorraadwaardering (wat volgens de curator wel het geval is), dan geldt nog altijd dat zij verantwoordelijkheid dragen voor de handelingen van werknemers die onder hun toezicht stonden. Als bestuur waren zij ook verantwoordelijk voor de cijfers die naar buiten, naar derden toe, gepresenteerd werden. Daarnaast zijn het de [gedaagden] zelf die de overeenkomst tot afgifte in vuistpand met de bank hebben gesloten en uit niets blijkt dat zij de inhoud en consequenties van bedoelde overeenkomst niet hebben kunnen doorgronden.

4.5. Door de [gedaagden] wordt in de eerste plaats uitdrukkelijk betwist dat de voorraadadministratie niet op de juiste wijze zou zijn bijgehouden of dat de waardering van de voorraden stelselmatig kunstmatig werd verhoogd. Mochten er wel onregelmatigheden zijn geweest met betrekking tot de voorraadwaardering, dan hebben de [gedaagden] daar in ieder geval geen opdracht toe gegeven. Zij waren niet van onregelmatigheden op de hoogte en hoefden hier ook niet van op de hoogte te zijn. Voor zover een toezichtverplichting op de [gedaagden] rustte, zijn zij hierin niet tekort geschoten. Dit blijkt ook wel uit het feit dat het [de heer F] en [de heer G] negen maanden intensief zoeken heeft gekost om de vermeende onregelmatigheden te kunnen constateren. Daarnaast is door de [gedaagden] aangevoerd dat de kredietopzegging door de bank onrechtmatig was en dat deze onrechtmatige opzegging de oorzaak was van het faillissement.

Niet een vermeend kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van de [gedaagden]. Overigens is in de conclusie van dupliek door de [gedaagden] wel uitdrukkelijk erkend dat de opzegging van het krediet met onmiddellijke ingang één van de belangrijkste oorzaken was van het faillissement.

4.6. Art. 2:248 BW houdt in dat in geval van faillissement van de vennootschap, iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag dat de boedel tekort komt na vereffening. Voorwaarde hiervoor is dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Voor kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur in de zin van art. 2:248 BW is vereist dat geen redelijk denkend bestuur onder dezelfde omstandigheden tot een dergelijke praktijk komt (HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454 en HR 26 oktober 2001, JOR 2002, 2) De vordering uit hoofde van dit artikel kan voorts slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement.

4.7. De stelling van de [gedaagden] dat hun functie als bestuurder in de jaren voorafgaand aan het faillissement slechts een “puur formeel administratieve functie” was, doet aan de toepasselijkheid van de genoemde wettelijke bepalingen inzake bestuurdersaansprakelijkheid niet af. Volgens art. 2:248 BW is iedere bestuurder aansprakelijk jegens de boedel ingeval aan de in het artikel vermelde voorwaarden is voldaan.

4.8. Het belangrijkste punt van discussie is de vraag of er aan de bank (en accountant) een onjuiste presentatie van voorraadcijfers heeft plaatsgevonden en of de [gedaagden] hiervan op de hoogte waren of hadden moeten zijn. Indien deze beide vragen bevestigend beantwoord moeten worden, komt daarmee naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast te staan dat er van de zijde van de [gedaagden] sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ook komt dan vast te staan dat dit een belangrijke reden is geweest voor het faillissement. Immers, de bank heeft het krediet opgezegd vanwege de presentatie aan de bank van opgepluste cijfers. Door de [gedaagden] is erkend dat de opzegging van de bank één van de belangrijkste oorzaken is van het faillissement. In het licht van de misleiding van de bank kan deze opzegging door de bank per direct niet als onrechtmatig worden beschouwd.

4.9. De rechtbank zal eerst ingaan op de waardering van de voorraad. Er bestaat geen verschil van mening over de juistheid van de interne voorraadadministratie. Deze was een correcte weergave van de werkelijke aanwezige voorraad. Door de direct betrokkenen is hierover gelijkluidend verklaard. De curator heeft dit ook erkend: intern werd de voorraad administratief juist verwerkt. Waar de direct betrokkenen, met uitzondering van de [gedaagden], ook gelijkluidend over verklaren is dat de interne cijfers bij een presentatie naar buiten toe verhoogd werden met bepaalde bedragen. In de eerste plaats is hier de brief van [medewerker3] d.d. 5 november 2004, gericht aan de [gedaagden]. De brief die voor de bank uiteindelijk aanleiding vormde het krediet op te zeggen. Voorts heeft [medewerker3] hierover tegen de curator als volgt verklaard: “Toen ik de voorraadwaardering overnam van [medewerker5] verzocht hij – dan wel de heer [medewerker1], wie van beiden dat was weet ik niet meer zeker – mij bij de “officiële” cijfers aan de voorraad een extra lijstje toe te voegen ter waarde van ongeveer EUR 400.000,00, namelijk een lijstje uikomend op EUR 192.000,00 en een ander op EUR 193.000,00.”

In zijn brief d.d. 17 oktober 2006 verklaart [medewerker3] bovendien:

“Naast deze correcte voorraad werd er, wanneer de boekhouder er om vroeg, een speciale lijst gemaakt voor de bank. Deze lijst rouleerde niet in het bedrijf, maar werd eenmalig uitgedraaid en verder niets. Dit gebeurde in een aparte database, toen nog door de afdeling boekhouding ontworpen. Ik had een geschreven instructie hoe te handelen bij het vervaardigen van de voorraadlijst voor de bank.”

[medewerker3] zag zichzelf, blijkens tussen hem en de curator gevoerde correspondentie, als klokkenluider.

[medewerker1] heeft tegenover de curator over de gang van zaken het volgende verklaard: “Mij persoonlijk is al jaren geleden gebleken dat er verschil was tussen de voorraadwaardering in de officiële accountantscijfers en de werkelijke voorraad. Volgens mij is dat ontstaan omdat er op enig moment een verlies was, dat was naar ik meen in 1994/1995 en op aangeven van [gedaagde2] / [gedaagde1] is toen de voorraadwaardering verhoogd. Volgens mij ging het toen om een kleine miljoen guldens.”

In het licht van alle overgelegde stukken en verklaringen acht de rechtbank het onaannemelijk dat het hierbij om een herwaardering zou hebben gegaan, zoals door de [gedaagden] is gesuggereerd. [medewerker1] heeft over bovenstaande praktijk in zijn verklaring immers ook gezegd dat hij dit niet vond kunnen en dat hij dat ook meermalen kenbaar heeft gemaakt. Daarnaast valt uit zijn verklaring op te maken dat de verhoging plaatsvond in verband met het geconstateerde verlies en niet, zoals bij een herwaardering, omdat de waardering van de voorraad op zich aanpassing behoefde omdat deze niet meer juist zou zijn. [medewerker1] zegt bovendien ook dat er verschil is tussen de werkelijke voorraad en de voorraadwaardering in de officiële accountantscijfers.

[de heer F] heeft tegen de curator onder meer het volgende verklaard: “In de loop van 2004 is er door mij – tezamen met [de heer G] – onderzoek gedaan naar de waarheidsgetrouwheid van de cijfers zoals die gepresenteerd werden per eind 2003 en vervolgens na de eerste driemaandsperiode (eerste drie kwartalen) in 2004). We kwamen tot de conclusie dat de boekhoudkundige cijfers (de conceptcijfers van de accountant) niet goed te rijmen waren met de in het bedrijf aanwezige interne cijfers over de eerste 39 weken (optelling van de weekresultaten). (…) toen bleek ons dat er feitelijk nog steeds een flink verschil zat in de opgegeven voorraadwaardering en de werkelijke aanwezige voorraad. Ongeveer EUR 450.000,00 of fl 1.000.000,00 in geld uitgedrukt. [de heer G] en ik wilden daarover opheldering vragen aan [medewerker1] (administrateur) en [medewerker3] (verkoper), beiden meldden zich vervolgens ziek. Na enige tijd is er toch door mij een indringend gesprek gevoerd met [medewerker1] die naar mij toe ontkende dat er onregelmatigheden waren gepasseerd. [de heer G] had vervolgens (= gelijktijdig) een gesprek met [medewerker3] en daarbij erkende [medewerker3] wel dat er stelselmatig voorraadgegevens waren toegevoegd aan de echte voorraad om aldus een gunstiger beeld te scheppen van de balanswaarde (en zo meer kredietruimte te krijgen van de bank). [medewerker3] vertelde dat dit geschiedde overeenkomstig een draaiboekje dat al afkomstig zou zijn van [medewerker7], die jaren voordien verkoopleider is geweest bij de [B.V. A]. (…) Dit draaiboekje ligt bij de heer [H] van de Gibo Groep (het zgn. A4-tje).

Volgens dit draaiboekje werden telkens dezelfde hoeveelheden voorraden vis toegevoegd aan de op enig moment beschikbare gegevens van de voorraad en wanneer iemand zich goed had verdiept in die voorraadwaardering dan was het al zonder meer uitgekomen dat er al jarenlang sprake was van dezelfde hoeveelheden vis die maar op de voorraadlijst bleef staan. Het ging om dezelfde doosjes, dezelfde pallets en aanduidingen (daardoor viel het [de heer G] en mij ook op).”

De curator heeft het bewuste draaiboekje overgelegd.

Blijkens de opzeggingsbrief van de bank is deze te weten gekomen dat er jegens de bank sprake is geweest van presentaties van onjuiste, want te hoge, voorraadcijfers. Om die reden heeft de bank vervolgens het krediet opgezegd. Dit is bevestigd door [de heer F] in zijn verklaring naar de curator.

4.10. Tegenover bovenstaande onderbouwing van de stelling van de curator dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden ten aanzien van de voorraadcijfers hebben de [gedaagden] hun verweren onvoldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze procedure genoegzaam komen vast te staan dat er met betrekking tot het presenteren van de cijfers richting in ieder geval de bank (eerst ING, later Artesia) sprake is geweest van onregelmatigheden.

4.11. Dat deze praktijk een aanvang heeft genomen in de tijd dat de [gedaagden] nog actief bestuurders waren en daarna gecontinueerd is tot de ontdekking door Artesia, wat (uiteindelijk) tot het faillissement van de vennootschap heeft geleid, acht de rechtbank gelet op de verklaringen ook als genoegzaam vast komen te staan. In de verklaringen komt immers duidelijk naar voren dat het zogenaamde “voorraadlijstje” reeds vanaf midden jaren negentig in het bedrijf circuleerde. Buiten discussie is dat de [gedaagden] toen feitelijk de vennootschappen bestuurden. Het opplussen van de voorraadcijfers is tot de ontdekking ervan doorgegaan en heeft dus ook plaatsgevonden in de laatste drie jaren voorafgaand aan de faillissementen.

4.12. De vraag is vervolgens of in verband met de opwaardering gesproken kan worden van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de [gedaagden]. De rechtbank is van oordeel dat ook deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Het bewust presenteren van onjuiste cijfers aan de bank, teneinde de bank een positiever beeld voor te spiegelen dan de werkelijkheid, kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een daad van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het bestuur is verantwoordelijk voor de presentatie van cijfers aan derden. Zelfs al zouden de [gedaagden] in deze niet op de hoogte zijn geweest van de opwaardering, dan levert dit geen grond op voor disculpatie. Uit hoofde van hun functie hadden de [gedaagden] op de hoogte moeten zijn. Als zij al niet zelf de opdracht hebben gegeven, dan hadden zij in moeten grijpen om deze praktijk te doen stoppen. Dit geldt ook voor de periode dat zij niet meer actief betrokken waren als bestuurders, maar enkel nog formeel bestuurders waren. Geen redelijk denkend bestuurder zou, onder dezelfde omstandigheden, gehandeld hebben als de [gedaagden]. Zij konden voorzien dat ontdekking van dergelijke malversaties zeer ernstige consequenties zou hebben.

4.13. Op grond van het voorgaande kan reeds geoordeeld worden dat de [gedaagden] hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van de faillissementen. Bespreking van de handelwijze van de [gedaagden] met betrekking tot het afgeven van goederen in vuistpand en het verhuren van de bedrijfsgebouwen aan Artesia kan om die reden achterwege blijven.

4.14. Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen zal de vordering van de curator worden toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding toewijzing te beperken tot enkel het tekort in het faillissement van [B.V. A]. Blijkens de brief van Artesia d.d. 18 juli 2000 heeft Artesia een concern-krediet verstrekt aan [B.V. A] en de andere twee vennootschappen. Alle drie de vennootschappen waren hoofdelijk aansprakelijk voor inlossing van dit krediet. Van de drie vennootschappen was Gebr. Hakvoort de vennootschap waar nagenoeg alle activiteiten in werden verricht en waar nagenoeg alle omzet werd gegenereerd. Intrekking van het concern-krediet door Artesia, hetgeen voorzienbaar was bij de ontdekking door Artesia van het opplussen van de voorraadcijfers, had dan ook noodzakelijkerwijs en voor de [gedaagden] voorzienbaar tot gevolg dat ook de andere twee vennootschappen meegesleept werden in het faillissement van [B.V. A]. Het onbehoorlijk bestuur van de [gedaagden] en de gevolgen daarvan strekken zich daardoor ook uit tot [B.V. C] en [B.V. B].

4.15. Door de [gedaagden] is een beroep gedaan op matiging. Of er al dan niet aanleiding bestaat tot matiging, is een vraag die in de staatprocedure aan de orde kan komen, als er ook een beter beeld is van de hoogte van het tekort. Als het tekort bekend is, kan beter worden beoordeeld of het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn bovenmatig is, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van de faillissementen en de wijze waarop de faillissementen zijn afgwikkeld.

4.16. De [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,32

- vast recht 296,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.723,32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat [gedaagde1] en [gedaagde2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het betalen van de schulden die na vereffening van de faillissementen [B.V. B], [B.V. A] en [B.V. C] niet voldaan kunnen worden, welke schulden nader zijn op te maken bij staat,

5.2. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 1.723,32,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.