Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC9138

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
134050 - KG ZA 07-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Mandeligheid. Onderhoud weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 134050 / KG ZA 07-288

Vonnis in kort geding van 13 juli 2007

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. W.E.M. Klostermann,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. C.T. de Weerdt te Drachten.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de voorafgaande aan de mondelinge behandeling door mr. De Weerdt toegezonden producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [A]

- de pleitnota van [B]

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is woonachtig aan de [adres 1] te [plaats] en [B] woont aan de [adres 2].

2.2. Vanaf de [weg] loopt via de percelen [perceel 1] en [perceel 2], tussen de percelen van [A] en [B], een circa 1,90 meter brede weg naar de IJssel toe.

2.3. Het gedeelte van de weg dat loopt over perceel [perceel 2] is gezamenlijk eigendom van [A] en [B].

2.4. Het deel van de weg dat loopt over perceel [perceel 1] behoort toe aan de Staat der Nederlanden.

2.5. De weg is van oudsher verhard, maar is in de loop der jaren door een gebrek aan onderhoud door het elk jaar weerkerende wassende water van de IJssel bedekt geraakt met gras, zand en klei.

2.6. [A] heeft op 23 en 24 april 2007 werkzaamheden laten verrichten aan de weg, maar deze zijn door toedoen van [B] niet voltooid.

3. Het geschil in conventie

3.1. [A] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [B] te bevelen te gehengen en gedogen dat [A] het onderhoud van het pad tussen de [weg] en de IJssel voltooit, door het herstellen van scheuren en gaten in de verharding, en door het pad, waar nodig, te voorzien van een nieuwe toplaag, en door vervolgens de bermen weer te laten aansluiten op het pad;

b. [B] te verbieden om [A] en/of de door [A] ingeschakelde aannemer de uitvoering van het onder a beschreven onderhoud op enigerlei wijze te belemmeren;

c. [B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 1.000,- voor elke overtreding van het onder b aangeduide verbod, na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

d. [B] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [B] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [A] te veroordelen de dam/het pad op de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [perceel 2] en [perceel 1], te herstellen in de oude staat als voor de graafwerkzaamheden medio april 2007, door het pad aan te vullen met kleihoudende grond tot de oorspronkelijke hoogte en vervolgens in te zaaien met gras aansluitend op de aan de weerszijden bestaande bermen binnen een week na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis;

b. [A] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 1.000,- voor iedere week dat [A] nalatig blijft het gebod tot herstel van het pad na te leven, na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

c. [A] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2. [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Van een spoedeisend belang van [A] bij zijn vorderingen is voldoende gebleken.

5.2. Ter zitting heeft [B] medegedeeld dat zijn verweer alleen ziet op het gedeelte van de weg dat over perceel [perceel 2] loopt. De voorzieningenrechter zal derhalve in de onderhavige beoordeling niet betrekken het gedeelte van de weg dat loopt over perceel [perceel 1] en daarmee ook niet ingaan op de overgelegde producties die louter betrekking hebben op dat gedeelte van de weg. De vordering kan derhalve voor wat betreft perceel [perceel 1] als niet weersproken worden toegewezen. Daarnaast zal de voorzieningenrechter buiten beschouwing laten de stelling van [A] dat de bewuste weg wellicht voor meer dan 50% eigendom is van [A], nu dit niet van belang is voor het onderhavige geschil.

5.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan de mede-eigendom van de weg over perceel [perceel 2], mede gelet op het vigerende overgangsrecht, aangemerkt worden als een mandeligheid in de zin van artikel 5:60 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De in dit geding centraal staande weg behoort immers gezamenlijk toe aan [A] en [B], eigenaren van naburige erven, de bewuste weg is tot gemeenschappelijk nut van beide erven bestemd en daarnaast is door [B] niet betwist dat aan de overige vereisten van voornoemd artikel wordt voldaan. Dientengevolge is ten aanzien van deze mandelige weg artikel 5:65 BW van toepassing op grond waarvan de mandelige zaak op kosten van alle mede-eigenaren onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd moet worden. Kernvraag van dit geschil is of de werkzaamheden die [A] wil laten voltooien binnen de reikwijdte van laatstgenoemd artikel vallen.

5.4. [A] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen gesteld dat de bewuste weg van oudsher verhard is. De werkzaamheden die [A] wil laten verrichten aan de weg hebben de strekking om de weg in haar oude staat terug te brengen, waardoor de weg beter begaanbaar is. Bovendien zal het verrichten van achterstallig onderhoud ertoe leiden dat de weg er mooier bij komt te liggen. [B] heeft als verweer gevoerd dat de werkzaamheden bezwaarlijk aangemerkt kunnen worden als normaal en gebruikelijk onderhoud. [B] heeft voorts gesteld dat de weg voorheen verhard is geweest, maar dat deze in de loop der jaren bedekt is geraakt met een groene grasmat, zand en klei en tevens dat de weg op dit moment prima begaanbaar is. Bovendien heeft [B] het standpunt ingenomen dat de werkzaamheden van [A] bezien vanuit het huis van [B] juist leiden tot een minder mooi uitzicht op de weg.

5.5. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dit verweer van [B] gepasseerd dient te worden. Tussen partijen staat vast dat de weg voorheen een verharde weg is geweest, terwijl het zijn functie voor partijen als weg tussen hun percelen naar de veerdam aan de IJssel is blijven behouden. Voorts dient mede als van belang opgemerkt te worden dat de weg tussen de percelen aan de noordzijde overgaat in een met asfalt verhard gedeelte, terwijl het verloop van de weg in zuidelijke richting, voorbij het voor [B] zichtbare gedeelte, en in ieder geval vanaf de duiker over perceel [perceel 1], eveneens zichtbaar verhard is. Nu de door [A] voorgestane werkzaamheden louter ten doel hebben de weg in de oude dan wel een daarmee te vergelijken toestand terug te brengen, is het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat deze werkzaamheden aangemerkt moeten worden als (normaal) onderhoud in de zin van artikel 5:65 BW. De omstandigheid dat de bewuste weg in de afgelopen jaren door een gebrek aan onderhoud door het elk jaar weerkerende wassende water van de IJssel met gras, zand en klei bedekt is geraakt en daardoor enigszins veranderd is, leidt er niet toe dat [A] daarmee het recht verloren zou hebben om de weg in de oude toestand terug te brengen door de weg zodanig te reinigen dat de verharding weer zichtbaar wordt en daar waar nodig te herstellen. [B] zal derhalve moeten dulden dat [A] de gevorderde onderhoudswerkzaamheden uit laat voeren, ook al zal dit naar de mening van [B] leiden tot een minder fraai uitzicht.

5.6. Mocht de mede-eigendom van de weg niet aangemerkt kunnen worden als een mandeligheid dan is naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een onroerende zaak die binnen een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW valt. Ten aanzien van een goed dat tot een gemeenschap behoort, geldt dat de handelingen die als gewoon onderhoud bestempeld kunnen worden door ieder der deelgenoten zelfstandig verricht kunnen worden. Nu in het voorgaande reeds is overwogen dat de door [A] voorgestane werkzaamheden gezien dienen te worden als (normaal) onderhoud, zouden de vorderingen van [A] ook op deze rechtsgrond toegewezen dienen te worden.

5.7. Door de voortgang van de door [A] voorgestane werkzaamheden te verhinderen, handelt [B] jegens [A] in strijd met diens recht om deze werkzaamheden te laten verrichten. Het voorgaande leidt dan ook tot toewijzing van de vorderingen van [A] op de navolgende wijze, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom gemaximeerd zal worden, zoals in het dictum staat vermeld.

5.8. [B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,32

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punt x tarief 452,00)

Totaal EUR 1239,32

6. De beoordeling in reconventie

6.1. De toewijzing van de vorderingen in conventie brengt mee dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen.

6.2. [B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- salaris procureur EUR 226,00 (factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 226,00

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. beveelt [B] te gehengen en gedogen dat [A] het onderhoud van de weg gelegen op perceel [perceel 1] en [perceel 2] tussen de [weg] en de IJssel voltooit door het herstellen van scheuren en gaten in de verharding, en door de weg, waar nodig, te voorzien van een nieuwe toplaag, en door vervolgens de bermen weer te laten aansluiten op de weg;

7.2. verbiedt [B] om [A] en/of de door [A] ingeschakelde aannemer de uitvoering van het in rechtsoverweging 7.1. beschreven onderhoud op enigerlei wijze te belemmeren;

7.3. bepaalt dat [B] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het in rechtsoverweging 7.2. bepaalde, aan [A] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000, 00, tot een maximum van EUR 25.000,00,

7.4. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 1.239,32;

7.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.7. wijst de vorderingen af,

7.8. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 226,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Werkhoven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2007.