Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC9109

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
131865 / KG ZA 07-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres verzoekt, nadat gedaagde medewerking en toestemming weigert, medewerking en vervangende toestemming voor medicatie voor minderjarige zoon van partijen. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 131865 / KG ZA 07-187

Vonnis in kort geding van 7 mei 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.C. Dorresteijn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van [eiseres];

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagde] zijn in 1997 getrouwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten [zoon 1] geboren d.d. [geboortedatum] 1999 te [woonplaats] en [zoon 2] geboren [geboortedatum] 2003 te [woonplaats].

2.2. De echtscheiding van [eiseres] en [gedaagde] is op 20 september 2006 uitgesproken door de rechtbank Zwolle en kort daarna ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun zoons. Beide zoons hebben hun vaste woon- en verblijfplaats bij [eiseres]. [gedaagde] heeft een omgangsregeling met zijn zoons.

2.3. Vanaf de vroege kindertijd ervaren de ouders van [zoon 1] problemen in de opvoeding en ontwikkeling van [zoon 1]. [zoon 1] volgde van 18 oktober 2005 tot 1 november 2006 een dagbehandeling in het Boddaert Centrum te Zwolle.

2.4. In maart/april 2006 hebben drs. L. van Asperen, GZ-psycholoog, en drs. J. Postema-van der Meer, orthopedagoog, bij het Therapeutisch Centrum Emmeloord (verder: TCE) diagnostisch onderzoek gedaan en een rapportage over [zoon 1] opgesteld. Zij hebben de diagnose gesteld dat bij [zoon 1] sprake is van PDD-NOS/MCDD. In het rapport staat vermeld:

“De gedragingen die hij laat zien verwijzen voornamelijk naar de aan autisme verwante stoornis MCDD. Hierbij is sprake van een stoornis in de regulatie van affecten (grillig gedrag, wisselende stemmingen, doorslaan in emoties), een stoornis in de gevoeligheid voor sociale signalen en sociaal gedrag (aanklampende haat-liefde relaties/vermijding of grenzeloze contactname) en een stoornis in het denken (moeite met onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid, gemakkelijk verward raken, onlogische gedachtengangen).”

2.5. De GZ-psycholoog drs. L. van Asperen heeft in februari 2007 gesprekken gevoerd met beide ouders en daarvan een rapport opgemaakt.

2.6. De psychiater dr. A.J. Elzinga heeft op 15 maart 2007 een psychiatrisch observatieonderzoek gedaan en daarvan een rapport uitgebracht. Volgens dr. Elzinga is er bij [zoon 1] sprake van PDD-NOS, meer specifiek MCDD. In het rapport staat vermeld:

“Ten tijde van het onderzoek zijn geen waarnemingsstoornissen of denkstoornissen vast te stellen, maar heteroanamnestisch en volgens onderzoeksgegevens van het TCE is er sprake van bizarre denkpatronen, vreemde overtuigingen en mogelijk ook hallucinaties. [zoon 1] is tijdens het onderzoek overbeweeglijk en anamnestisch is de impulscontrole gestoord, waarschijnlijk op grond van onjuiste overtuigingen en mogelijke hallucinaties.

[…]

[zoon 1] is een 7-jarige jongen, die al van jongs af aan een bijzondere ontwikkeling laat zien, waarbij stoornissen in de contactname, stoornissen in de ontwikkeling van zijn sociale gedrag, impulscontrole stoornissen en sterk wisselende stemmingen op de voorgrond staan. Hierdoor krijgt hij in toenemende mate problemen in zijn omgang met anderen. Bij deze al bestaande problemen is er in de afgelopen periode in toenemende mate ook sprake van bizarre angsten en vreemde overtuigingen en lopen fantasie en werkelijkheid door elkaar. Gevoegd bij de informatie die bekend is uit het onderzoek bij het TCE kan ik de conclusie onderschrijven dat er sprake is van PDD-NOS, meer specifiek MCDD.”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat- dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan het starten van de medicatie van [zoon 1], de zoon van partijen, binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 250,- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft, waaronder ook verstaan wordt het niet toedienen van de medicatie tijdens een omgangsweekend;

II. vervangende toestemming verleent zodat [eiseres] kan starten met het toedienen van de medicatie;

III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In dit geding is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van [eiseres] bij de vorderingen.

4.2. [eiseres] en [gedaagde] hebben een geschil ten aanzien van de uitoefening van het ouderlijk gezag over [zoon 1]. Het geschil ziet op het starten van medicatie voor [zoon 1]. [eiseres] stelt dat gestart dient te worden met de medicatie. [gedaagde] wil zijn toestemming hiervoor niet verlenen. Hij denkt niet dat er bij [zoon 1] sprake is van PDD-NOS/MCDD. Hij stelt zich op het standpunt dat medicatie een laatste redmiddel is en dat eerst alternatieve interventies geprobeerd moeten worden, zoals speciaal onderwijs en begeleiding vanuit het Joan Sele Instituut in Zwolle.

4.3. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het in [zoon 1]’s belang is dat gestart wordt met de medicatie. In het rapport van drs. Van Asperen en drs. Postema-Van der Meer komt naar voren dat bij [zoon 1] sprake is van PDD-NOS/MCDD en dat medicatie voor [zoon 1] gewenst is in verband met de heftigheid van zijn problematiek. Uit het rapport van drs. Van Asperen volgt dat het gezien de situatie op school en de situatie thuis van belang is dat [zoon 1] ondersteuning krijgt in de vorm van medicatie. Volgens de psychiater dr. Elzinga, die de conclusie van het TCE onderschrijft dat er bij [zoon 1] sprake is van PDD-NOS, meer specifiek MCDD, is het, gezien de ernst van de klachten en de jonge leeftijd van [zoon 1], waarbij de beperkingen in zijn functioneren grote invloed hebben op zijn verdere ontwikkeling, van groot belang dat gekeken wordt of met behulp van medicatie zijn functioneren kan verbeteren en de klachten verminderen. Hij adviseert derhalve zo spoedig mogelijk te starten met Risperdal. Nu de ouders van [zoon 1] het erover eens zijn dat een second opinion voor [zoon 1] ongewenst is moet worden uitgegaan van de conclusies van TCE en de psychiater, die medicatie voorschrijven. Omdat voorshands kan worden aangenomen dat een kinderrechter –in een bodemprocedure oordelende over de aan hem op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) voorgelegde vraag- op grond van de conclusies van TCE en de psychiater zal beslissen dat in dit geval aan de minderjarige medicatie zal moeten worden toegediend, zijn de thans in rechtsoverweging 3.1 onder I en II gevraagde voorzieningen in kort geding voor toewijzing vatbaar.

4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gevorderde dwangsom dient te worden afgewezen. [gedaagde] heeft immers aangegeven dat hij zal meewerken aan het toedienen van medicatie aan [zoon 1], als wordt besloten dat medicatie in [zoon 1]´s belang is. Hij heeft ook aangegeven het belang ervan in te zien om de medicatie niet te onderbreken. [eiseres] heeft dit niet in twijfel getrokken. Het onder deze omstandigheden toewijzen van de gevorderde dwangsom zou de onderlinge verhouding van de ouders van [zoon 1] niet ten goede komen.

4.5. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verleent (voorlopig) vervangende toestemming zodat [eiseres] kan starten met het toedienen van de medicatie aan [zoon 1];

5.2. veroordeelt [gedaagde] tot het verlenen van medewerking aan het starten van de medicatie van [zoon 1], de zoon van partijen, binnen 24 uur na betekening van het vonnis, waaronder ook verstaan wordt het toedienen van de medicatie tijdens een omgangsweekend;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2007.