Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC8880

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
103899 / HA ZA 04-1620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank herstelt punt in tussenvonnis.

In het eindvonnis: de bewijsopdracht was ten onrechte gegeven aan de partij die overigens ook niet in de bewijslevering is geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 103899 / HA ZA 04-1620

Vonnis van 26 september 2007

in de zaak van

GEMEENTE ZWOLLE,

zetelende te Zwolle,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. W.E.M. Klostermann,

tegen

de commanditaire vennootschap

PARKEER MANAGEMENT NEDERLAND C.V.,

kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. A.R. de Jonge te Den Haag.

Partijen zullen hierna de gemeente en PMN genoemd worden.

1 De procedure

1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juni 2007

- de akte (overlegging producties) van PMN

- de antwoordakte van de gemeente

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De resterende geschilpunten

2.1 In het laatste tussenvonnis van 13 juni 2007 heeft de rechtbank PMN opgedragen te bewijzen dat zij gerechtigd is tot een bedrag van EUR 26.518,-- exclusief btw voor rente en afschrijvingen en dat zij dat bedrag terecht in mindering heeft gebracht op haar afdracht van de parkeeropbrengsten aan de gemeente over het derde en vierde kwartaal van 2003.

2.2 In haar akte van 25 juli 2007 verwijst PMN “allereerst” naar haar antwoordakte van 31 augustus 2005 en haar antwoordakte van 28 februari 2007 “ter staving van haar bewijs”. Voorts verwijst zij naar haar brief van 18 oktober 2002 aan de gemeente (productie 4 conclusie van antwoord) waarin tussen partijen zou zijn afgesproken dat, indien de gemeente en PMN niet tot een nieuwe huurovereenkomsten zouden komen, de gemeente de materiële vaste activa van PMN tegen boekwaarde zou overnemen. Het ging daarbij niet alleen om de parkeerapparatuur maar om de totale materiële vaste activa. Een overzicht daarvan, aldus PMN in haar akte, heeft zij overgelegd als productie 26 bij haar akte van 31 augustus 2005.

2.4 In haar antwoordakte, genomen ten rolle van 22 augustus 2007, heeft de gemeente geconstateerd dat PMN in haar akte niets nieuws naar voren heeft gebracht. Nu blijkens de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht hetgeen PMN reeds naar voren had gebracht onvoldoende steun gaf aan haar aanspraak, is daarmee volgens de gemeente gegeven dat PMN die aanspraak niet heeft. In de door PMN genoemde brief van 18 oktober 2002 is geen afspraak vastgelegd maar is door PMN slechts een aanbod tot overname van activa aan de gemeente gedaan voor het geval partijen niet zouden komen tot een nieuwe huurovereenkomst. De gemeente heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. De gemeente komt tot de slotsom dat PMN niet bewezen heeft dat zij gerechtigd is tot een bedrag van EUR 26.518,-- ten laste van de gemeente. Daaraan voegt de gemeente nog toe dat niet juist is de conclusie die uit het tussenvonnis van 13 juni 2007 zou moeten worden getrokken, namelijk dat de gemeente van haar totale vordering slechts het bedrag van EUR 26.518,-- zou toekomen. De gemeente stelt ook nog gerechtigd te zijn tot een bedrag van EUR 34.699,-- (inclusief btw) gelet op hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 17 januari 2007 onder 2.9.

3 De verdere beoordeling

3.1 PMN heeft in haar laatste akte het standpunt herhaald dat haar brief aan de gemeente van 18 oktober 2002 de afspraak bevat dat de gemeente alle materiële vaste activa van PMN zou overnemen indien het niet van een nieuwe huurovereenkomst zou komen. Daarom zou zij gerechtigd zijn om EUR 26.518,-- (aanvankelijk is daarvoor door PMN nog een bedrag van EUR 29.159,-- genoemd) aan rente en afschrijving op materiële vaste activa in rekening te brengen.

3.2 De gemeente heeft op die stelling in haar antwoordakte gereageerd met de stelling dat de brief van 18 oktober 2002 niet zo’n afspraak behelsde, maar dat de brief een aanbod bevat dat door haar niet is aanvaard.

3.3 Het standpunt van de gemeente wijkt in zoverre af van hetgeen zij heeft gesteld onder 3 van haar ‘akte uitlating’ van 14 februari 2007 dat zij daar heeft gesteld dat het aan PMN is om te bewijzen dat zij, mede in aanmerking genomen de aankoopdata van de bewuste apparatuur, gerechtigd is tot het door haar gepretendeerde bedrag van (thans) EUR 26.518,--. Daaruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat de gemeente alsnog bereid was om de door PMN gestelde afspraak dat de gemeente de totale vaste activa zou overnemen te erkennen, en dat het in dit stadium van de procedure nog slechts ging om het (door PMN te leveren) bewijs van de juistheid van de door haar voor rente en afschrijving opgevoerde bedragen.

3.4 Daarbij heeft de rechtbank evenwel ten onrechte geen acht geslagen op de in de zöeven genoemde akte van de gemeente onder 3 tussenhaakjes geplaatste woorden:”…aanspraken op afschrijving en rente (voor welke aanspraken hoe dan ook geen grond bestaat in de rechtverhouding tussen partijen)”. Daaruit blijkt dat de gemeente haar primaire standpunt in deze niet heeft prijsgegeven.

3.5 De rechtbank volgt de zienswijze van de gemeente dat de brief van 18 oktober 2002 van PMN slechts een aanbod behelst dat door de gemeente niet is aanvaard.

Nu de huurovereenkomst niet is voortgezet, bestaat voor de gemeente geen verplichting om de materiële vaste activa van PMN over te nemen. De bewijsopdracht aan PMN in het tussenvonnis 13 juni 2007 is dus een brug te ver geweest, zo moet thans worden vastgesteld.

3.6 De slotsom moet zijn dat PMN het bedrag van EUR 29.159,-- (inclusief de krachtens het tussenvonnis van 17 januari 2007 ten onrechte in rekening gebrachte rente en afschrijving á EUR 2.641,-- over de kosten voor de euroconversie en de creditcard mogelijkheid) ten onrechte heeft verrekend. Zij dient het aan de gemeente te restitueren.

3.7 Ten overvloede overweegt de rechtbank dat PMN de hoogte van het door haar verrekende bedrag, gelijk ook de gemeente heeft geconstateerd, niet met verificatoire bescheiden heeft onderbouwd zodat zij ook niet in de (achteraf ten onrechte gegeven) bewijsopdracht is geslaagd.

3.8 De gemeente heeft nog gesteld dat de slotzin van rov. 2.7 van het laatste tussenvonnis niet juist is in zoverre daaruit moet worden geconcludeerd dat de gemeente slechts het bedrag van EUR 26.518,-- exclusief btw toekomt indien PMN niet zou slagen in de bewijslevering.

3.9 Die observatie is juist in zoverre dat daarbij nog het meergenoemde bedrag van EUR 2.641,-- voor de kosten van euroconversie en creditcardmogelijkheid moet worden opgeteld (vgl. rov. 3.6) dat door PMN eveneens ten onrechte is verrekend. Ook is juist de stelling van de gemeente dat het totale bedrag van EUR 29.159,-- nog moet worden vermeerderd met btw. Onder meer uit par. 7 van de akte van PMN van 28 februari 2007 blijkt dat zij die zienswijze deelt.

3.10 Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1 Veroordeelt tot PMN betaling aan de gemeente van een bedrag van EUR 34.699,-- inclusief btw,

4.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten zal dragen,

4.3 Wijst af het meer of anders gevorderde,

4.4 Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr Th.A. Ariëns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2007.