Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC6338

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
133742 / KG ZA 07-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsing executie gedurende herroepingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 133742 / KG ZA 07-267

Vonnis in kort geding van 19 juli 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CAPGEMINI OUTSOURCING B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. J.P. van Dijk,

advocaat mr. J.O. Zuurmond te Hilversum,

tegen

[Gedaagde],

wonende te [woonplaats],

toevoeging aangevraagd,

gedaagde,

procureur mr. R.F. Vogel.

Partijen zullen hierna Capgemini en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling d.d. 12 juli 2007

- de pleitnota van Capgemini

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is vanaf 1 april 2001 werkzaam geweest bij het UWV in de functie van medewerker [functie].

2.2. Per 1 januari 2006 heeft Capgemini een deel van de werkzaamheden van afdeling PSB van UWV overgenomen, inclusief de werknemers. [gedaagde] was bij UWV op de betreffende afdeling werkzaam en is derhalve per 1 januari 2006 voor Capgemini gaan werken.

2.3. Op 28 augustus 2006 hebben partijen een regeling tot beëindiging van het dienstverband gesloten. Hierin hebben partijen onder meer het volgende afgesproken:

“Ondertetekenden

(…)

komen als volgt overeen:

1. Capgemini zal de Kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst met medewerker per 1 april 2007 te ontbinden. (…)

2. Voor het geval de Kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt kent Capgemini aan medewerker toe een vergoeding van EUR 38.000,-- (bruto) strekkende ter aanvulling over een reeks van jaren op een te verwerven uitkering krachtens de Sociale Verzekeringswetten dan wel een elders te verdienen lager salaris. (…)

3. In geval de Kantonrechter de arbeidsovereenkomst op een eerdere of latere datum ontbindt en/of een hogere of lagere vergoeding toekent dan in deze overeenkomst vastgelegd, hebben partijen jegens elkaar op niet meer en niet minder aanspraak dan in deze overeenkomst is bepaald. Ook in dat geval zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 april 2007 eindigen en zal medwerker recht hebben op de onder 2. genoemde vergoeding. (…)

4. (…)

5. Medewerker en Capgemini zullen zich volledig inspannen om voor 2 april 2007 een passende functie voor Medewerker buiten de organisatie van Capgemini te vinden. In dit kader is Capgemini bereid om haar medewerking verlenen aan het, gedurende maximaal 6 maanden tijdens de periode tot uiterlijk 1 april 2007, uitlenen van Medewerker aan de organisatie waar Medewerker een concrete kans heeft op een dienstverband.

6. Medewerker kan, indien geen andere functie buiten de Capgemini-organisatie voor 1 april 2006 wordt gevonden, gedurende 6 maanden voor rekening van Capgemini gebruik maken van de outplacementdiensten van Focus. De kosten hiervan zijn dan voor rekening van Capgemini.

7. Wanneer Medewerker een arbeidsovereenkomst afsluit met een andere organisatie met een ingangsdatum die ligt voor 2 april 2007, dan zal Capgemini aan medewerker een eenmalige vergoeding van EUR 12.500,-- (bruto) toekennen. De artikelen 1, 2, 3, en 6 uit deze overeenkomst zijn dan niet van toepassing.

8. (…)

2.4. Vanaf 1 oktober 2006 is [gedaagde] door tussenkomst van detacheringsbureau “[naam]” gedetacheerd bij ROZIJ Werk. Het detacheringsbureau schrijft hierover aan Capgemini:

“Met genoegen bevestigen wij dat wij de heer M.C. [gedaagde] gedetacheerd hebben (via collegiaal in/uitlenen) naar ROZIJ werk. Hij blijft gedurende de uitleenperiode in dienst van Capgemini.

Wij vertrouwen erop dat de heer [gedaagde] aan de verwachtingen van ROZIJ werk voldoet en de opgedragen werkzaamheden naar behoren uitvoert. Bij goed functioneren en gelijkblijvende economische omstandigheden heeft ROZIJ werk de intentie uitgesproken de heer [gedaagde] na afloop van onderstaande periode in dienst te nemen.”

2.5. De detachering eindigde per 31 maart 2007. [gedaagde] is gedurende de gehele detacheringsperiode werkzaam geweest bij ROZIJ Werk.

2.6. In maart 2007 is door Capgemini herhaaldelijk aan [gedaagde] verzocht om aan te geven of de werkzaamheden bij ROZIJ Werk na 1 april 2007 gecontinueerd zouden worden of niet. [gedaagde] noch ROZIJ Werk hebben zich hierover uitgelaten jegens Capgemini. Uiteindelijk heeft de raadsman van [gedaagde] tweemaal schriftelijk verklaard (bij brieven d.d. 21 en 26 maart 2007) dat er door [gedaagde] na 2 april 2007 geen werkzaamheden meer verricht zouden worden en dat er ook geen enkel vooruitzicht bestond op een dienstverband bij ROZIJ Werk.

2.7. Op basis van deze verklaringen van de raadsman van [gedaagde] heeft Capgemini, conform de tussen partijen gesloten overeenkomst, op 29 maart 2007 een pro forma verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank, waarin is verzocht om ontbinding per 1 april 2007 onder toekenning van EUR 38.000,- als beëindigingsvergoeding.

2.8. Door Capgemini is op 2 april 2007 naar ROZIJ Werk gebeld en gevraagd naar [gedaagde]. Die was op dat moment niet aanwezig, maar zou de volgende dag wel aanwezig zijn.

2.9. Capgemini heeft vervolgens contact opgenomen met de raadsman van [gedaagde] en hem geconfronteerd met haar bevindingen. In verband met het vermoeden dat [gedaagde], in tegenstelling tot hetgeen zijn raadsman had verklaard, wel een aansluitend dienstverband bij ROZIJ Werk had gekregen, heeft Capgemini besloten om niet de bij beschikking d.d. 30 maart 2007 vastgestelde hoge ontbindingsvergoeding te betalen, maar de lage vergoeding van EUR 12.500, conform art. 7 van de beëindigingsovereenkomst.

2.10. Bij brief d.d. 16 april verklaart de raadsman van [gedaagde] het volgende:

“In de loop van de vorige week hebben wij telefonisch contact met elkaar gehad in verband met het feit dat het vermoeden zou bestaan dat mijn cliënt (de heer M.C. [gedaagde] te [woonplaats]) vanaf begin april 2007 werkzaam zou zijn bij Rozij Werk.

Zoals ik u reeds meedeelde, heb ik hierover contact met mijn cliënt (de heer M.C. [gedaagde] te [woonplaats]) opgenomen. Cliënt deelde mij mede dat het beslist niet juist is dat hij per 1 april 2007 aldaar werkzaam zou zijn.

Volgens cliënt is er geen overeenkomt tussen hem en Rozij Werk en zijn de door hem voor dit kantoor verrichte werkzaamheden per 31 maart 2007 beëindigd.”

2.11. Een dag later, 17 april 2007, schrijft de raadsman van [gedaagde] aan Capgemini:

“In bovengenoemde zaak bericht ik u in aansluiting aan mijn eerdere brief d.d. 16 april 2007 voor de goede orde het volgende.

Mijn cliënt heeft mij hedenochtend medegedeeld dat hij een specificatie van uw bedrijf heeft mogen ontvangen, waarin (kennelijk willens en wetens) een lagere ontslagvergoeding aan hem is toegekend dan door de Kantonrechter in de beschikking d.d. 30 maart 2007 is aangegeven.

Klaarblijkelijk verkeert Capgemini nog steeds in de (volkomen onjuiste) veronderstelling dat cliënt momenteel aan het werk zou zijn bij Rozij Werk en dat hij daarmee een inkomen zou genereren, zodat voldaan zou zijn aan het bepaalde in artikel 7 van de beëindigingsovereenkomst.

Dit is beslist niet het geval en cliënt wenst tegen deze gang van zaken dan ook ten stelligste te protesteren.”

2.12. Nadien, in ieder geval na 26 april 2007, heeft de raadsman van [gedaagde] aan Capgemini een arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en ROZIJ werk doen toekomen, getekend op 5 april 2007, waarin staat dat [gedaagde] met ingang van 10 april 2007 in dienst treedt bij ROZIJ werk.

3. Het geschil

3.1. Capgemini vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 30 maart 2007, totdat in rechte op het verzoek tot herroeping van de beschikking zal zijn beslist, zulks op straffe van een dwangsom.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van het spoedeisend belang bij het gevorderde is in voldoende mate gebleken.

4.2. Met betrekking tot executiegeschillen is uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af te leiden dat slechts in geval van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de executant een rechterlijke beslissing in een latere procedure terzijde kan worden gesteld of door de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging kan worden geschorst. Bedoelde jurisprudentie is gebaseerd op de overweging dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich brengt dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak kunnen worden aangevoerd, ter voorkoming dat het executiegeschil het karakter van een verkapt rechtsmiddel krijgt.

4.3. In het onderhavige geval gaat het echter om een situatie waar voornoemde jurisprudentie niet op ziet. In casu wordt schorsing van de executie verzocht totdat in rechte op het ingestelde verzoek tot herroeping is beslist. Herroeping is een bijzonder rechtsmiddel dat zich ten aanzien van een gewoon rechtsmiddel als hoger beroep in na te melden zin onderscheidt. In geval van hoger beroep wordt in beginsel hetzelfde feitencomlplex dat reeds beoordeeld is, aan een hogere rechter voorgelegd, terwijl bij herroeping nu juist essentieel is dat een nieuwe omstandigheid wordt aangevoerd op basis waarvan de eerdere uitspraak, bij bekendheid met de omstandigheid, anders was uitgevallen. Wanneer in een dergelijk geval schorsing van de executie wordt gevorderd in afwachting van de uitkomst van de herroepingsprocedure, heeft het executiegeschil niet het karakter van een verkapt rechtsmiddel, doch beoogt de eiser die schorsing van de tenuitvoerlegging verlangt, slechts een ordemaatregel te verkrijgen voor de periode dat op het ingestelde verzoek tot herroeping nog niet is beslist.

4.4. Beoordeeld moet worden of het in voldoende mate aannemelijk kan worden geacht dat op grond van het verzoek tot herroeping het geding zal worden heropend. Hiervoor is het volgende van belang.

4.5. Op grond van art. 390 jo 382 Rv kan op verzoek van een partij een beschikking worden herroepen indien:

a. de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

b. de beschikking berust op stukken waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

c. de partij na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Hierbij moet worden opgemerkt dat ten aanzien van de omstandigheid sub a., zowel de termen “bedrog” als “in het geding gepleegd” ruim moeten worden uitgelegd. Zo kan ook, maar niet uitsluitend, stilzwijgen als bedrog worden opgevat. Daarnaast kan bedrog in het geding gepleegd, liggen in tussen partijen, of hun advocaten, gevoerde correspondentie en hoeft het bedrog niet in de eigenlijke proceshandelingen te zijn gepleegd.

4.6. Voor de beantwoording van de vraag of één van voormelde gronden aanwezig is, zal moeten worden nagegaan wat de bedoeling van partijen was met de beëindigingsovereenkomst en hoe door partijen is gehandeld in het kader van deze overeenkomst. Door Capgemini is aangevoerd dat voor de uitleg van de beëindigingsovereenkomst moet worden gekeken naar de intentie van partijen met deze overeenkomst. [gedaagde] daarentegen heeft voor een letterlijke interpretatie van de tekst van de overeenkomst gepleit. De vraag hoe in een schriftelijk contract als het onderhavige de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen uit dat contract. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben partijen met deze overeenkomst beoogd de gevolgen te regelen van het einde van het dienstverband van [gedaagde] bij Capgemini. Daarbij stond voorop dat de nodige inspanning zou worden geleverd om [gedaagde] aan een ander dienstverband te helpen, in verband hiermee is [gedaagde], terwijl hij op de loonlijst van Capgemini bleef staan, gedetacheerd bij ROZIJ Werk. Indien partijen erin zouden slagen dat [gedaagde] bij het einde van het detacheringstraject elders werk zou kunnen krijgen, dan zou er een vergoeding worden betaald door Capgemini van EUR 12.500,-. Bij het niet verkrijgen door [gedaagde] van een dienstverband aan het einde van de detachering, zou door Capgemini een hogere vergoeding namelijk EUR 38.000,-- worden betaald. De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is per 1 april 2007 ontbonden. [gedaagde] heeft zijn detachering bij ROZIJ Werk tot 31 maart 2007 volledig uitgediend.

4.7. De versie van de gebeurtenissen erna is volgens [gedaagde] aldus. Op 31 maart 2007 bestond er volgens [gedaagde] totaal geen uitzicht op voortzetting van zijn werkzaamheden voor ROZIJ Werk. Op 2 april 2007 is [gedaagde] door ROZIJ Werk gebeld en uitgenodigd de dag erna, 3 april 2007, te komen praten over een dienstverband. Dit heeft op 5 april 2007 (witte donderdag) geleid tot ondertekening van een arbeidsovereenkomst ingaande op 10 april 2007 (daags na 2e Paasdag). De voorzieningenrechter is van oordeel dat alleen op basis van deze versie van de gebeurtenissen al blijkt dat bedoeling van de overeenkomst, namelijk om [gedaagde] bij het einde van zijn detacheringstraject aan een dienstverband elders te helpen, wel geslaagd is. De detachering bij ROZIJ Werk heeft het beoogde vervolg gekregen. Hieruit zou, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, voort vloeien dat Capgemini slechts gehouden zou zijn de lagere vergoeding te voldoen.

4.8. Rondom het einde van de detachering hebben zich daarnaast de hierna volgende omstandigheden voorgedaan, op basis waarvan geoordeeld kan worden dat mogelijk sprake is van één van de in art. 382 Rv genoemde gevallen die kunnen leiden tot herroeping van een rechterlijke beslissing.

4.9. Door Capgemini is, vanaf december 2006, zowel aan [gedaagde] als aan ROZIJ Werk, diverse malen uitdrukkelijk gevraagd naar de eventuele mogelijkheid van voortzetting door [gedaagde] van zijn werkzaamheden bij ROZIJ Werk na afloop van de detachering. Deze informatie is niet gegeven, noch door [gedaagde], noch door ROZIJ Werk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had [gedaagde] die informatie, in het kader van de uitvoering van de beëindigingsovereenkomst, wel aan Capgemini moeten verstrekken. Uiteindelijk heeft Capgemini, omdat [gedaagde] weigerachtig bleef een verklaring af te leggen, op basis van de verklaring van de advocaat van [gedaagde] een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend met daarin opgenomen de hoge vergoeding. De advocaat had immers verklaard dat er geen uitzicht bestond op een voortzetting van het dienstverband bij ROZIJ Werk. Ook na de kennisneming van het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en bij de indiening van het verweerschrift daartegen zijnerzijds had [gedaagde] niet mogen zwijgen. Echter, in tegenstelling tot wat van [gedaagde] in het kader van de beëindinginsovereenkomst verwacht had mogen worden heeft [gedaagde] in eerste instantie volgehouden dat zijn werkzaamheden bij ROZIJ Werk al op 23 maart 2007 waren geëindigd, terwijl dit aantoonbaar onjuist was. [gedaagde] heeft later dan ook erkend tot 31 maart 2007 te hebben gewerkt. Voorts is van de zijde van [gedaagde], bij monde van zijn advocaat nota bene, tot half april volgehouden dat er in het geheel geen sprake is van een dienstverband tussen ROZIJ Werk en [gedaagde], terwijl in ieder geval op 5 april 2007 al een arbeidsovereenkomst was gesloten tussen [gedaagde] en ROZIJ Werk. De arbeidsovereenkomst is pas eind april 2007 door [gedaagde] aan Capgemini verstrekt. Op basis van het voorgaande heeft het er, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, alle schijn van dat [gedaagde] bewust informatie heeft achtergehouden, ook in de ontbindingsprocedure, juist met het oog op de bedoeling van partijen met de gesloten beëindigingsovereenkomst en de verschillende vergoedingen die daaraan gekoppeld werden.

4.10. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht de voorzieningenrechter het in voldoende mate aannemelijk dat de kantonrechter, bij kennis van het volledige feitencomplex, zal beslissen de zaak te heropenen. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 30 maart 2007 te schorsen in afwachting van de uitkomst van de herroepingsprocedure. Te meer nu Capgemini bij executie door [gedaagde] immers een restitutierisico loopt. Daarbij wordt ook meegewogen dat van de zijde van [gedaagde] geen aanbod is gedaan zekerheid te stellen.

4.11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Capgemini worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- vast recht 251,00

- salaris procureur 1.158,00

Totaal EUR 1.479,85

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 30 maart 2007, totdat in rechte op het verzoek tot herroeping van deze beschikking zal zijn beslist,

5.2. bepaalt dat [gedaagde], indien hij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan Capgemini een eenmalige dwangsom verbeurt van EUR 25.000,-,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Capgemini tot op heden begroot op EUR 1.479,85,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2007.?

??

??

2

Datum Uitspraak: 19-7-2007 Instantie: Rechtbank Zwolle Zaaknummer: 133742 - KG ZA 07-267

Datum Opslag: 11-3-2008 Sector: Civiel Concipiënt: DERKSENK

Opmerking(en):

133742 / KG ZA 07-267

19 juli 2007

Datum Uitspraak: 19-7-2007 Instantie: Rechtbank Zwolle Zaaknummer: 133742 - KG ZA 07-267

Datum Opslag: 11-3-2008 Sector: Civiel Concipiënt: DERKSENK

Opmerking(en):