Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC3992

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-12-2007
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
Awb 07/918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging geslachtsnaam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2007/590
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/918

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. N.B. Swart,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere, verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 24 mei 2006, aangevuld bij brief van 16 augustus 2006, is verweerder namens eiseres verzocht haar gegevens in de gemeentelijke basisadministratie te wijzigen in [voornaam] (voornaam) en [tussennaam] [achternaam] (achternaam).

Bij besluit van 28 november 2006 is dit verzoek namens verweerder afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 19 december 2006 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 7 juni 2007, aangevuld bij brief van 9 juli 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 27 juni 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij schrijven van 7 augustus 2007 heeft verweerder verweer gevoerd.

Het beroep is op 20 november 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is verschenen P.H. Oostendorp.

2. Overwegingen

In juni 1970 is eiseres naar Nederland gekomen. Op 15 juni 1970 heeft zij de Nederlandse nationaliteit verkregen en op 30 juni 1970 is zij opgenomen in het persoonsregister van de gemeente Huizen. Eiseresses naam werd daarbij vastgesteld aan de hand van haar Bulgaarse paspoort en haar Tsjechische huwelijksakte, te weten voornamen: [voornaam] [tussennaam] en geslachtsnaam [achternaam] .

In januari 1976 heeft eiseres haar doopakte overgelegd op basis waarvan in de bevolkingsboekhouding haar namen zijn gewijzigd in [voornaam] (voornaam) [tussennaam] [achternaam] .

In 1983 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen de gegevens op eiseresses persoonskaart op grond van artikel 28, tweede lid, van het Besluit bevolkingshuishouding gewijzigd in de zin dat de “v”’s in haar naam zijn vervangen door “w”’s. Daarbij is de tussennaam [tussennaam] verplaatst van vak 3a (geslachtsnaam) naar 3b (voornaam). Bij besluit van 21 december 1988 heeft het college van burgemeester en wethouders van Huizen eiseresses verzoek om haar persoonskaart te wijzigen en de tussennaam [tussennaam] bij haar geslachtsnaam te plaatsen, afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde administratieve beroep heeft de Minister van Binnenlandse Zaken bij besluit van 7 juli 1989 ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, welk beroep bij uitspraak van 18 oktober 1991 ongegrond is verklaard.

Bij besluit van 28 november 2006, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder het verzoek van eiseres om naamswijziging in de gemeentelijke basisadministratie, in de zin dat eiseresses tussennaam [tussennaam] als geslachtsnaam wordt aangemerkt, onder toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat sprake is van een herhaalde aanvraag en niet gebleken is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Artikel 4:6 van de Awb geeft voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk op zo'n aanvraag te beslissen. Voormeld algemeen beginsel geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweeden male aan de rechter worden voorgelegd. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader derhalve ook, indien het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet heeft toegepast. De regels inzake de toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstbedoelde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de inwerkingtreding van de Awb en de Wet GBA geen veranderde omstandigheden opleveren als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

In dat verband is namens eiseres tevergeefs gewezen op het feit dat eiseres in de loop der jaren steeds meer last heeft gekregen van de in haar ogen onjuiste registratie van haar tussennaam en dat sedert invoering van de Awb op grond van artikel 4:84 van de Awb de mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval. De mogelijkheid om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval is alleen aanwezig in geval het betreffende bestuursorgaan beleidsvrijheid heeft, hetgeen onder de wet GBA, en overigens ook onder het Besluit bevolkingsboekhouding, ten aanzien van persoonsgegevens als de onderhavige niet het geval is en was. Overigens miskent eiseres hiermee tevens dat artikel 4:84 van de Awb voor wat betreft de bevoegdheid om van beleid af te wijken slechts codificatie is van een bestaande rechtspraktijk.

Ook overigens kan de Wet GBA niet afdoen aan het eerdere besluit van 21 december 1988 nu in het geval als het onderhavige op grond van artikel 26, tweede lid, van genoemde wet primair uitgegaan dient te worden van een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, zoals eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 1991, en pas daarna van een buitenlandse doop- of geboorteakte.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb. Het feit dat de eerdere afwijzende beschikking is genomen door een ander bestuursorgaan, te weten burgemeester en wethouders van Huizen, doet hieraan niet af. Verweerder was ten tijde van het bestreden besluit als enige bevoegd om op dit besluit terug te komen.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier, op 17 december 2007.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.