Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC2584

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
133515 - KG ZA 07-252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Woonplaats gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 133515 / KG ZA 07-252

Vonnis in kort geding van 27 juni 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. D.A. Bönnekamp te Hilversum,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.H. van Akenborgh te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de man

- de pleitnota van de vrouw.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het minderjarige kind van de man en de vrouw is: [Kind A], geboren op [geboortedatum] te [woonplaats].

2.2. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2005 is aan de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige verleend.

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 2 mei 2007 is het volgende bepaald:

Stelt met ingang van 6 mei 2007 als omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast:

- vijf maal iedere zondagmiddag van 14.45 uur (bij de vrouw halen) tot 16.15 uur (bij de vrouw weer terug)

- vervolgens vijf maal iedere zondag van 13.45 uur tot 17.15 uur;

- vervolgens vijf maal iedere zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur;

- vervolgens vijf maal een weekend per veertien dagen van zaterdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;

- daarna een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;

- waarbij de man – door tussenkomst van een derde – zorg draagt voor het halen en terugbrengen van de minderjarige.

2.4. De voornoemde omgangsregeling is tot op heden niet uitgevoerd.

3. Het geschil

3.1. De man vordert samengevat – de vrouw te veroordelen mee te werken aan de opbouwende regeling zoals de rechtbank die bij beschikking van 2 mei 2007 heeft opgelegd.

3.2. De vrouw voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. De vrouw heeft gesteld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is omdat zij haar woonplaats [woonplaats] heeft verlaten en zich blijvend heeft gevestigd in [land].

4.2. Nu ter zitting is komen vast te staan dat de vrouw volgens de gemeentelijke basis administratie van de gemeente [woonplaats] nog steeds woonachtig is in [woonplaats], zal de voorzieningenrechter voorbij gaan aan het verweer van de vrouw dat de rechtbank onbevoegd is. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat zij haar woonstede heeft verlaten door daden waaruit haar wil blijkt om haar woonstede prijs te geven. Maar het enkele feit dat de vrouw zich, naar eigen zeggen, sinds zes weken in [land] bevindt, is onvoldoende om te concluderen dat zij haar woonstede, zoals bedoeld in artikel 1:10 BW, metterdaad heeft verlaten. Gelet op het vorenstaande, is de Nederlandse rechter bevoegd een beslissing in onderhavige procedure te nemen.

Spoedeisend belang

4.3. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

Beoordeling

4.4. Een door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling dient in beginsel zonder mankeren te worden nageleefd. Dit kan pas anders zijn, indien sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van de minderjarige dat nakoming van de omgangsregeling in redelijkheid niet kan worden gevergd.

4.5. De vrouw heeft primair gesteld dat nakoming van de beschikking van 2 mei 2007 blijvend onmogelijk is geworden door de blijvende vestiging van de vrouw en haar gezin in [land].

4.6. Door de man is erkend dat er plannen bestaan om naar [land] te verhuizen. Hij heeft gesteld dat de vrouw met haar nieuwe partner een huis in [land] heeft laten bouwen en in oktober 2007, als zij de leeftijd van 45 jaar zou hebben bereikt, gebruik zou gaan maken van een remigratieregeling. De man heeft betwist dat de vrouw en de minderjarige daar reeds nu verblijven.

4.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de op handen zijnde verhuizing naar [land] in de bodemprocedure, waarin de omgangsregeling recent is vastgesteld, niet aan de orde is geweest. Dat leidt de voorzieningenrechter af uit het feit dat in de beschikking van 2 mei 2007, waarvan thans nakoming wordt gevorderd, van een dergelijke verhuizing geen gewag wordt gemaakt, alsmede uit de onbestreden stelling van de man dat hij pas ná het afgeven van de beschikking van 2 mei 2007 gehoord heeft van de plannen om naar [land] te verhuizen.

Dat de vrouw nu van stel op sprong naar [land] zou zijn verhuisd, hetgeen overigens is betwist en geenszins aannemelijk is gemaakt, ziet de voorzieningenrechter als een poging om de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te dwarsbomen. Er zijn in het geheel geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een verhuizing op een dergelijk korte termijn noodzakelijk maken. Het past bovendien bij het verzet van de vrouw tegen iedere vorm van omgang op dit moment en de strubbelingen die er zijn geweest vooraleer de rechtbank de onderhavige omgangsregeling in de beschikking van 2 mei 2007 heeft vastgesteld.

4.8. Indien juist is dat de vrouw met de minderjarige inmiddels reeds in [land] verblijft, dan ziet de voorzieningenrechter daarin geen zwaarwegende omstandigheid als hiervoor onder 4.4. bedoeld, die meebrengt dat de nakoming van de omgangsregeling in verband met de belangen van de minderjarige in redelijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de vrouw deze omstandigheid zelf in het leven heeft geroepen, zonder dat van een noodzaak daartoe is gebleken. Het woonadres in [woonplaats] blijft, zo liet de huidige partner van de vrouw ter terechtzitting weten, voorlopig nog even aangehouden. De rechtbank heeft in de beschikking van 2 mei 2007 met zoveel woorden overwogen dat de omgangsregeling in het belang van de minderjarige is en dat de vrouw haar eigen belang daaraan ondergeschikt dient te maken. De plannen voor een verhuizing zal zij in hoger beroep eventueel aan de orde kunnen stellen. Totdat het gerechtshof in hoger beroep anders zal hebben beslist dient de eerst recent vastgestelde en uitvoerbaar bij voorraad verklaarde omgangsregeling onverkort te worden nageleefd. Dat deze omgangsregeling ertoe zal leiden dat de vrouw tot die tijd niet in [land] kan blijven wonen, doet niet af aan het belang van de minderjarige om, voordat de vrouw met de minderjarige definitief naar [land] verhuisd, enig contact met zijn vader op te bouwen.

4.9. Gesteld noch gebleken is dat er sinds de beschikking van 2 mei 2007 sprake is van andere dan de hierboven reeds omschreven nieuwe feiten en omstandigheden, die aan de uitvoering van de omgangsregeling in de weg staan. Dat de vrouw de opgelegde omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige acht, is reeds in de laatste bodemprocedure door de vrouw aangevoerd. Nadien heeft de rechtbank de beschikking gewezen waarin de omgangsregeling is vastgesteld.

4.10. Gelet op het voorgaande, is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat in casu geen sprake is van zodanig zwaarwegende omstandigheden dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij de omgangsregeling nakomt. Niet is gebleken dat met nakoming van de omgangsregeling de belangen van de minderjarige in het gedrang zouden komen.

4.11. Gelet op het vorenstaande komt de vordering van de man voor toewijzing in aanmerking, met dien verstande dat de toe te kennen dwangsom zal worden gemaximeerd. De dwangsom is hoger dan gebruikelijk, omdat het de voorzieningenrechter geraden voorkomt om een dwangsom op te leggen die een prikkel tot nakoming van de omgangsregeling blijft vormen indien en zolang de vrouw in [land] verblijft op het moment dat uitvoering moet worden gegeven aan de omgangsregeling. De voorzieningenrechter zal beslissen, zoals hieronder staat vermeld.

4.12. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de vrouw de omgangsregeling met ingang van zondag 8 juli 2007 zonder mankeren zal nakomen.

Proceskosten

4.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de vrouw om met ingang van zondag 8 juli 2007 haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking d.d. 2 mei 2007 opgelegde omgangsregeling;

5.2. bepaalt dat de vrouw voor iedere keer dat zij in strijd handelt met de hiervoor bepaalde veroordeling, aan de man een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,= (zegge: duizend euro) tot een maximum van EUR 25.000,= (zegge: vijfentwintig duizend euro);

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2007.