Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC2357

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
135452 / HA RK 07-200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beschikking op verzet tegen het zeven keer in rekening brengen van het vastrecht wegens het nemen van zeven te onderscheiden conclusies door dezelfde procureur. Interpretatie begrip "gelijkluidende conclusies" van artikel 3, lid 1 ,Wet tarieven in burgerlijke zaken. Heffing vast recht staat niet op gespannen voet met artikel 6 EVRM noch met beginsel van proportionaliteit of maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 135452 / HA RK 07-200

Beschikking van 12 oktober 2007

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BURO BEELD B.V.,

gevestigd te Laag-Soeren, gemeente Rheden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MASSA B.V.,

gevestigd te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GNP VENTURES B.V.,

gevestigd te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENTIAL LEGAL & MANAGEMENT SUPPORT B.V.,

gevestigd te Laag-Soeren, gemeente Rheden,

5. [verzoeker sub 5],

wonende te [plaats],

6. [verzoeker sub 6],

wonende te [plaats],

7. [verzoeker sub 7],

wonende te [plaats],

verzoekers,

advocaten mr. J. van der Steenhoven, mr. M.W. Rijsdijk en mr. M.Singeling, allen te Amsterdam,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge

en

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD,

zetelende te Zwolle,

verweerder,

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van de procureur van verzoekers d.d. 22 juni 2007, met als bijlage een brief van 21 juni 2007 van mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam, houdende verzet tegen de hoogte van het in rekening gebracht vast recht

- de brief van de griffier van 11 juli 2007,

- de brief van de procureur van verzoekers van 17 juli 2007

- de mondelinge behandeling.

1.2. Bij de mondelinge behandeling op 19 september 2007 zijn voor verzoekers verschenen mr. M. Singeling en voor verweerder E.L. van der Ree en D.K. Bloemers, medewerkers van de rechtbank.

2. De feiten

2.1. Bij exploot van 23 februari 2007 zijn ten verzoeke van een veertiental eiseresssen een negental gedaagden, waaronder verzoekers, gedagvaard.

2.2. Als procureur voor verzoekers heeft zich gesteld mr. R.K.E. Buysrogge, die namens de zeven verzoekers voor de rol van 20 juni 2007 een zevental conclusies van antwoord heeft toegezonden.

2.3. De rolgriffier heeft de procureur telefonisch erop gewezen dat voor de indiening van deze conclusies op de voet van artikel 3 lid 1 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) zeven maal vastrecht is verschuldigd.

2.4. De procureur heeft, blijkens diens telefonische mededeling na overleg met zijn correspondent, beslist tot het nemen van de zeven conclusies.

2.5. De griffier heeft vervolgens voor elke gedaagde afzonderlijk het vastrecht in rekening gebracht conform artikel 2 lid 1 en lid 2 sub 2 onder d van de Wtbz. In totaal is een bedrag van EUR 22.236,00 aan vastrecht uit voorschot verrekend, welke bedrag is samengesteld uit 4 maal een bedrag van EUR 4.732,00 voor zover het gedaagden (tevens verzoekers) als rechtspersonen betreft en 3 maal een bedrag van EUR 1.136,00 voor zover het de gedaagden (tevens verzoekers) als natuurlijke personen betreft.

2.6. Tegen de hoogte van het in rekening gebracht vastrecht hebben verzoekers verzet gedaan.

3. De beoordeling

3.1. ontvankelijkheid van het verzet

3.1.1. Ingevolge artikel 25 lid 1van de Wtbz kan gedurende een maand na de mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten de voorschotgever bij het gerecht ter griffie waar het voorschot werd gestort, rechtdoende in burgerlijke zaken, tegen de beslissing van de griffier bij verzoekschrift in verzet komen.

3.1.2. De rechtbank acht het aannemelijk dat de procureur op 20 of 21 juni 2007 mededeling heeft ontvangen van de verrekening door de griffier van het verschuldigde vastrecht met het door (het kantoor van) de procureur in rekening-courant gestort voorschot. Voor de vraag of het verzet tijdig is gedaan doet hieraan niet af dat op 13 juli 2007 een aanvankelijk teveel verrekend bedrag opnieuw is verrekend met het voorschot ten gunste van de procureur.

3.1.3. Het verzoekschrift houdende verzet is derhalve tijdig ingediend. Nu de beslissing van de griffier omtrent het vastrecht het belang raakt van de procederende partijen c.q. verzoekers voor wie de procureur in rechte optreedt en voor wiens rekening het vastrecht komt, acht de rechtbank verzoekers in hun verzet ontvankelijk.

3.2. standpunt van verzoekers

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat de griffier ten onrechte de mening is toegedaan, dat uit het feit dat door de procureur van verzoekers zeven afzonderlijke conclusies zijn genomen, moet worden afgeleid dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wtbz, waarin gedaagden, die bij eenzelfde procureur verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, gezamenlijk slechts eenmaal vast recht verschuldigd zijn.

Verzoekers achten het niet in lijn met de strekking van genoemd artikellid dat conclusies alleen als gelijkluidend zijn aan te merken wanneer de daarin verwoorde verweren in één conclusie in de zin van één stuk zijn opgenomen.

De inleidende dagvaarding jegens verzoekers en de overige gedaagden laat slechts ten dele uitkomen welke (van de veertien) eiseres(sen) welke vordering op welke verzoeker meent te hebben. Verzoekers hebben de dagvaarding daarom ontleed en daaruit de verschillende specifieke verwijten die de eiseressen de verschillende gedaagden maken, gedestilleerd.

Op basis daarvan hebben verzoekers in een afzonderlijke conclusie de verwijten per verzoeker en het daarop betrekking hebbende verweer verwoord. Daarmede wordt niet alleen in de eerste plaats bereikt dat het voor de rechtbank eenvoudiger en overzichtelijker is geworden om het geschil in volle omvang te beoordelen, maar wordt tevens tegemoetgekomen aan de belangen van verzoekers. Nergens in de wet staat dat het (gezamenlijke) verweer, bestaande uit de verweren per verzoeker, ongesplist in één conclusie moet zijn vervat, wil sprake zijn van gelijkluidende conclusies in de zin van artikel 3 lid 1 Wtbz. Daarenboven hebben alle gedaagden in een procedure doorgaans (ook) een eigen verweer dat in de regel niet gelijkluidend is aan het verweer van de andere gedaagde(n). Dat geldt nog sterker wanneer aan de gedaagden verschillende verwijten worden gemaakt, in welk geval per definitie nooit een verweer gevoerd zal worden dat inhoudelijk gezien gelijkluidend is aan dat van een andere gedaagde.

De opbouw van de in deze zaak genomen conclusies is gelijk, waarbij de vermelding van de feiten op onderdelen deels gelijkluidend is en deels verschillend, afhankelijk van de rol van iedere gedaagde in het geheel. Na een behandeling en betwisting van alle verwijten van eiseressen en de door hen gestelde strafbare feiten wordt in de conclusies stilgestaan bij de overige verwijten die de betreffende gedaagde worden gemaakt.

Waar gedaagden dezelfde verwijten worden gemaakt, zijn de verweren inhoudelijk grotendeels gelijkluidend, waarbij gedaagden zich hebben beperkt tot de verwijten die ieder van hen afzonderlijk aangaan.

Verzoekers hebben subsidiair aangevoerd dat de heffing van het griffierecht in deze zaak op gespannen voet staat met het (Europese) recht op toegang tot de rechter (artikel 6 lid 1 EVRM) aangezien een griffierecht dat in geen enkele verhouding staat tot de tijd en inspanning, die voor de behandeling van de zaak is vereist, blijkens rechtspraak van het Europese Hof eerder excessief is en een belemmering vormt voor de toegang tot de rechter.

Verzoekers beroepen zich voorts op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in dit geval het materieel zorgvuldigheidsbeginsel, toegespitst op het proportionaliteitsbeginsel, daar de met het griffierecht te dienen doel in een onevenredige verhouding staat tot de lasten van het geheven griffierecht.

Indien het beroep van verzoekers op artikel 3 lid 1 Wtbz niet slaagt, moet de beslissing van de griffier als genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid worden aangemerkt.

Indien de conclusies van gedaagden als één stuk zouden zijn ingediend, waarmee het voor de rechtbank bepaald niet eenvoudiger was geworden deze omvangrijke zaak te beoordelen, zou namelijk lechts EUR 4.732,- in rekening zijn gebracht.

3.3. standpunt van verweerder

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, noch op grond van een taalkundige benadering, volgens welke de term “gelijkluidend” moet worden opgevat als “gelijk van inhoud” of “van gelijke of nagenoeg gelijke betekenis”, noch gelet op de ratio van de bepaling van artikel 3 lid 1Wtbz, wat betreft de toegezonden zeven conclusies sprake is van (het nemen van) gelijkluidende conclusies. De ratio van genoemd artikellid is er volgens de griffier in gelegen dat ingeval van niet gelijkluidende conclusies van antwoord sprake is van verschillende verweren die de rechter afzonderlijk moet beoordelen.

De vraag of sprake is van conclusies van gelijke inhoud of van nagenoeg gelijke betekenis in het licht van de ratio van de in geding zijnde wettelijke bepaling moet worden beantwoord aan de hand van de inhoud van de conclusies. Daarbij geeft de omvang (in pagina’s) van de afzonderlijke conclusies in dit geval reeds een rechtvaardiging voor de conclusie dat sprake is van inhoudelijk verschillende conclusies.

De feitelijke grondslag van de verweren van de onderscheiden verzoekers is volgens de griffier niet gelijk, in aanmerking genomen de feitenweergave en de diverse rechtsgronden waarop de vorderingen stoelen, in samenhang met de verweren van verzoekers. Daarbij is ook de (verschillende) hoedanigheid waarin verzoekers bij het geschil zijn betrokken van belang. Rekening houdende daarmede heeft de griffier, na vergelijking van de in zijn pleitnota nader genoemde delen van de conclusies van antwoord van de zeven verzoekers, geconcludeerd dat evident sprake is van verschillende feitelijke verweren.

De griffier heeft bij de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat uit artikel 3 lid 1 Wtbz niet volgt dat dit artikel slechts dan van toepassing is indien (verschillende) conclusies zijn vervat in één schriftelijk stuk. Het is voor de rolgriffier echter niet wel doenlijk om in het geval dat een conclusie van antwoord wordt ingediend namens meer dan één gedaagde en er per gedaagde te onderscheiden verweren in die conclusie zijn opgenomen, die conclusie te doorgronden op de vraag of mogelijk sprake is van al dan niet gelijkluidende conclusies. In dat geval brengt de rolgriffier uit coulance het enkele vastrecht voor één conclusie in rekening.

De griffier heeft het standpunt van verzoekers dat het voor de rechtbank eenvoudiger en overzichtelijker is om het geschil te beoordelen indien de conclusies elk afzonderlijk worden opgesteld en ingediend, weersproken.Volgens de griffier betekent deze handelwijze meer behandeltijd dan in het geval van een samengestelde conclusie met de algemene en specifieke verweren van de gedaagden.

3.4. motivering

3.4.1. Bij de beoordeling van het verzet moet uitgangspunt zijn dat de griffier bij een beschikking waarbij op grond van de Wtbz vast recht wordt vastgesteld aan het stelsel van de wettelijke regels gebonden is en dat deze wet geen bepaling bevat die hem toestaat daarvan in bijzondere gevallen af te wijken. Hoewel de griffier blijkens artikel 1:1 lid 2 onder g Algemene wet bestuursrecht geen bestuursorgaan is in de zin van dat artikel, zal de beschikking van de griffier worden getoetst aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit strookt met de maatstaven die in het algemeen ter zake van een redelijke rechtsbescherming tegen de overheid worden aanvaard terwijl deze beginselen hier tevens kunnen worden gezien als een met de aard van de verbintenis jegens de Staat ter zake van het door deze geheven griffierecht samenhangend uitvloeisel van de voor verbintenissen in het algemeen geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Bij toetsing aan deze algemene beginselen moet worden gelet op de omstandigheden van het geval.

3.4.2. De rechtbank is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van de omstandigheid waarin op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 Wtbz voor het nemen van gelijkluidende conclusies slechts éénmaal het vast recht is verschuldigd niet doorslaggevend is de wijze waarop de als gelijkluidend aan te merken conclusies per eiser of gedaagde zijn ingediend. Met andere woorden, genoemd artikellid strekt er niet toe dat, indien sprake is van niet verschillende conclusies van te onderscheiden gedaagden, deze conclusies in één schriftelijk stuk moeten worden genomen, teneinde als gelijkluidende conclusies voor de eenmalige vaststelling van het vastrecht in aanmerking te komen. In zoverre volgt de rechtbank het, overigens door de griffier niet weersproken, standpunt van verzoekers. Het feit dat in deze zaak door verzoekers elk afzonderlijk een conclusie is ingediend, brengt daarom op zich nog niet mee dat voor elke afzonderlijke conclusie per gedaagde het vastrecht is verschuldigd.

3.4.3. De rechtbank volgt de griffier in zijn standpunt dat voor de toetsing aan artikel 3 lid 1 Wtbz de inhoud van de conclusies van de (verschillende) gedaagden bepalend is voor de beslissing omtrent het verschuldigde vastrecht. Bovendien acht zij de door de griffier gekozen benadering van de term “gelijkluidend”, ertoe strekkende dat hieronder wordt verstaan “gelijk van inhoud” of “van gelijke of nagenoeg gelijke betekenis” onjuist noch onredelijk, zowel bezien op zichzelf als taalkundige interpretatie als ook in het licht van een teleologische benadering van de toepasselijke wetsbepaling.

De ratio van deze bepaling moet, gelet op de aard van het vastrecht als een van een procespartij te verlangen bijdrage in de met de verlangde rechtspraak gemoeide kosten, immers geacht worden erin te zijn gelegen dat, indien er naar inhoud verschillende conclusies worden genomen, dit meebrengt dat de beoordeling van die onderscheiden conclusies meer inzet van de rechtbank vergt dan een enkele conclusie of meerdere gelijkluidende conclusies.

3.4.4. Verzoekers hebben aangevoerd dat de zeven genomen conclusies inhoudelijk grotendeels hetzelfde zijn en zij hebben ter onderbouwing daarvan verwezen naar de opbouw van de onderscheiden zeven conclusies. Deze opbouw is volgen verzoekers telkens gelijk, maar de vermelding van de feiten is, afhankelijk van de rol van iedere gedaagde in het geheel, evenals de verweren van de gedaagden tegen de hen specifiek betreffende verwijten uit de dagvaarding, verschillend.

3.4.5. Ervan afgezien dat verzoekers’ standpunt reeds inhoudt dat een verweer van één van meer gedaagden dat afhankelijk is van hetgeen elke individuele gedaagde door een eiser wordt verweten, per definitie niet tot een inhoudelijk gelijkluidend verweer van alle gedaagden zal leiden, en daarmee naar het oordeel van de rechtbank reeds tot de vaststelling moet leiden dat geen sprake is van gelijkluidende conclusies, volgt de rechtbank verzoekers niet in hun standpunt dat het grootste gedeelte van de conclusies in het licht van artikel 3 lid 1 Wtbz gelijkluidend is. Dat gedeelten van de teksten van de conclusies overeenkomen, neemt niet weg dat de rechtbank zich zal moeten buigen over de verschillende inhoud van elk der onderscheiden conclusies ter zake van het op de desbetreffende gedaagde toegespitste verweer.

3.4.6. De conclusies beschouwende aan de hand van de door de griffier ter zitting naar voren gebrachte elementen van de feitelijke grondslag als feiten en rechtsgronden, waarop de jegens de gedaagden ingestelde vorderingen stoelen –en waartegen de verweren zijn geschreven– volgt de rechtbank de griffier in zijn standpunt dat sprake is van evidente verschillen in de genomen conclusies. Dit geldt zeker voor zover de gedaagden met een verschillende hoedanigheid als partij in het geschil zijn betrokken en hen op basis daarvan onderscheiden verwijten worden gemaakt, maar ook wat betreft gedaagden waarvan de hoedanigheden vergelijkbaar lijken en de verwijten in dezelfde lijn zijn geformuleerd –zoals bij gedaagden GNP Ventures B.V. en Essential Legal & Management Support B.V. of bij gedaagden [verzoeker sub 6] en [verzoeker sub 7]– doch eveneens blijkt van verschillen in de feiten en verweren.

3.4.7. Voor de berekening van het vastrecht heeft de griffier zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat artikel 3 lid 1 Wtbz niet van toepassing is en heeft hij bij het berekenen van het vastrecht terecht toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2 lid 1 en lid 2 sub 2 onder d van de Wtbz.

3.4.8. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat de beslissing van de griffier op gespannen voet staat met het recht op toegang van de rechter als gewaarborgd in artikel 6 EVRM is de rechtbank van oordeel dat de beslissing omtrent het vastrecht in dit geval geen beperking inhoudt waardoor bedoeld recht in de kern wordt aangetast. Verzoekers’ betoog dat het in rekening gebracht bedrag in geen enkele verhouding staat tot de tijd en inspanning die de behandeling van de zaak vergt, wijst de rechtbank van de hand. In de eerste plaats omdat verzoekers in hun benadering het per gedaagde verschuldigde vastrecht ten onrechte cumuleren waar het naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de gestelde gelijkluidendheid van de conclusies heeft overwogen, sprake is van op zichzelf staande conclusies van te onderscheiden rechts- en natuurlijke personen. De vraag of een beperking van het recht van toegang tot de rechter aan de orde is, dient dan ook per gedaagde onder ogen te worden gezien. Daarvan uitgaande wordt in de tweede plaats vastgesteld dat in de Wtbz door de wetgever is voorzien in een differentiatie naar zaakscategorieën, in een onderscheid naar natuurlijke en rechtspersonen en in de mogelijkheid van toegevoegde rechtsbijstand. De hoogte van de vordering is voorts bepalend voor het vastrecht. Dit in acht nemende kan niet gesteld worden dat (de hoogte van het) vastrecht voor gedaagden een beperking van vorenbedoeld recht meebrengt.

3.4.9. Verzoekers’ beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name op het beginsel van proportionaliteit slaagt evenmin. Afgezien van de proportionaliteit die de wetgever reeds in de Wtbz in acht heeft genomen, is de ratio van het vastrecht erin gelegen dat degenen die, zoals gedaagden, wensen te procederen een tegenprestatie leveren voor het gebruik dat zij maken van de rechtspraak voor beslechting van een geschil. Aangezien met het in een procedure door zeven gedaagden indienen van zeven niet gelijkluidende conclusies een navenant groter beroep op de rechtbank wordt gedaan, acht de rechtbank een hogere bijdrage aan vastrecht als in casu van gedaagden geheven ongerechtvaardigd noch onredelijk.

3.4.10. De rechtbank acht de heffing van het vastrecht volgens de beslissing van de griffier naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geenszins onaanvaardbaar. Verzoekers baseren hun tegengesteld standpunt hieromtrent op een vergelijking van de bestreden heffing met de heffing van een éénmalig vastrecht, indien de afzonderlijke conclusies samengebonden in één stuk zouden zijn ingediend. In aansluiting op hetgeen reeds onder 3.4.2. en 3.4.3. is overwogen, overweegt de rechtbank dat de vereiste inhoudelijke toetsing van de conclusies in het licht van artikel 3 lid 1 Wtbz zich in dit geval eveneens zou hebben verzet tegen zo’n eenmalig vastrecht.

3.4.11. Niettegenstaande het voorgaande geldt in dit geval dat de rolgriffier de procureur van verzoekers de vorenbedoelde optie voor het nemen van de conclusies daadwerkelijk heeft voorgehouden. De advocaten van verzoekers, door de procureur op de hoogte gesteld van de door de rolgriffier vooraf kenbaar gemaakte voorgenomen heffing van het vastrecht, hebben om hen moverende redenen van processtrategie na korte raadpleging van hun cliënten echter volhard in het nemen van de afzonderlijke conclusies.

3.4.12. Op grond van het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de slotsom dat de griffier bij het berekenen van het vastrecht een juiste maatstaf heeft aangelegd en op grond daarvan op juiste wijze het vastrecht in rekening heeft gebracht, alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daarbij niet heeft geschonden. De rechtbank acht het verzet ongegrond.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. verklaart het verzet ongegrond;

4.2. veroordeelt verzoekers in de kosten van het verzet, voor zover op heden aan de zijde van de griffier gevallen, bepaald op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th.A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2007.