Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC1633

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-12-2007
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
Awb 07/858
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser een straf opgelegd in de vorm van vermindering van het recht op jaarlijks verlof met 32 uur, alsmede een aantal (disciplinaire) maatregelen.

Verweerder is op grond van de opgelegde loonbeslagen en de aanhouding bij de alcoholcontrole tot de bevinding gekomen dat het belang van de dienst de op grond van artikel 64 van het Barp getroffen maatregelen vorderde, juist gezien het feit dat eiser een leidinggevende positie had binnen zijn basiseenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/858

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. W. de Klein, juridisch adviseur bij de Nederlandse Politie Bond te Woerden,

en

de korpsbeheerder van de Regiopolitie [regio],

gevestigd te Lelystad, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006, uitgereikt op 11 oktober 2006, heeft verweerder eiser een straf opgelegd in de vorm van vermindering van het recht op jaarlijks verlof met 32 uur, alsmede een aantal (disciplinaire) maatregelen.

Tegen dit besluit is op 22 november 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 18 april 2007 is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 30 mei 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 28 augustus 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 20 november 2007 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.W.L. van Limbeek.

2. Overwegingen

Tussen partijen is in geding of verweerders besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is sinds 1 januari 2001 werkzaam bij de regiopolitie [regio]. Sedert 1 januari 2002 vervult hij de functie van groepschef op de basiseenheid [standplaats 1], en heeft hij de rang van inspecteur van politie.

Op 1 mei 2003 heeft de belastingdienst Utrecht-Gooi beslag gelegd op het loon van eiser wegens twee maal niet betaalde motorrijtuigenbelasting in 2002.

Op 19 mei 2003 heeft het korps bericht ontvangen dat de vordering op eiser was ingetrokken, waarna de beoogde inhouding is geannuleerd.

Op 29 april 2005 heeft de belastingsdienst Utrecht-Gooi beslag op het loon van eiser gelegd wegens niet betaalde Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen.

Op 2 november 2005 heeft de gemeente Nieuwegein beslag op het loon van eiser gelegd wegens het niet betalen van aanslagen, nadat eiser een dwangbevel met bevel tot betaling was betekend.

Op 17 mei 2006 is op verzoek van de commissaris van politie [regio] waarnemend DC rapport uitgebracht naar aanleiding van een ingesteld disciplinair onderzoek.

Eiser is op 19 mei 2006 aangehouden bij een alcoholcontrole, waarbij is vastgesteld dat eiser reed onder invloed. De uitslag van de afgenomen ademanalyse bedroeg 685 ugl (1,55 ‰), terwijl de toegestane norm 220 ugl bedraagt. Omdat het alcoholpercentage in de adem van eiser boven de 570 ugl was is zijn rijbewijs ingenomen door de politie van Utrecht.

Op 9 juni 2006 is rapport uitgebracht naar aanleiding van een op verzoek van de waarnemend districtchef Zuid van de politie [regio] ingesteld disciplinair onderzoek.

Op 17 augustus 2006, uitgereikt op 31 augustus 2006 is aan eiser het voornemen bekend gemaakt hem eenmalig de straf van vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met 32 uur op te leggen, als bedoeld in artikel 77, lid 1, onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (verder te noemen: Barp).

Bij schrijven van dezelfde datum heeft verweerder eiser eveneens het voornemen bekend gemaakt eiser disciplinaire maatregelen op te leggen, bestaande uit

- wijziging van eisers rang van inspecteur van politie in de van brigadier;

- wijziging van eisers functie van groepschef in die van senior medewerker basiseenheid; en

- wijziging van eisers plaats van tewerkstelling in district Noord.

Bij besluiten van 26 september 2006 heeft verweerder conform de in de brieven van 17 augustus 2007 verwoorde voornemens besloten, waarbij is aangegeven dat de plaats van tewerkstelling in het district Noord de basiseenheid [standplaats 2] zal zijn.

De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 22 november 2006 tegen deze besluiten bezwaar aangetekend.

Op 13 februari 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden voor de bezwaarschriften-commissie politie [regio] (de commissie), waarna de commissie op 1 maart 2007 advies heeft uitgebracht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de opgelegde disciplinaire straf, in navolging van het advies van de commissie, ongegrond verklaard, en het bezwaar tegen de opgelegde disciplinaire maatregelen, in afwijking van het advies van de commissie, eveneens ongegrond verklaard.

Het namens eiser ingestelde beroep richt zich tegen de, in afwijking van het advies van de commissie, ongegrondverklaring van het bezwaarschrift tegen de opgelegde disciplinaire maatregelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is de politieambtenaar, wanneer het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een andere dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

Verweerder is op grond van de opgelegde loonbeslagen en de aanhouding bij de alcoholcontrole tot de bevinding gekomen dat het belang van de dienst de op grond van artikel 64 van het Barp getroffen maatregelen vorderde, juist gezien het feit dat eiser een leidinggevende positie had binnen zijn basiseenheid. Eiser was daarnaast ook hulpofficier van Justitie en als zodanig heeft hij ook mensen aangehouden en in verzekering gesteld in verband met overtredingen van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Vervolgens is eiser zelf aangehouden op grond van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet.

Dit geheel overziende is verweerder van oordeel dat het noodzakelijk in eiser te stellen vertrouwen beschaamd is en dat hij door zijn handelen het aanzien van de politie [regio] schade toegebracht heeft.

Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 november 2001, gepubliceerd in TAR 2002/53, LJN AD9035, is verweerder van mening dat eiser niet langer kan waarborgen aan de vereisten van integriteit en betrouwbaarheid volledig en blijvend te kunnen voldoen en dat de loonbeslagen en de invorderingsmaatregelen, al dan niet gezamenlijk met de overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet de grondslag kunnen vormen om eisers rang en functie te wijzigen.

Uit de tekst van artikel 64 van het Barp blijkt dat voorafgaande aan het opleggen van maatregelen op grond van dit artikel een belangenafweging dient plaats te vinden.

Niet gebleken is van een dergelijke belangenafweging. In het bestreden besluit heeft verweerder wel aangegeven wat het belang van de dienst is, maar geen afweging gemaakt ten opzichte van de belangen van eiser.

De rechtbank is in navolging van de commissie van oordeel dat de overplaatsing op zich nog wel verdedigbaar is, maar dat niet gebleken is dat het dienstbelang tevens vorderde dat ook de rang en functie van eiser gewijzigd diende te worden.

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep snijdt geen hout, nu in die casus sprake was van een ten uitvoer gebracht voorwaardelijk ontslag omdat de betrokkene bij herhaling geen gevolg geven aan het bevel de financiële verplichtingen na te komen, hetgeen geleid heeft tot meerdere derdenbeslagen. De betrokkene in die casus had bijvoorbeeld nagelaten zijn werkgever op de hoogte te brengen van een op handen zijnde executoriaal derden beslag in verband met de verschuldigheid van ruim ƒ 50.000,-- (€ 22.689.--).

De in die uitspraak beschreven casus is op geen enkele wijze te vergelijking met onderhavige casus, zeker gelet op het feit dat in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep sprake was van een veel groter aantal loonbeslagen voor veel hogere bedragen.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit een voldoende motivering ontbeert, en derhalve wegens strijd met het motiveringsbeginsel vernietigd dient te worden.

Hieruit volgt dat het beroep van eiser gegrond wordt verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 143,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,--;

- wijst de Regiopolitie [regio] aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W. Akkerman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-vanArnhem als griffier, op 27 december 2007

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.