Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC1476

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
137205 - KG ZA 07-440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft drie paarden weggenomen van derde. Voorzieningenrechter oordeelt dat voorshands niet voldoende aannemelijk is dat gedaagde eigenaar van deze paarden is. Vordering tot afgifte van paarden aan derde, waar deze paarden zich bevonden ter voorbereiding op een keuring, wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137205 / KG ZA 07-440

Vonnis in kort geding van 9 oktober 2007

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser],

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. D.C. Poiesz te Sneek,

tegen

[gedaagde], handelende onder de naam [bedrijf],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J. Peute.

Partijen zullen hierna de [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 10 producties

- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Peute toegezonden 10 producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De [eiser] houdt zich bedrijfsmatig bezig met het trainen van paarden en het voorbereiden van paarden op paardenkeuringen. Een dergelijke voorbereiding neemt ongeveer twee maanden in beslag. Gedurende deze periode verblijven de paarden in de stallen van de [eiser] aan de [adres] te [woonplaats].

2.2. In de tweede helft van 2005 heeft [gedaagde] drie hengsten (Quint G., Sander F. en Rein F., hierna: de drie hengsten) gekocht van derden. De heer F. [Meneer X] (hierna: [Meneer X]) heeft vervolgens belangstelling getoond voor de drie hengsten.

2.3. De [eiser] heeft in opdracht van [Meneer X], op 4 september 2007 de drie hengsten opgehaald en in haar stallen ondergebracht ter voorbereiding op een paardenkeu-ring.

2.4. Op 12 september 2007 heeft [gedaagde] de drie hengsten uit de stallen van de [eiser] doen wegnemen en vervoeren naar zijn stalling aan de [adres] 1, te [woonplaats].

2.5. Bij e-mailbericht van 12 september 2007 heeft [gedaagde], voor zover van belang, aan [Meneer X] het navolgende bericht:

“Op 16 maart jl. hebben [mijn vrouw] en ik u bezocht en zijn toen met u in bespreking geweest over de problematiek rond Warn. (..)

Helaas had u tot 16 maart 2007 geen enkele reactie hierop gegeven en zowel [mijn vrouw] als ik waren verheugd dat wij tijdens deze genoemde bespreking samen tot een gedeeltelijke oplossing van genoemd probleem zijn gekomen.

De overeenkomst tussen u en [mijn vrouw] en mij betrof de ontbinding van de koop van de drie veulens die u van mij had gekocht eind 2005, te weten: Quint G., Sander F. en Rein F. De koop werd ontbonden per begin september 2007 zodat de drie genoemde hengsten vanaf dat moment weer volledig in eigendom waren van ons. (..)”

2.6. Bij beschikking van 17 september 2007 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden verlof verleend tot het doen leggen van conservatoir beslag op de drie hengsten. Op 18 september 2007 heeft gerechtsdeurwaarder P.M. Braakman gepoogd de drie hengsten in beslag te nemen. Het exploot vermeldt, voor zover van belang, dienaangaande:

“[gedaagde] voornoemd deelde mee dat hij met de in voormeld verzoekschrift genoemde heer [Meneer X] in het kader van een schadevergoeding heeft afgesproken dat de in het verzoekschrift genoemde drie paarden door [Meneer X] in september 2007 weer aan hem in eigendom zouden worden overgedragen, hetgeen nog niet was gebeurd. [gedaagde] voornoemd deelde voorts mee dat toen hij onlangs vernam dat de paarden naar het bedrijf van [de [eiser]] waren verplaatst hij die paarden aldaar heeft doen ophalen. (..).

Die paarden zijn, volgens zeggen van R. van ’t Oever voornoemd, afgelopen vrijdag door hem voor een bovengemiddelde koopprijs aan een derde verkocht en geleverd.(..)

De in voormeld verzoekschrift omschreven paarden zijn niet door mij aangetroffen”

3. Het geschil

3.1. De [eiser] vordert - na vermeerdering van eis ter zitting - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal bepalen dat [gedaagde] binnen één dag na dit vonnis over dient te gaan tot teruggave van de drie hengsten Quint G., Sander F. en Rein F. door deze in goede conditie af te leveren bij de stallen van de [eiser] gelegen aan de [adres] te [woonplaats], op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,-- per hengst per dag indien [gedaagde] met het vorenstaande in gebreke blijft;

2. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding, de kosten van het beslag daaronder begrepen.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Zijn conclusie strekt ertoe dat de [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, althans deze worden afgewezen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van een spoedeisend belang van de [eiser] bij haar vorderingen is voldoende gebleken.

4.2. De [eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de drie hengsten op onrechtmatige wijze heeft weggenomen. Zij had en heeft geen reden om te veronderstellen dat [Meneer X] niet de eigenaar van de drie hengsten was. Indien [gedaagde] meent dat hij eigenaar van de drie hengsten is, dient hij zich te wenden tot [Meneer X] en/of de drie hengsten in conservatoir beslag te nemen. Met het onrechtmatig wegnemen van de hengsten is het traject van keuring en belering onderbroken, hetgeen meebrengt dat zij haar contractuele verplichtingen jegens [Meneer X] niet (volledig) kan nakomen.

4.3. [gedaagde] voert aan dat het wegnemen van de drie hengsten niet onrechtmatig is geweest. Hoewel tussen [Meneer X] en [gedaagde] langdurig is onderhandeld over de aankoop van de drie hengsten door [Meneer X] van [gedaagde], is uiteindelijk nooit een koopovereenkomst tot stand gekomen. Met [Meneer X] is op 16 maart 2007 afgesproken dat deze koopovereenkomst niet meer tot stand zou komen, en dat de drie hengsten definitief eigendom zouden blijven van [gedaagde]. Een en ander gebeurde ter compensatie van het verlies dat [gedaagde] heeft geleden in verband met de koop van de hengst Warn van [Meneer X], die voor wat betreft het bevruchtend vermogen niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Omdat [gedaagde] eigenaar is mocht hij de drie hengsten rechtmatig onder zich nemen, aldus [gedaagde].

4.4. Kernvraag van het geschil is aldus of er een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [Meneer X] en [gedaagde]. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog vanuit dat zulks het geval is. Het bestaan van deze koopovereenkomst valt af te leiden uit het e-mailbericht van 12 september 2007, genoemd in rechtsoverweging ?2.52.5., van [gedaagde]. De stelling van [gedaagde], dat het e-mailbericht tijdens zijn afwezigheid is opgesteld door zijn zoon en dat daardoor sprake is van een ongelukkige / onjuiste woordkeuze waaraan niet de conclusie kan worden verbonden dat eind 2005 wel een koopovereenkomst tot stand is gekomen, wordt niet gevolgd. Hierbij is van belang dat, zoals ter zitting door [gedaagde] is aangegeven, zijn zoon bij het opstellen van het e-mailbericht door hem is geïnstrueerd ten aanzien van het vermelden van het gesprek dat op 16 maart 2007 zou hebben plaatsgevonden. Gelet hierop moet er vanuit worden gegaan dat de zoon van [gedaagde] ten aanzien van de volledige inhoud van het e-mailbericht door [gedaagde] is geïnstrueerd en is niet aannemelijk dat op een zo wezenlijk onderdeel sprake zou zijn van een ‘ongelukkige woordkeuze’. Daarnaast is van belang dat niet valt in te zien waarom [gedaagde] ter compensatie van de (beweerdelijk) door hem geleden schade in verband met de hengst Warn, genoegen zou hebben genomen met het afzien van [Meneer X] van aankoop van de drie hengsten. Dat [Meneer X] een recht van koop of een andere rechtsgeldige aanspraak op de drie hengsten had is immers gesteld noch gebleken.

Het bestaan van de overeenkomst wordt voorts bevestigd door de door [gedaagde] zelf aan de deurwaarder afgegeven en onder ?2.6 genoemde verklaring dat de drie hengsten "weer aan hem in eigendom zouden worden overgedragen, hetgeen nog niet was gebeurd".

4.5. Gelet op het voorgaande gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat [Meneer X] eigenaar is van de drie hengsten. De omstandigheid dat nooit een eigendomsoverdracht van de drie hengsten is gemeld bij de Koninklijke vereniging ‘Het Friesch Paarden-Stamboek’ en de drie hengsten daar nog staan geregistreerd op naam van [gedaagde] doet aan het voorgaande niet af. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals door de [eiser] ter zitting naar voren is gebracht, deze registratie eerst wordt aangepast wanneer de originele eigendomsbewijzen naar deze vereniging worden gezonden met het verzoek de tenaamstelling te wijzigen. Hiervoor is medewerking van de overdragende partij nodig. Het is dus heel wel mogelijk dat sprake is van een rechtsgeldige eigendomsoverdracht zonder dat de tenaamstelling, zoals gemeld aan voornoemde vereniging, is gewijzigd.

4.6. Het door [gedaagde] zonder recht wegnemen van de drie hengsten is (ook) jegens de [eiser] in haar hoedanigheid van houdster onrechtmatig nu zij daardoor niet langer in staat is haar contractuele verplichtingen jegens [Meneer X] na te komen. Hiermee is tevens het belang van de [eiser] gegeven bij beëindiging van het voortduren van de onrechtmatige situatie. [gedaagde] dient de drie hengsten dan ook terug te geven.

4.7. Ter zitting is door [eiser] gesteld dat hij, kort na de poging beslag te leggen op de drie hengsten, telefonisch contact heeft gehad met [gedaagde] en dat [gedaagde] daarbij meedeelde dat hij de drie hengsten al had verkocht aan een derde. Op de vraag van [eiser] of hij de drie hengsten niet zo kon terugkopen, zou [gedaagde] hebben geantwoord: “Ja, ik kan ze zo terugkopen”. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] de drie hengsten heeft verkocht, vormt dat geen aanleiding de vordering af te wijzen.

4.8. Het onder 1 gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat zal worden bepaald dat [gedaagde] binnen één week na de betekening van dit vonnis over dient te gaan tot teruggave van de drie hengsten, met matiging van de gevorderde dwangsom tot EUR 2.500,00 per dag per hengst en tot een maximum van EUR 15.000,00 per hengst.

4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.225,85

4.10. De vordering tot betaling van de kosten, gemoeid met de poging tot beslaglegging op 18 september 2007 tot een bedrag van EUR 150,-- (de kosten van het deurwaardersexploot) is door [gedaagde] niet weersproken en zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis over te gaan tot teruggave van de drie hengsten Quint G., Sander F. en Rein F., door deze in goede conditie bij de stallen van de [eiser] aan de [adres], te [woonplaats], af te leveren,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij na betekening van dit vonnis in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan de [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,00 per hengst, tot een maximum van EUR 15.000,00 per hengst;

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, begroot op EUR 150,00,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de [eiser] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.225,85,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2007.