Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BC0341

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
Awb 06/1187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het voor het subsidiejaar 2005 aan budgetsubsidie verleende bedrag van maximaal € 213.465,-- , voor de uitvoering van werkzaamheden op de in het kader van de uitvoeringsfunctie monumentenzorg en archeologie, de helpdesk- en platformfunctie, de product- en initiatiefontwikkeling cultuurhistorie en de steun aan stichtingen, vermeerderd dient te worden met BTW. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze werkzaamheden niet BTW-plichtig zijn en dat derhalve geen grond bestaat voor vermeerdering van dit bedrag met BTW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/1187

Uitspraak

in het geding tussen:

De vereniging Het Oversticht,

gevestigd te Zwolle, eiseres,

gemachtigde: mr. T.W. Amsing, juridisch adviseur te Zwolle,

en

het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2005, verzonden op 25 juli 2005, heeft verweerder besloten om eiseres een budgetsubsidie voor het jaar 2005 te verlenen van maximaal € 213.465,--.

Tegen dit besluit is op 2 september 2005 een bezwaarschrift ingediend.

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is op 13 februari 2006 een hoorzitting gehouden, waarbij eiseres in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift tegenover de hoorcommissie mondeling toe te lichten.

Vervolgens is het bezwaarschrift bij besluit van 28 maart 2006, kenmerk BA/2005/2293, nr. A’05-133, ongegrond verklaard.

Op 4 mei 2006 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 31 januari 2007. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. J. Jansen, directeur, en drs. M.C. Assink, stafmedewerker beleid, bijgestaan door mr. T.W. Amsing en mr. A. Zellen, juridisch adviseurs bij Deloitte Belastingadviseurs te Zwolle. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Vrielink, teamleider Zorg en Cultuur, mw A.I. van der Vecht en de heer H.J. Klinker, bijgestaan door mr. P. Tikken, senior manager bij Price Waterhouse Coopers Accountants, te Zwolle.

De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 20 februari 2007 heropend. Bij brief van 20 februari 2007 heeft de rechtbank verweerder vragen gesteld, welke op 20 maart 2007 door verweerder zijn beantwoord. Eiseres heeft hierop bij brief van 10 april 2007 gereageerd.

Bij brief van 30 mei 2007 heeft de rechtbank partijen gevraagd of zij er mee instemmen dat uitspraak wordt gedaan zonder nadere behandeling ter zitting. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten.

2. Overwegingen

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Eiseres is een vereniging die zich ondermeer bezig houdt met monumentenzorg en archeologie in de provincie Overijssel. Eiseres ontvangt reeds vele jaren subsidie van verweerder ten behoeve van door haar te verrichten werkzaamheden.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het voor het subsidiejaar 2005 aan budgetsubsidie verleende bedrag van maximaal € 213.465,-- , voor de uitvoering van werkzaamheden op de in het kader van de uitvoeringsfunctie monumentenzorg en archeologie, de helpdesk- en platformfunctie, de product- en initiatiefontwikkeling cultuurhistorie en de steun aan stichtingen, vermeerderd dient te worden met BTW. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze werkzaamheden niet BTW-plichtig zijn en dat derhalve geen grond bestaat voor vermeerdering van dit bedrag met BTW.

De rechtbank overweegt dat de vraag of het toegekende subsidiebedrag vermeerderd moet worden met BTW afhankelijk is van de vraag of het als subsidie benoemde bedrag onder de in artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven omschrijving valt.

Artikel 4:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Anders dan namens eiseres is betoogd volgt uit het bepaalde in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb niet dat iedere activiteit die de overheid door een derde laat uitvoeren en waarvoor financiële middelen worden verstrekt, reeds daarom als opdracht – in de zin van artikel 7:400, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) – en daarom niet als subsidie, zou moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zou een dergelijke uitleg van artikel 4:21, eerste lid, van de Awb tot een verregaande inperking van het subsidiebegrip van de Awb leiden, welke redelijkerwijs niet door de wetgever kan zijn bedoeld.

De rechtbank stelt vast dat artikel 4:21, eerste lid, van de Awb geen criteria bevat aan de hand waarvan kan worden bepaald of een bepaalde activiteit moet worden aangemerkt als subsidie dan wel als opdracht. De beantwoording van de vraag of sprake is van met het oog op bepaalde activiteiten van eiseres verstrekte financiële middelen, anders dan als betaling voor aan verweerder geleverde goederen of diensten, is daarom afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden. Of een bepaalde activiteit moet worden aangemerkt als subsidie dan wel als opdracht zal per onderdeel van de toegekende budgetsubsidie moeten worden bezien.

De rechtbank heeft verweerder, bij brief van 20 februari 2007, verzocht om voor wat betreft de in de aanvraag van 10 november 2004 genoemde punten 2 tot en met 4 per onderdeel afzonderlijk de volgende vragen te beantwoorden:

- Was in het subsidiejaar 2005 sprake van een wettelijke taak voor de provincie om deze werkzaamheden te verrichten ? Zo ja, was sprake van medebewind ?

- Heeft de provincie deze werkzaamheden eerder zelf verricht, voordat eiseres deze werkzaamheden is gaan verrichten ?

- Hoe is de verhouding tussen de te leveren prestatie en de betaling ? Ontvangt eiseres, voor zover u bekend, voor deze werkzaamheden ook gelden van derden ?

- Welk belang wordt met deze werkzaamheden gediend ? Worden tevens belangen van derden gediend ?

- Hoe is de verplichting tot nakoming geregeld ?

- Bestaat de mogelijkheid van (tussentijdse) bijsturing ? Zo ja, hoe is dit geregeld ?

- Wie heeft het initiatief genomen voor de aanvraag van subsidie voor deze werkzaamheden ?

Verweerder heeft deze vragen bij brief van 20 maart 2007 beantwoord, waarna eiseres nog heeft gereageerd bij brief van 10 april 2007.

De rechtbank zal, per onderdeel van de toegekende budgetsubsidie over het jaar 2005, beoordelen of de activiteit waarvoor subsidie is toegekend moet worden aangemerkt als subsidie dan wel als opdracht.

Voor wat betreft de door eiseres uitgevoerde taken in het kader van de uitvoeringsfunctie monumentenzorg en archeologie (= punt 2) overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het eerste onderdeel van dit punt betrekking heeft op het uitvoeren van het Provinciaal Restauratie en Uitvoeringsprogramma (PRUP) in het kader van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997. De rechtbank constateert dat sprake was van een wettelijke taak voor de provincie om deze werkzaamheden te verrichten. In 2005 was sprake van medebewind door de provincie als budgethouder voor de uitvoering van restauraties aan rijksmonumenten. Het laten uitvoeren van werkzaamheden in het kader van deze taak door eiseres moet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook worden aangemerkt als opdracht, in de zin van artikel 7:400, eerste lid, van het BW. De toekenning van gelden ten behoeve van de uitvoering van deze taak moet daarom worden gezien als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde diensten, zoals omschreven in de laatste bijzin van artikel 4:21, eerste lid, van de Awb. Niet deugdelijk gemotiveerd is waarom het ten behoeve van dit onderdeel toegekende bedrag niet vermeerderd dient te worden met BTW.

Voor wat betreft de overige onderdelen van punt 2 was, naar het oordeel van de rechtbank, in 2005 geen sprake van uitvoering van aan de provincie opgedragen wettelijke taken. Gebleken is dat het beheer van het provinciaal archeologisch depot thans weliswaar wettelijk is opgedragen aan verweerder, maar dat dit in 2005 nog niet het geval was. Tevens acht de rechtbank van belang dat kennis en expertise, voor wat betreft deze overige onderdelen van punt 2, volledig en rechtstreeks ten goede kwamen aan derden. Niet gebleken is dat voor een van de onderdelen van punt 2 sprake is van enig eigen belang van de provincie, los van het door de provincie te behartigen algemeen provinciaal belang. Voorts is niet gebleken dat eiseres, naast de door verweerder verleende subsidie, voor het verrichten van deze werkzaamheden tevens betaling van derden heeft ontvangen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat, voor wat betreft het tweede tot en met het zevende onderdeel van punt 2 van de budgetsubsidie, wel degelijk sprake is van verlening van subsidie, als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geweigerd om het ten behoeve van deze onderdelen toegekende bedrag te vermeerderen met BTW.

Voor wat betreft de door eiseres uitgevoerde taken in het kader van de helpdesk- en platformfunctie (= punt 3) overweegt de rechtbank als volgt.

De in het kader van dit punt door eiseres uitgevoerde werkzaamheden vinden niet plaats bij de uitvoering van een wettelijke taak van de provincie. De in het kader van dit punt uitgevoerde werkzaamheden komen volledig en rechtstreeks ten goede aan derden. Niet gebleken is dat voor een van de onderdelen van punt 3 sprake is van enig eigen belang van de provincie, los van het door de provincie te behartigen algemeen provinciaal belang. Dit rechtvaardigt de conclusie dat voor wat betreft punt 3 van de verleende budgetsubsidie wel degelijk sprake is van verlening van subsidie, als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geweigerd om het ten behoeve van deze onderdelen toegekende bedrag te vermeerderen met BTW.

Voor wat betreft de door eiseres uitgevoerde taken in het kader van product- en initiatievenontwikkeling cultuurhistorie (= punt 4) overweegt de rechtbank als volgt.

De in het kader van dit punt door eiseres uitgevoerde werkzaamheden vinden niet plaats bij de uitvoering van een wettelijke taak van de provincie. Voorts is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling van projecten en initiatieven voor de cultuurhistorie slechts ten dienste staat van de beleidsvorming binnen verweerders eigen organisatie. De rechtbank acht aannemelijk dat derden, waaronder scholen en gemeenten, maar ook particulieren, hier baat bij kunnen hebben. Niet gebleken is dat voor punt 4 sprake is van enig eigen belang van de provincie, los van het door de provincie te behartigen algemeen provinciaal belang. Dit rechtvaardigt de conclusie dat voor wat betreft punt 4 van de verleende budgetsubsidie wel degelijk sprake is van verlening van subsidie, als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geweigerd om het ten behoeve van deze onderdelen toegekende bedrag te vermeerderen met BTW.

Nu het bestreden besluit, voor wat betreft een onderdeel van de aan eiseres toegekende budgetsubsidie, niet berust op een deugdelijke motivering dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient het bestreden besluit, wegens het strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, als bepaald in het dictum gedeeltelijk, te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

De rechtbank zal de provincie Overijssel gelasten het door eiseres betaalde griffierrecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij is gehandhaafd dat het toegekende bedrag voor het uitvoeren van het Provinciaal Restauratie en Uitvoeringsprogramma (PRUP) niet vermeerderd dient te worden met BTW;

- gelast dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, voor wat betreft het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, opnieuw op het bezwaar beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,--, door de provincie Overijssel te betalen aan eiseres;

- gelast dat de provincie Overijssel aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van € 281,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. A. Oosterveld en mr. J.H.M. Hesseling, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op 4 december 2007

Afschrift verzonden op: 12 december 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.