Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB9745

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
Awb 07/975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft krachtens artikel 19 e, eerste lid, van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav) aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.000,-- wegens overtreding van het in artikel 2 van de Wav neergelegde verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/975

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mw. mr. J.J. Nicolaas, jurist bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft verweerder krachtens artikel 19 e, eerste lid, van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav) aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.000,-- wegens overtreding van het in artikel 2 van de Wav neergelegde verbod.

Tegen dit besluit is op 20 juni 2006 een bezwaarschrift ingediend. Eiseres heeft er van afgezien om te worden gehoord.

Bij het bestreden besluit van 14 mei 2007 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 19 juni 2007 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 30 augustus 2007 haar reactie op het verweerschrift kenbaar gemaakt.

Het beroep is op 23 oktober 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.H. Mungroop.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 2°, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

Artikel 2, eerste lid, van de Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav bepaalt dat het verbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Artikel 18 van de Wav bepaalt dat als beboetbaar feit wordt aangemerkt (onder meer) het niet naleven van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Artikel 19a, eerste lid, van de Wav bepaalt dat een daartoe door onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit. Het tweede lid bepaalt dat de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten, gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Artikel 19d, eerste lid, van de Wav bepaalt -voor zover van belang- dat de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk is aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,--. Ingevolge artikel 19d, derde lid, van de Wav, stelt de Minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Op 1 januari 2007 zijn de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (Stcrt. 2006, nr. 250) in werking getreden. In beleidsregel 1 van de Beleidsregels is vermeld dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt wordt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

In de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000,-.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Blijkens op ambtsbelofte opgemaakt boeterapport van 20 september 2005 heeft op dinsdag 28 juni 2005 door twee inspecteurs van de arbeidsinspectie een onderzoek plaatsgevonden bij de nieuwbouwwoning van eiseres op het adres [adres] te [woonplaats]. Deze inspecteurs hebben vastgesteld dat drie vreemdelingen met de Hongaarse nationaliteit arbeid verrichtten, bestaande uit het met riet bedekken van het dak van de garage. De vreemdelingen, genaamd [vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3], hebben verklaard werkzaam te zijn als zelfstandige.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Noordwest-Holland staat sedert 19 november 2004 op naam van [vreemdeling 1] de eenmanszaak ‘[naam] Rietdekkersbedrijf’ ingeschreven. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Noordwest-Holland staat sedert 14 september 2004 op naam van [vreemdeling 2] de eenmanszaak ‘[vreemdeling 2] Rietdekkersbedrijf’ ingeschreven. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Noordwest-Holland staat sedert 14 september 2004 op naam van [vreemdeling 3] de eenmanszaak ‘[vreemdeling 3] Rietdekkersbedrijf’ ingeschreven.

Via een door Winstar geplaatste advertentie op www.marktplaats.nl , luidende : “Aangeboden: Hongaarse rietdekkers” is eiseres in contact gekomen met de heer R. Brucker, werkzaam bij Winstar. De drie vreemdelingen hebben vervolgens, ieder voor zich, een offerte (voor 1/3 deel van de werkzaamheden) aan eiseres uitgebracht, die door eiseres is geaccepteerd. Eiseres heeft de vreemdelingen contant betaald voor de aanschaf van het riet. Voor de uitgevoerde werkzaamheden heeft eiseres de vreemdelingen niet betaald.

Ten behoeve van de vreemdelingen zijn geen tewerkstellingsvergunningen afgegeven.

Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat, nu voor Hongaarse vreemdelingen sinds 1 mei 2007 geen tewerkstellingsvergunning meer is vereist, het strafbare c.q. beboetbare karakter van het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning is komen te vervallen. Gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) dient eiseres daarvan te profiteren. Dat brengt volgens eiseres mee dat de opgelegde boete niet langer mag worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het IVBPR – voor zover hier van belang – dient, indien de wet na het begaan van het strafbare feit mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan te profiteren.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het WvSr worden bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij het Voorontwerp 4e Tranche van de Awb (TK 2003-2004, 29 702, nr. 3) is het uitgangspunt dat het punitieve bestuursrecht niet nodeloos moet afwijken van het strafrecht. Mede om die reden wordt artikel 1, tweede lid, van het WvSr in artikel 5.4.1.7, vierde lid, van het Voorontwerp van overeenkomstige toepassing verklaard. Waar de boeteoplegging in het kader van de Wav een punitieve sanctie betreft, zijn daarop ook thans reeds de minimumwaarborgen van het strafrecht – bezien in het licht van artikel 6 EVRM – mede van toepassing. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het WvSr, als fundamenteel strafrechtelijk beginsel, ook reeds bij de huidige oplegging van een bestuurlijke boete rekening dient te worden gehouden.

Voor wat betreft de vraag of het bepaalde in de artikelen 15, eerste lid, van het IVBPR en

1, tweede lid, van het WvSr met zich brengt dat in het onderhavige geval van boeteoplegging ter zake van overtreding van artikel 2 van de Wav dient te worden afgezien, stelt de rechtbank voorop dat artikel 2 van de Wav na 1 mei 2007 ongewijzigd is gebleven, in die zin dat het een werkgever nog steeds verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder de ten aanzien van die vreemdeling vereiste tewerkstellingsvergunning.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad doet een verandering in de wetgeving, als bedoeld in de artikelen 15, eerste lid van het IVBPR en 1, tweede lid, WvSr, zich slechts voor als sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging gepleegde feiten.

Het vervallen van het strafwaardig c.q. beboetbaar karakter van het werken zonder tewerkstellings-vergunning ten aanzien van Hongaarse werknemers houdt naar het oordeel van de rechtbank louter verband met op de Nederlandse Staat rustende communautaire verplichtingen, waaronder de noodzaak te komen tot één binnen de Europese Unie bestaande interne markt. Die wijziging vloeit derhalve niet voort uit een verandering van inzicht bij de wetgever omtrent de strafwaardigheid van vóór 1 mei 2007 op grond van artikel 2 van de Wav gepleegde overtredingen.

Gelet op het voorgaande brengt het bepaalde in de artikelen 15 IVBPR en 1, tweede lid, WvSr in het onderhavige geval niet mee dat de opgelegde boete dient te vervallen.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was een boete op grond van de Wav op te leggen. Toepassing van artikel 2 van de Wav mag volgens eiseres het vrije verkeer van diensten in de zin van artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) niet doorkruisen. De vreemdelingen hebben de werkzaamheden verricht als zelfstandige in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) van 20 november 2001 (C 268/99, de zaak Jany). De vreemdelingen hebben voor de aangeboden werkzaamheden zelf de prijs bepaald en een offerte uitgebracht. Zij waren voorts zelf verantwoordelijk voor de werkzaamheden en zij beschikten zelf over de vereiste materialen, om de werkzaamheden uit te voeren. Dat Winstar bij het verkrijgen van de werkzaamheden heeft bemiddeld maakt de werkzaamheden niet minder zelfstandig. De vreemdelingen stonden niet in een gezagsrelatie tot Winstar noch tot eiseres, aldus eiseres.

Verweerder stelt zich op het standpunt, zoals nader gemotiveerd in het primaire en het bestreden besluit, dat in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond bestaat om te oordelen dat de vreemdelingen de werkzaamheden als zelfstandigen in de zin van het arrest Jany hebben verricht.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Hongarije is met ingang van 1 mei 2004 toegetreden tot de Europese Unie. Gelet op hetgeen is bepaald in hoofdstuk 1 (vrij verkeer van personen) van Bijlage X (Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte Hongarije), gepubliceerd in Publicatieblad van de Europese Unie d.d. 23 september 2003, nr. 846, en gelet op de Kamerstukken II, 2003-2004, 29 407, nr. 1 en Kamerstukken II, 2005-2006, 29 407, nr. 32, heeft Nederland het recht op het vrij verkeer van Hongaarse werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag beperkt, in die zin dat de verplichting van een tewerkstellingsvergunning voor deze (Hongaarse) vreemdelingen van kracht blijft. Met ingang van 1 mei 2007 is deze beperking vervallen.

Ingevolge artikel 43 van het EG-Verdrag zijn de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen

in de zin van de tweede alinea van artikel 48, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

Het bepaalde in artikel 43 van het EG-Verdrag is in meergenoemde Bijlage X niet beperkt.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of de drie Hongaarse vreemdelingen als zelfstandigen kunnen worden beschouwd, die zich in Nederland hebben gevestigd voor het verrichten van werkzaamheden anders dan in loondienst als bedoeld in artikel 43 van het EG-Verdrag.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige zoekt de rechtbank aansluiting bij meergenoemd arrest van het HvJEG in de zaak Jany. Op grond van dat arrest is sprake van economische activiteiten anders dan in loondienst en derhalve economische activiteiten verricht als zelfstandige, wanneer vaststaat dat deze activiteiten worden beoefend:

- zonder enige gezagsverhouding met betrekking tot de keuze van deze activiteit, de arbeidsomstandigheden en de beloning,

- onder eigen verantwoordelijkheid, en

- tegen een beloning die volledig en rechtstreeks aan de persoon wordt betaald.

De beoordeling van de arbeidsverhouding dient naar het oordeel van de rechtbank niet slechts plaats te vinden aan de hand van de (eventueel gepretendeerde) juridische verhouding, maar dient te geschieden aan de hand van de feitelijke omstandigheden waaronder de vreemdelingen werkzaam zijn geweest. Indien sprake is van een constructie die uitsluitend tot doel heeft Hongaarse arbeidskrachten toegang te geven tot de Nederlandse arbeidsmarkt zonder voor hen een tewerkstellingsvergunning aan te hoeven vragen (de zogenaamde “schijnconstructie”) dient hieraan, gelet op het arrest van het HvJEG van 27 maart 1990 in de zaak Rush Portuguesa (C 113/89, RV 1990,89) voorbij gegaan te worden.

Voor het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van werkzaamheden als zelfstandige zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[vreemdeling 1] heeft blijkens meergenoemd boeterapport verklaard dat de aan eiseres uitgebrachte offerte is opgesteld door een boekhouder van Winstar met behulp van een tolk, de heer Nagy, die werkzaamheden ten behoeve van Winstar verrichtte. [vreemdeling 1] kent de inhoud van de offerte niet. Zo kan hij geen antwoord geven op vragen over de betalingstermijn, zoals die in de offerte staat genoemd.

[vreemdeling 2] heeft verklaard niet te weten dat in de door hem uitgebrachte offerte staat dat de tweede termijn telefonisch aan hem wordt overgemaakt.

De drie vreemdelingen hebben voorts verklaard dat opdrachten door Winstar werden geregeld c.q. aanbevolen.

Verder hebben zij verklaard dat zij per vierkante meter een bedrag van € 8,-- ([vreemdeling 1]), dan wel € 6,-- ([vreemdeling 2]) dan wel € 7,-- ([vreemdeling 3]) in verband met verleende diensten aan Winstar betalen. Volgens [vreemdeling 3] wordt het bedrag voor het dekken van het dak door de opdrachtgever telefonisch overgemaakt aan de boekhouder (van Winstar). De boekhouder berekent alle kosten en haalt deze van het door de opdrachtgever betaalde bedrag af. Vervolgens betaalt de boekhouder contant uit, aldus de verklaring van [vreemdeling 3].

De vreemdelingen hebben voorts verklaard geen reclame te maken.

De heer Brucker van Winstar heeft verklaard dat de tolk, de heer Nagy, werkzaam ten behoeve van Winstar, voor de vreemdelingen het verblijf op een camping heeft geregeld. Ook heeft Brucker verklaard dat de vreemdelingen niet goed Duits of Engels spreken.

Eiseres heeft verklaard dat zij niet over de inhoud van de offerte, zoals prijs (per m2) en dergelijke met de drie vreemdelingen heeft gesproken. Brucker heeft telefonisch aan eiseres gevraagd hoe groot het dak was. Vervolgens heeft eiseres van iedere vreemdeling een offerte gekregen (ieder voor 1/3 deel van de werkzaamheden), die eiseres heeft geaccepteerd, zo heeft eiseres blijkens het boeterapport verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen sprake van het verrichten van arbeid als zelfstandige zoals bedoeld in het arrest Jany, maar is sprake van schijnzelfstandigheid. Met name is van belang dat niet is gebleken dat de vreemdelingen in staat waren in Nederland zelfstandig opdrachten te verwerven. Zij maakten ook geen reclame. Het is Winstar (geweest) c.q. de tolk Nagy, werkzaam ten behoeve van Winstar, die de opdrachten en offertes, de administratie, kantoorfaciliteiten en verblijfsaccommodatie regelde voor de vreemdelingen. Die werkzaamheden gaan verder dan het slechts bemiddelen bij het totstandkomen van een overeenkomst.

Hoewel met eiseres moet worden geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen niet zelf de prijs en niet de feitelijke condities bepaalden waaronder zij hun werkzaamheden verrichtten en de vreemdelingen volgens eiseres onder eigen verantwoordelijkheid werkzaam waren, brengt dat - in het licht van alle overige feiten en omstandigheden - nog niet mee dat de vreemdelingen als zelfstandigen in de zin van het arrest Jany moeten worden beschouwd. Dat de vreemdelingen als zelfstandige staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel maakt de beoordeling niet anders omdat, zoals eerder overwogen, niet de juridische maar de feitelijke omstandigheden bepalend zijn.

Dat tussen eiseres en de vreemdelingen geen sprake was van een gezagsrelatie brengt voorts niet mee dat het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, sub van de Wav niet aan eiseres kan worden tegengeworpen. Het begrip werkgever in de Wav is met opzet ruim geformuleerd

en maakt een ieder vergunningplichtig die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten. Bij eiseres is dit het geval. Dat wellicht ook Winstar vergunningplichtig was doet hieraan niet af.

Nu eiseres ten behoeve van de Hongaarse vreemdelingen niet over een tewerkstellings-vergunning beschikte en evenmin artikel 3 van de Wav op hen van toepassing is, heeft eiseres de in artikel 2, eerste lid van de Wav neergelegde norm overtreden. Verweerder is terecht tot dit oordeel gekomen en was derhalve bevoegd om terzake van de beboetbare feiten een boete op te leggen.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de boete gematigd dient te worden. In dat kader heeft eiseres aangevoerd dat zij zorgvuldig heeft gehandeld. Zij heeft enkele malen bij de Kamer van Koophandel geïnformeerd of de vreemdelingen als zelfstandige stonden ingeschreven en of zij in Nederland mochten werken, waarop bevestigend is geantwoord. Volgens eiseres is de boete disproportioneel. Daarbij dient betrokken te worden dat sedert 1 mei 2007 tewerkstelling van Hongaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning geen beboetbaar feit oplevert. Voorts is van belang dat bij de tewerkstelling slechts sprake is geweest van een gering financieel voordeel voor eiseres.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het opleggen van een boete ingevolge artikel 19a, eerste lid, Wav een discretionaire bevoegdheid toekomt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2006 (LJN AV6279), staat ter volle toetsing of verweerder - met toepassing van de Beleidsregels - terecht een boete van € 12.000,-- aan eiseres heeft opgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het met de Wav beoogde doel en uit een oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid, de door verweerder in de bijlage bij de Beleidsregels vastgestelde boetenormbedragen voor beboetbare feiten zoals hier aan de orde, niet onevenredig hoog zijn.

Beoordeeld moet worden of in het geval van eiseres de opgelegde boete van in totaal € 12.000,-- de evenredigheidstoets kan doorstaan.

Niet in geschil is dat eiseres diverse malen bij de Kamer van Koophandel om informatie heeft verzocht en zich heeft ingespannen om te voorkomen dat zij in strijd met het bepaalde in de Wav zou handelen. Aan eiseres kan redelijkerwijs niet worden tegengeworpen dat zij ook bij de Arbeidsinspectie had dienen te informeren, te meer nu eiseres naar zij heeft verklaard tot twee maal toe van de Kamer van Koophandel te horen heeft gekregen dat de vreemdelingen als zelfstandige stonden ingeschreven en dat zij als zelfstandige in Nederland mochten werken. Voorts kon van eiseres in redelijkheid niet worden verlangd dat zij nader onderzoek zou hebben gedaan naar de (werkelijke) zelfstandigheid van de vreemdelingen.

De rechtbank is op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de hoogte van de boete aan de verwijtbaarheid van de overtreding van de Wav door eiseres onevenredig is. Er bestaat derhalve aanleiding de boete te matigen.

In artikel 8 van de Beleidsregels, zoals deze op 1 januari 2007 in werking zijn getreden, is het volgende bepaald:

“Indien de werkgever kan aantonen dat hij zich redelijkerwijze in voldoende mate heeft ingespannen om een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen te voorkomen, dan kan de boete worden gematigd tot € 4.000,-- voor een rechtspersoon en tot € 2.000,-- voor een natuurlijk persoon per beboetbaar feit”.

Op grond van voornoemd artikel bestaat aanleiding de boete te matigen van € 12.000,-- naar € 6.000,--.

In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank geen grond gelegen voor verdere matiging van de boete.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd dient te worden.

De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit zal onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar worden herroepen voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft. De hoogte van de boete zal worden bepaald op € 6.000,--.

Nu het bezwaar gegrond is zal de rechtbank, door zelf in de zaak te voorzien, het verzoek van eiseres in bezwaar om een vergoeding van de proceskosten in die fase toewijzen. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op € 322,-- (1 punt voor het bezwaarschrift x € 322,-- x wegingsfactor 1).

Aanleiding bestaat om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten zal worden bepaald op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,-- x wegingsfactor 1).

Daarnaast bestaat ingevolge artikel 8:74 van de Awb aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 143,-- wordt vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond;

- herroept het primaire besluit voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft en

bepaalt dat de boete € 6.000,-- bedraagt;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het

bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 322,--, te betalen door de Staat

der Nederlanden aan eiseres;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden

besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het

beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 644,--, te betalen door

de Staat der Nederlanden aan eiseres;

- gelast dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 143,--

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier, op 4 december 2007

Afschrift verzonden op: 7 december 2007