Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB9400

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-08-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
135399 / KG ZA 07-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Honden moeten worden afgegeven aangezien niet voldoende vast is komen te staan dat deze zijn geschonken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 135399 / KG ZA 07-347

Vonnis in kort geding van 6 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.G. Hees,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.J.M. Manders te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In oktober 2006 heeft [eiser] twee chihuahua’s (hierna de hondjes) gekocht.

2.2. Op 6 juni 2007 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en mevrouw [A] over de hondjes. Dezelfde avond zijn mevrouw [A] en [gedaagde] bij [eiser] geweest en hebben zij de hondjes meegenomen.

2.3. [gedaagde] heeft vanaf 6 juni 2007 de verzorging van de hondjes op zich genomen.

2.4. Na daartoe verkregen verlof heeft [eiser] op 18 juli 2007 op de hondjes conservatoir beslag tot afgifte doen leggen.

2.5. Op 20 juli 2007 zijn de hondjes in gerechtelijke bewaring genomen. Mevrouw [B] is aangesteld als gerechtelijk bewaarder.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat – afgifte door [gedaagde] van de hondjes en aanhorigheden aan haar.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van het spoedeisend belang bij het gevorderde is in voldoende mate gebleken.

4.2. Tussen partijen is in geschil wie eigenaresse is van de hondjes. [eiser] is van mening dat de hondjes altijd van haar zijn gebleven omdat zij nooit de bedoeling heeft gehad om de hondjes af te staan aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij eigenaresse van de hondjes is geworden omdat [eiser] de hondjes aan haar heeft geschonken.

4.3. Van een schenking kan echter alleen sprake zijn indien de wil van [eiser] ook op een dergelijke rechtshandeling was gericht. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan geen sprake is geweest. Ze heeft, onbetwist, gesteld dat zij in het verleden wel eens heeft getwijfeld aan de juistheid van haar besluit tot de aanschaf van de hondjes en dat die twijfel ook op 6 juni 2007 aanwezig was, omdat de hondjes, althans één van hen, hun/haar behoefte in de kamer had(den) gedaan. [eiser] heeft echter nimmer de wil gehad om van beide hondjes (definitief) afstand te doen.

4.4. De vraag is thans of [gedaagde] er desalniettemin op heeft mogen vertrouwen dat [eiser] die wil wel had. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. [eiser] is een alleenstaande en alleenwonende vrouw van 82 jaar oud. Door [gedaagde] is onbetwist gelaten dat [eiser] een teruggetrokken bestaan leidt en weinig tot geen contact met andere mensen heeft. Dit houdt in dat de hondjes voor [eiser] als gezelschapsdieren een grote betekenis hebben. Voor zowel de hondjes als voor [eiser] heeft een beslissing over het afstaan van de hondjes aan een ander daarom een bijzonder ingrijpend karakter. [gedaagde] had er, dit wetende, dan ook niet zonder meer direct van uit had mogen gaan dat het de bedoeling van [eiser] was om de hondjes definitief aan haar af te staan. Zeker niet gelet op de snelheid waarmee een en ander zijn bestek heeft gekregen. Een dergelijke beslissing kan niet over één nacht ijs genomen worden geacht.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat [gedaagde] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat wil en verklaring van [eiser] bij het afgeven van de hondjes met elkaar in overeenstemming waren. Voorshands moet er van uit worden gegaan dat [eiser] eigenaresse van de hondjes is gebleven. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden toegewezen.

4.6. De hondjes verblijven momenteel bij een gerechtelijk bewaarder. Deze zal op basis van dit vonnis de hondjes aan [eiser] af geven. Er is dan ook geen reden om op de afgifte van de hondjes een dwangsom te zetten. [eiser] kan de afgifte immers zelf bewerkstelligen zonder tussenkomst van [gedaagde].

Ten aanzien van de aanhorigheden en de registratiebewijzen van de hondjes is onbetwist gebleven dat deze nog bij [gedaagde] zijn. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld tot afgifte van deze zaken, op straffe van een dwangsom die zal worden gematigd en gemaximeerd zoals hieronder staat vermeld.

4.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 251,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.239,31

4.8. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Het opgevoerde vast recht voor het beslagrekest zal echter worden afgewezen, omdat dit vast recht al is verrekend met het vast recht dat in deze zaak verschuldigd is. De beslagkosten worden begroot op EUR 502,40 voor verschotten en EUR 904,- voor salaris procureur (2 rekesten x EUR 452,-).

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de twee chihuahua’s aan [eiser],

5.2. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van de registratiebewijzen van beide chihuahua’s en tot afgifte van al de aanhorigheden van de chihuahua’s zoals, doch niet uitsluitend, de voerbakken, mandjes/hokjes, halsbandjes, riemen van de hondjes, alles binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,

5.3. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.2 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 100,-, tot een maximum van EUR 1.000,-,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.239,31, alsmede vermeerderd met een bedrag van EUR 131,00 voor nakosten zonder betekening van dit vonnis, dan wel EUR 199,00, in geval van betekening van dit vonnis,

5.5. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.406,40,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2007.