Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB8881

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
29-11-2007
Zaaknummer
119462 / HA ZA 06-489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[A} volgt een opleiding als verkeersvlieger bij EPST Opleidingen.

Voor de financiering van die opleiding heeft hij bij ABN AMRO een krediet faciliteit afgesloten.

Stichting Garantiefonds EPST Opleidingen heeft zich voor terugbetaling garant gesteld.

De ouders van [A] hebben zich tot maximum bedrag borg gesteld.

[A] heeft met NLP een verzekering afgesloten voor het geval de opleiding wordt beeindigd.

In 2003 wordt [A} medisch ongeschikt verklaard voor bepaalde vlieg werkzaamheden, in 2004

wordt [A] voor alle klassen medisch ongeschikt verklaard.

ABN AMRO vordert uit hoofde van de krediet ovk verschillende bedragen van [A], zijn ouders en het garantiefonds.

De vordering jegens [A] en diens ouders wordt toegegewezen.

De vordering jegens het Garantiefonds wordt afgewezen, omdat - kort gezegd- ABN AMRO in strijd met de toepasselijke raamovereenkomst heeft nagelaten een onderzoek te doen naar de vermogenspositie van [A].

[A] heeft NLP in vrijwaring opgeroepen: de vordering wordt toegewezen, - kort gezegd- omdat het verzekerde voorval zich heeft voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 12 september 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 119462 / HA ZA 06-489 van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. E.A.M. Claassen,

advocaat mr. D.K. Greveling te Hilversum,

tegen

1. [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.H. Broeksema,

2. [B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.H. Broeksema,

3. [C],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.H. Broeksema,

4. de stichting

STICHTING GARANTIEFONDS EPST OPLEIDINGEN,

gevestigd te Maarssen,

gedaagde,

procureur mr. J.G.M. Hovius,

advocaat mr. P.A. de Koningh te Maarssen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 123905 / HA ZA 06-1085 van

de stichting

STICHTING GARANTIEFONDS EPST OPLEIDINGEN,

gevestigd te Maarssen,

eiser,

procureur mr. J.G.M. Hovius,

advocaat mr. P.A. de Koningh te Maarssen,

tegen

[A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.H. Broeksema,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 123332 / HA ZA 06-980 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. R.H. Broeksema,

tegen

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

BELGISCHE MAATSCHAPPIJ VOOR LUCHTVAARTVERZEKERINGEN,

handelende onder de namen De Nederlandse Luchtvaartpool en Aviabel,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. W.H. van Baren en mr. H.J. van der Baan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Abn Amro Bank, [A c.s.] dan wel afzonderlijk [A], [B] en [C], het Garantiefonds en NLP genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in de vrijwaringsincidenten van 12 juli 2006

- de conclusies van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusies van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123905 / HA ZA 06-1085

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De procedure in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123332 HA ZA 06-980

3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

3.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

4. De feiten

4.1. EPST Opleidingen B.V. verzorgt in Nederland opleidingen tot verkeersvlieger.

4.2. Abn Amro Bank verzorgt ten behoeve van leerlingen of cursisten van EPST een kredietarrangement. Dit arrangement is speciaal voor de opleiding bij EPST ontwikkeld door EPST en Abn Amro Bank samen.

4.3. [A] heeft op 11 juni 2001 een kredietovereenkomst met Abn Amro bank gesloten waarbij de bank aan [A] een kredietfaciliteit ter beschikking heeft gesteld ter financiering van zijn opleiding bij EPST. [A] is op 1 augustus 2001 aan zijn opleiding begonnen. De kredietfaciliteit bedroeg maximaal EUR 116.770,00. Over dit krediet was een kredietvergoeding verschuldigd van 7,75% per jaar.

4.4. In de kredietovereenkomst tussen Abn Amro Bank en [A] is onder meer het volgende opgenomen:

“Zekerheden en verklaringen

- Borgtocht af te geven door de Stichting Garantiefonds EPST Opleidingen ter grootte van NLG 232.000,= (EUR 105.277,01), te vermeerderen met de bijgetelde rente; één en ander nader gespecificeerd in de Raamovereenkomst Borgtocht Stichting Garantiefonds EPST Opleiding en Borgstellingsakte, welke één geheel vormt en onlosmakelijk verbonden is met deze overeenkomst.

- Borgtocht ad NLG 25.000,= (EUR 11.344,51), te vermeerderen met rente en kosten, te verstrekken door de heer [B] en mevrouw [C] (…).

De kredietnemer gaat ermee akkoord, dat de ABN AMRO de borgen informeert over de kredietnemer zijn financiële positie en alle andere feiten, die verband houden met de kredietverlening aan de kredietnemer die van belang kunnen zijn voor de borgen.

(…)

- Pandrecht rechten uit een Training Expenses/Loss of Licence verzekering, groot tenminste NLG 257.000,= (EUR 116.621,51), verzekerde is de heer [A].”

4.5. [A] heeft met NLP een verzekering van vliegopleidingskosten afgesloten. De verzekerde som bedroeg EUR 116.621,51.

4.6. In de verzekeringspolis die door NLP aan [A] is afgegeven staat onder andere:

“Op grond van de door: [A] (…)

Bij De Nederlandse Luchtvaartpool N.V. Amsterdam, ingediende ondertekende aanvraag (die – tezamen met elke andere schriftelijke verklaring van verzekerde of iemand, handelende namens verzekerde voor zover het deze polis betreft – de grondslag voor dit contract zal vormen als ware zij daarin opgenomen) met betrekking tot de hierna vermelde verzekering tegen beëindiging van de vliegopleiding, zoals in de polis gedekt, nemen ondergetekenden (hierna te noemen de verzekeraars) aan, een kapitaalsom van maximaal tweehonderdzevenenvijftigduizend Nederlandse guldens te verzekeren en wel op de aan deze polis gehechte voorwaarden ABN AMRO Verzekeringen B.V. TREX 98.

(…)

BEËINDIGING VLIEGOPLEIDING en VERZEKERING

De opleiding, resp. verzekering wordt als beëindigd beschouwd op het moment dat een geneeskundige verklaring is verlopen dan wel dat door of namens het bevoegde gezag als omschreven in JAR-FCL Deel 3 (Medisch) een geneeskundige verklaring niet wordt verlengd of vernieuwd of wordt ingetrokken, zonder dat over een eventueel resterend deel van een/het verzekeringsjaar restitutie van premie zal worden verleend tenzij anders wordt overeengekomen.

(…)

SECTION 1 – TRAINING EXPENSES INSURANCE

WHAT THIS SECTION COVERS

In the event of the Insured Person sustaining any Bodily Injury or contracting any Illness which solely and independently of any other cause whatsoever results in the permanent total incapacity of the Assured to continue flying training, the Insured Person shall, subject to the terms, conditions and exclusions of this insurance, become entitled to the reimbursement of the actual fees paid or contractually obligated to be paid up to the date of the loss which are not refundable by the Flying school up to the Sum Insured stated in the Policy.

(…)

DEFINITIONS

In this Insurance:

(…)

ILLNESS:

Means Sickness or Disease of the Assured which is contracted and first manifests itself during the period of this insurance and occasions the permanent total incapacity of the Insured Person to continue flying training within 12 months from the date of first manifestation.”

4.7. De rechten uit de verzekeringsovereenkomst zijn aan Abn Amro Bank verpand.

4.8. De heer [B] en mevrouw [C] hebben zich hoofdelijk als borg voor de betaling van de schuld van [A] uit hoofde van de kredietovereenkomst met Abn Amro Bank verbonden, zulks tot een maximum van EUR 11.344,51 (fl. 25.000,00), te vermeerderen met rente en kosten.

4.9. Het Garantiefonds heeft zich ook als borg voor de betaling van de schuld van [A] verbonden, zulks tot een maximum van EUR 105.277,01 (fl. 232.000,00), te vermeerderen met rente en kosten.

4.10. In de door het Garantiefonds ondertekende “Akte van borgtocht” is onder meer neergelegd:

“De borgtocht geldt voor al hetgeen de hoofdschuldenaar aan de bank nu of te eniger tijd verschuldigd mocht zijn uit hoofde van iedere kredietovereenkomst tussen de bank en de hoofdschuldenaar verbandhoudende met de financiering van de deelname van de hoofdschuldenaar aan het Europilot Program Selection & Training, gevestigd te Maarssen, één en ander nader omschreven in de Raamovereenkomst Borgtocht Stichting Garantiefonds EPST Opleidingen, echter tot geen hoger bedrag dan NLG 232.000,= (EUR 105.277,01), te vermeerderen met de rente daarover berekend op basis van het door de hoofdschuldenaar verschuldigde rentepercentage, en alle kosten op de invordering vallend.

De borgtocht wordt aangegaan onder bepalingen zoals opgenomen in de Raamovereenkomst Borgtocht Garantiefonds EPST Opleidingen d.d. 1 april 1998 met welke overeenkomst deze borgtocht een onlosmakelijk geheel vormt.”

4.11. De “Raamovereenkomst Borgtocht Stichting Garantiefonds EPST Opleidingen” uit 1998, gesloten tussen het Garantiefonds en de Abn Amro Bank bevat onder andere de volgende overwegingen en artikelen:

“OVERWEGENDE

dat de Bank kredietovereenkomsten zal sluiten met leerlingen van European Pilot Selection & Training hierna te noemen: EPST, zulks met betrekking tot de financiering van de door die leerlingen aan de EPST te betalen leerlingenbijdragen ten behoeve van de algemene opleiding tot verkeersvlieger voor de (inter)nationale burgerluchtvaart;

dat de Stichting ten doel heeft het beheren van een garantiefonds waaruit de opeisbare (lopende) financiële verplichtingen worden nagekomen uit kredietovereenkomsten als hiervoor bedoeld van leerlingen van de EPST die deze verplichtingen niet kunnen nakomen omdat zij:

a. de zgn. algemene opleiding niet voltooien en daarbij geen sprake is van opzet op grove schuld; of

b. buiten hun toedoen niet binnen 2 (twee) jaar na de datum van voltooiing van de Euro Pilot Program op, gegeven hun opleiding, redelijke financiële voorwaarden als verkeersvlieger voor onbepaalde tijd in dienst zijn getreden bij een binnen- en/of buitenlandse luchtvaartmaatschappij;

en die ook niet (anderszins) in staat zijn hun (lopende) financiële verplichtingen uit bedoelde kredietovereenkomsten geheel of gedeeltelijk na te komen;

dat de Stichting in dat kader bereid is zich onder bepaalde voorwaarden tot een maximum van vijf jaar na voltooiing van de opleiding jegens de Bank als borg te verbinden voor iedere door de Stichting aangewezen leerling van de EPST die met de Bank een kredietovereenkomst als hierna gedefinieerd is aangegaan, zulks tot zekerheid voor de betaling van hetgeen de Bank van de Leerling opeisbaar te vorderen mocht hebben uit hoofde van zodanige kredietovereenkomst;

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

(…)

Artikel 2: Borgtocht

2.1 De Stichting verbindt zich bij deze jegens de Bank als borg voor de Leerling tot zekerheid van de betaling van al hetgeen de Bank opeisbaar van de Leerling te vorderen mocht hebben uit hoofde van de Kredietovereenkomst tot maximaal 5 (vijf) jaar na de datum van voltooiing van de opleiding, zulks echter uitsluitend voor het geval de leerling deze verplichtingen jegens de Bank niet kan nakomen omdat hij/zij:

a. zonder dat er sprake is van opzet of grove schuld de Algemene Opleiding niet voltooit en geen alternatief eindtraject volgt en/of

b. buiten zijn/ haar toedoen niet binnen 2 (twee) jaar na de Datum van Voltooiing op, gegeven zijn/haar opleiding, redelijke financiële voorwaarden als verkeersvlieger in vaste dienst, van minimaal 1 (één) jaar, is getreden bij een binnen en/of buitenlandse luchtvaartmaatschappij;

en de betreffende Leerling ook niet (anderszins) in staat is zijn/ haar (lopende) financiële verplichtingen uit de Kredietovereenkomst geheel of gedeeltelijk na te komen.

(…)

2.3 De Stichting doet uitdrukkelijk afstand van alle door de wet aan borgen toegekende verweermiddelen en rechten.

(…)

2.7 Indien en zodra de Leerling na schriftelijke ingebrekestelling door de Bank zijn/haar lopende verplichtingen uit de Kredietovereenkomst niet (alsnog) nakomt en de Leerling Europilot program niet heeft voltooid en geen alternatief eindtraject volgt, zal door en voor rekening van de Bank een eenmalig onderzoek plaatsvinden of de Leerling in staat is uit zijn/haar vermogen de betreffende verplichtingen na te komen. Uitgangspunt bij dit onderzoek zal zijn de door de leerling te leveren informatie over zijn/haar Vermogenspositie.

De Bank zal de resultaten van dit onderzoek zo spoedig mogelijk gemotiveerd ter kennis brengen van de Stichting waarna de Stichting gedurende 1 (één) maand de gelegenheid heeft een eventueel eigen onderzoek te (laten) doen.

Op grond van genoemd(e) Onderzoek(en) zullen de Stichting en de Bank gezamenlijk besluiten dat:

a. de Leerling naar verwachting niet in staat is uit zijn/haar vermogen de betreffende verplichting na te komen; of

b. de Leerling naar verwachting in staat is uit zijn/haar vermogen de betreffende verplichtingen na te komen; of

c. de Leerling naar verwachting gedeeltelijk in staat is uit zijn/ haar vermogen de betreffende verplichting na te komen en voor welke deel;

(…)

Ingeval van een bericht sub a. bedoeld is de Bank gerechtigd een beroep te doen op de Borgtocht waarna de Stichting binnen 3 (drie) maanden de totaal (nog) verschuldigde hoofdsom inclusief de daarop vervallen rente aan de Bank zal voldoen.

(…)

Ingeval van een bericht sub c. bedoeld is de Bank voor het deel van de verplichtingen dat de Leerling naar het gezamenlijk oordeel van de Stichting en de Bank wel uit zijn/haar vermogen kan nakomen gerechtigd het betreffende verschuldigde bedrag te (doen) incasseren als hiervoor omschreven en is de Bank voor het overige gerechtigd een beroep te doen op de Borgtocht waarna de Stichting het betreffende verschuldigde bedrag in één keer terstond binnen 3 (drie) maanden zal voldoen.

2.8 Indien en zodra de Leerling na schriftelijke ingebrekestelling door de Bank zijn/haar Lopende verplichtingen uit de Kredietovereenkomst niet (alsnog) nakomt en de Leerling de Europilot program heeft voltooid dan wel ontheven werd van de opleiding maar een alternatief eindtraject volgt of heeft gevolgd, doch buiten zijn/haar toedoen niet binnen 2 (twee) jaar na datum van voltooiing op, gegeven zijn/haar opleiding, redelijke financiële voorwaarden voor opbepaalde tijd als verkeersvlieger in dienst is getreden bij een binnen- of buitenlandse luchtvaartmaatschappij, zal door en voor rekening van de Bank een onderzoek plaatsvinden of de Leerling in staat is uit zijn/haar inkomsten c.q. vermogen de betreffende verplichtingen na te komen. Uitgangspunt bij dit onderzoek zal zijn de door de leerling c.q. derden aan te leveren informatie over zijn/haar inkomens- en vermogenspositie.

(…)

Indien en zodra binnen de periode van vijf jaar aansluitend aan de beëindiging van de opleiding en vóór het verkrijgen van een baan als verkeersvlieger, blijkt dat een Leerling om medische redenen ongeschikt is om het beroep van verkeersvlieger uit te voeren dan vindt een onderzoek plaats en wordt er afgerekend conform artikel 2.7. Hierbij geldt dat in eerste instantie de loss of license Insurance wordt aangewend.

(…)

2.10 Indien en zodra komt vast te staan dat de incasso bij de Leerling als hiervoor sub 2.7 t/m 2.8 bedoeld niet leidt tot (volledige) nakoming van de betreffende verplichtingen door de Leerling zullen partijen met betrekking tot het –resterende- verschuldigde bedrag verder handelen alsof de Leerling naar het oordeel van de Stichting niet in staat was de betreffende verplichtingen uit zijn/haar inkomsten c.q. vermogen na te komen, tenzij de Borgtocht (inmiddels) is vervallen als sub 2.9 bedoeld.

De bank dient daarbij aan te tonen dat met betrekking tot de incasso, alle beschikbare mogelijkheden zijn gehanteerd.

(…)

Artikel 5: Overige bepalingen

(...)

5.2 Eventuele aanspraken van de Bank voortvloeiende uit c.q. verband houdende met deze overeenkomst vervallen indien zij niet binnen 10 (tien) jaar na het sluiten van de oorspronkelijke Kredietovereenkomst schriftelijk ter kennis zijn gebracht van de Stichting.”

4.12. In de zomer van 2002 heeft [A] klachten van ernstige stress en faalangst gekregen.

4.13. Op 25 september 2002 is [A] psychologisch onderzocht door het Aviation Human Factor Center. Op basis van dit onderzoek werd hem geadviseerd om met de opleiding te stoppen.

4.14. Op 23 oktober 2002 heeft [A] een vliegmedische keuring ondergaan. De keuringsarts heeft het volgende geconcludeerd:

“unfit vliegende functie, m.n. grote faalangst waardoor multi-tasking gedeelten niet uitgevoerd kunnen worden. Er is geen sprake van angst voor vliegen maar wel van onzekerheid door faalangst. Het advies: niet geschikt klasse I.”

4.15. Naar aanleiding van een brief van 26 februari 2003 van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Luchtvaart, is er psychiatrisch onderzoek ten aanzien van [A] verricht. De geconsulteerde psychiater concludeert:

“In psychiatrisch opzicht kan gesproken worden van een aanpassingsstoornis met angst: DSM 4 code 309.24 (adjustment disorder with anxiety)”.

4.16. Bij beslissing van 29 september 2003 is [A] medisch ongeschikt verklaard om werkzaamheden waarvoor een bewijs van bevoegdheid is verstrekt te verrichten. Bij beslissing van 27 juli 2004 wordt [A] vliegmedisch ongeschikt verklaard voor alle klassen.

4.17. Bij brieven van 7 november 2002, 17 februari 2003, 4 maart 2003 en 3 april 2003 heeft [A] Abn Amro Bank en NLP verzocht om tot uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst over te gaan. NLP heeft echter geweigerd om een bedrag uit te keren.

4.18. De incassogemachtigde van Abn Amro Bank heeft bij brief van 2 september 2005 de vordering uit hoofde van de kredietovereenkomst opeisbaar gesteld en [A] gesommeerd uiterlijk op 9 september 2005 het debetsaldo aan te zuiveren.

[A] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

4.19. Namens Abn Amro Bank zijn [B] en [C] bij brief van 2 maart 2006 aangesproken uit hoofde van de borgstelling. Betaling is vervolgens uitgebleven.

4.20. Het Garantiefonds is door Abn Amro Bank aangesproken bij brief van 21 december 2005 uit hoofde van haar borgstelling. Het Garantiefonds heeft nagelaten om aan de bank een bedrag uit te keren.

5. Het geschil

in de hoofdzaak

5.1. Abn Amro Bank vordert samengevat - veroordeling van gedaagde sub 1 tot betaling van EUR 126.495,14, veroordeling van gedaagden sub 2 en 3, hoofdelijk, tot betaling van EUR 11.344,51 en veroordeling van gedaagde sub 4 tot betaling van EUR 105.277,01, vermeerderd met rente en kosten.

5.2. [A c.s.] en het Garantiefonds voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123905 / HA ZA 06-1085

5.3. Het Garantiefonds vordert –samengevat- dat [A] wordt veroordeeld om aan het Garantiefonds te betalen al hetgeen waartoe het Garantiefonds jegens Abn Amro Bank in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [A] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

5.4. [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123332 HA ZA 06-980

5.5. [A] vordert samengevat – primair dat NLP wordt veroordeeld om aan [A] te betalen al hetgeen waartoe hij jegens Abn Amro Bank in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van NLP in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring. Subsidiair vordert [A] dat NLP wordt veroordeeld om aan hem te betalen EUR 126.495,14 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

5.6. NLP voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. De beoordeling

in de hoofdzaak

de vordering jegens [A c.s.]

6.1. Met betrekking tot de vordering tegen [A] heeft het volgende te gelden.

[A] heeft erkend dat Abn Amro Bank uit hoofde van de kredietovereenkomst die tussen hem en de bank is gesloten recht heeft op betaling van een bedrag van EUR 112.198,34 vermeerderd met een rente van 7,75% per jaar.

[A] heeft niet betwist dat de verschuldigde rente tot 22 februari 2006 EUR 14.296,80 bedroeg.

Bij de verdere beoordeling wordt daarvan dan ook uitgegaan.

6.2. [B] en [C] hebben erkend dat zij zich als borg tot betaling van de schuld van [A] hebben verbonden en dat de bank uit dien hoofde van hen te vorderen heeft een bedrag van EUR 11.344,51 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2006.

6.3. Bij conclusie van dupliek hebben [A c.s.] echter gesteld dat de vorderingen van de bank jegens hen (desalniettemin) zouden moeten worden afgewezen omdat de Raamovereenkomst die onderdeel uitmaakt van het financieringsarrangement ten behoeve van de opleiding van [A] bepaalt dat de bank zich eerst maximaal diende in te spannen om de vordering op de verzekering te verhalen. [A c.s.] wijzen in dit verband op artikel 3.4 van die overeenkomst.

6.4. De rechtbank kan [A c.s.] in dit verweer niet volgen. Het artikel waar [A c.s.] met zoveel woorden naar verwijzen, artikel 3.4, komt niet voor in de Raamovereenkomst uit 1998. Het artikel is alleen terug te vinden in de bij dagvaarding door de bank overgelegde Raamovereenkomst uit 2005. Niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat partijen deze Raamovereenkomst op hun rechtsverhouding van toepassing hebben verklaard. Partijen hebben in 2001 een aantal overeenkomsten gesloten. Daarbij hebben zij ook een Raamovereenkomst onderdeel gemaakt van hun rechtsverhouding maar dat kan redelijkerwijs alleen de op dat moment bestaande Raamovereenkomst uit 1998 zijn geweest. De andere overeenkomst bestond immers toen nog niet. Nu niet is komen vast te staan dat partijen later, toen de nieuwe Raamovereenkomst is opgesteld, hun rechtsverhouding opnieuw hebben bepaald en daarop die latere Raamovereenkomst van toepassing hebben verklaard, dient er vanuit te worden gegaan dat [A c.s.] zich in deze alleen kunnen beroepen op bepalingen uit de Raamovereenkomst uit 1998 en niet (tevens) op bepalingen uit de Raamovereenkomst uit 2005.

Voor zover [A c.s.] hebben beoogd te stellen dat een met artikel 3.4 uit de Raamovereenkomst van 2005 vergelijkbare bepaling voorkomt in de Raamovereenkomst uit 1998 en dat zij in elk geval daarop, net als het Garantiefonds heeft gedaan, een beroep doen, heeft het volgende te gelden. Het Garantiefonds noemt in dit verband artikel 2.9 van de Raamovereenkomst uit 1998. Hoewel het desbetreffende artikelnummer ontbreekt, dient redelijkerwijs te worden aangenomen dat het Garantiefonds daarbij doelt op de laatste alinea van artikel 2.8. Na artikel 2.8 volgt namelijk artikel 2.10. In de (laatste zin van de) laatste alinea van artikel 2.8 staat dat in eerste instantie de loss of license Insurance wordt aangewend.

Een beroep op deze bepaling kan [A c.s.] evenwel niet baten. Deze bepaling ziet namelijk op de situatie waarin de leerling de opleiding heeft voltooid. Dit blijkt uit de (overige) tekst van de desbetreffende alinea. De alinea heeft betrekking op de periode van vijf jaar aansluitend aan de beëindiging van de opleiding en vóór het verkrijgen van een baan als verkeersvlieger. Als iemand in die periode medisch ongeschikt wordt verklaard, dient eerst de loss of license Insurance te worden aangewend. In het onderhavige geval is de situatie echter een andere. [A] is immers medisch ongeschikt verklaard voordat hij zijn opleiding kon beëindigen.

6.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen jegens [A c.s.] kunnen worden toegewezen met dien verstande dat de bank geen recht heeft op meer dan hetgeen zij uit hoofde van de kredietovereenkomst met [A] heeft te vorderen zoals hierna, bij de conclusie, nader zal worden uiteengezet.

de vordering jegens het Garantiefonds

6.6. De bank heeft aan haar vordering jegens het Garantiefonds ten grondslag gelegd de stelling dat het Garantiefonds zich als borg jegens de schuld van [A] heeft verbonden en dat hij nu gehouden is zijn verplichtingen uit de borgtocht na te komen.

6.7. Het Garantiefonds heeft de vordering van de bank gemotiveerd betwist. Primair heeft het Garantiefonds gesteld dat uit de Raamovereenkomst uit 2005, zoals overgelegd bij dagvaarding, volgt dat de borgtocht 27 maanden na datum van voltooiing, dus per 1 september 2005, was vervallen.

Subsidiair heeft het Garantiefonds gesteld dat in de Raamovereenkomst is bepaald dat de bank de verhaalsmogelijkheden van de leerling dient te onderzoeken en het Garantiefonds daarover dient te informeren. Nu dat niet is gebeurd en er ook geen gezamenlijk besluit is van de bank en het Garantiefonds met betrekking tot die verhaalsmogelijkheden, kan de bank geen beroep doen op het Garantiefonds.

Meer subsidiair is door het Garantiefonds naar voren gebracht dat de bank krachtens artikel 3.4 van de Raamovereenkomst uit 2005 verplicht was om een maximale inspanning te leveren om zich als eerste op de Loss of License Insurance en/of Training Expenses Insurance die [A] bij NLP heeft afgesloten te verhalen. Aan die verplichting heeft de bank niet voldaan.

Tenslotte heeft de bank nog gesteld dat het Garantiefonds prematuur in rechte is betrokken omdat de bank krachtens artikel 3.5 van de Raamovereenkomst 2005 eerst dient aan te tonen da zij alle mogelijkheden voor incasso heeft gehanteerd.

6.8. De vraag die thans eerst voorligt is welke Raamovereenkomst tussen de bank en het Garantiefonds van toepassing is: de Raamovereenkomst uit 1998 of die uit 2005. Bij dagvaarding heeft de bank een kopie van een Raamovereenkomst overgelegd. De bank heeft gesteld dat die Raamovereenkomst onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de borgstelling. Bij conclusie van repliek heeft zij vervolgens –onweersproken- gesteld dat de overgelegde kopie betrekking had op een Raamovereenkomst uit 2005. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij ten onrechte deze overeenkomst in plaats van de Raamovereenkomst uit 1998 heeft overgelegd. Volgens de bank is het juist de Raamovereenkomst uit 1998 waar vanuit dient te worden gegaan.

Dit is evenwel door het Garantiefonds betwist.

6.9. Bij de beoordeling van dit punt staat voorop dat in de akte van borgtocht expliciet de Raamovereenkomst uit 1998 van toepassing is verklaard. De desbetreffende bepaling is duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Het is de Raamovereenkomst uit 1998 waar partijen bij het sluiten van de overeenkomst vanuit zijn gegaan. Dit kan ook niet anders nu als gesteld en niet betwist vaststaat dat de bij dagvaarding overgelegde overeenkomst pas in 2005 is opgesteld.

Voor een beroep op bepalingen uit de Raamovereenkomst van 2005 is daarom in het onderhavige geval geen ruimte.

Daaraan doet niet af het gegeven dat het Garantiefonds bij conclusie van antwoord niet heeft betwist de stelling van de bank dat de overgelegde kopie een kopie was van de Raamovereenkomst die onlosmakelijk onderdeel uitmaakte van de borgstelling. In elk geval kan hier niet de conclusie aan worden verbonden dat daarmee de Raamovereenkomst uit 2005 op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is verklaard. Niet gesteld noch anderszins is immers gebleken dat partijen na het sluiten van de overeenkomst van borgstelling die later opgestelde overeenkomst onderdeel hebben willen maken van hun rechtsverhouding.

6.10. Het voorgaande brengt mee dat het primaire verweer van het Garantiefonds geen doel treft. De bepaling waar het Garantiefonds zich op beroept is namelijk alleen opgenomen in de Raamovereenkomst uit 2005. Zij is niet terug te vinden in de eerdere overeenkomst uit 1998. In de Raamovereenkomst uit 1998 is met betrekking tot het verval van de borgtocht alleen opgenomen dat de borgtocht geldig is tot maximaal vijf jaren na datum voltooiing opleiding. De bank heeft onweersproken gesteld dat die termijn nog niet is verstreken.

6.11. Ten aanzien van het subsidiaire verweer van het Garantiefonds heeft het volgende te gelden. Hoewel het Garantiefonds dit subsidiaire verweer bij conclusie van antwoord heeft gegrond op een bepaling uit de Raamovereenkomst uit 2005, zijn beide partijen er in het vervolg van de procedure vanuit gegaan dat een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 2.7 van de Raamovereenkomst uit 1998.

Volgens artikel 2.7 van de Raamovereenkomst uit 1998 dient onderzoek te worden gedaan naar de vermogenspositie van de leerling en dient er een gezamenlijk besluit te komen van de bank en het Garantiefonds omtrent de vraag of verwacht kan worden dat de leerling in staat zal zijn uit zijn vermogen de verplichtingen uit de kredietovereenkomst na te komen.

In het onderhavige geval heeft de bank gesteld dat artikel 2.7 van de Raamovereenkomst geen vormvereisten stelt en dat de bank bij brief van 11 september 2003 (als productie 10a overgelegd bij conclusie van repliek) aan het Garantiefonds heeft verzocht om de claim van [A] te beoordelen.

Met de bank kan worden geconstateerd dat niet is voorgeschreven in welke vorm de bank contact moet zoeken met het Garantiefonds. Het stond de bank derhalve vrij om per –gewone- brief met het Garantiefonds te communiceren. Dit laat evenwel onverlet dat die correspondentie wel (in elk geval mede) over een in de overeenkomst neergelegd onderwerp diende te gaan, te weten de vermogenspositie van [A]. Uit de inhoud van de overgelegde brief kan echter niet worden afgeleid dat er daadwerkelijk door de bank onderzoek heeft plaatsgevonden naar die vermogenspositie van [A]. Gelet op het eveneens (als productie 10b bij conclusie van repliek) overgelegde advies van EPST had het onderzoek waarover in de brief wordt gesproken betrekking op de claim van [A] jegens de verzekeraar. Dat is echter niet hetzelfde als een onderzoek naar de mogelijkheden van [A] om aan zijn verplichtingen jegens de bank te voldoen. Volgens de bank was er sprake van onwil van [A] om zelf voor inlossing van de schuld zorg te dragen maar onwil is niet hetzelfde als onmacht. Uit de overgelegde stukken kan in elk geval niet worden afgeleid of, en zo ja, in hoeverre [A] niet in staat was om zijn verplichtingen jegens de bank na te komen. Het enkele gegeven dat –zoals de bank stelt- vast was komen te staan dat de verzekeraar niet zou uitkeren kan ook niet tot de conclusie leiden dat een situatie was ontstaan als bedoeld in artikel 2.10 van de Raamovereenkomst, waarbij de bank gerechtigd was zich te beroepen op de borgtocht. Er kon pas worden geconstateerd dat een situatie als bedoeld in artikel 2.10 van de Raamovereenkomst zich had voorgedaan, na (verdergaand) onderzoek door de bank naar de vermogenspositie van [A].

6.12. Het nalaten nader onderzoek te doen komt voor rekening van de bank. Daarbij speelt mede een rol dat een dergelijk (nader) onderzoek naar het vermogen van [A] en met name naar de vraag of, en zo ja, in hoeverre hij op andere wijze inkomsten had of kon verwerven, juist ook in het belang van het Garantiefonds was. Anders dan de bank is het Garantiefonds namelijk niet zelf in staat om (op relatief eenvoudige wijze) informatie te verzamelen of in te winnen omtrent de financiële positie van de kredietnemer. Nu het onderzoek niet is verricht, is het Garantiefonds de mogelijkheid ontnomen om zijn eigen (financiële) positie op deugdelijke gronden te beoordelen.

6.13. Nu niet is gebleken dat de bank naar de vermogenspositie van [A] onderzoek heeft gedaan en daarover contact heeft gehad met het Garantiefonds om een gezamenlijk besluit te nemen in de zin van artikel 2.7 van de Raamovereenkomst 1998, sub a of sub c, kan niet worden geconcludeerd dat de bank thans gerechtigd is een beroep te doen op de borgtocht.

De vordering jegens het Garantiefonds zal om die reden worden afgewezen.

6.14. De overige verweren van het Garantiefonds behoeven dan geen verdere bespreking meer.

conclusie

6.15. De bank heeft nakoming gevorderd van [A] voor het gehele bedrag waar zij uit hoofde van de kredietovereenkomst recht op heeft en heeft daarnaast nakoming gevorderd van de borgen. Zoals hiervoor is overwogen is, behalve de vordering jegens [A], ook die tegen zijn ouders in principe toewijsbaar.

Toch bestaat er aanleiding om beide vorderingen niet onverkort toe te wijzen. Hoewel het aan de bank is om te bepalen of zij naast de hoofdschuldenaar ook de borgen aan wil spreken, kan één en ander niet betekenen dat de bank meer ontvangt dan waar zij recht op heeft.

Nu de bank niet heeft gevorderd dat de vorderingen hoofdelijk worden toegewezen en de bank niet meer kan ontvangen dan hetgeen waar zij krachtens de kredietovereenkomst recht op heeft, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering jegens de borgen integraal toe te wijzen maar om de vordering jegens [A] te verminderen met het bedrag dat. de borgen dienen te betalen, zodat een bedrag van (EUR 126.495,14 - EUR 11.344,51=) EUR 115.150,63 resteert.

6.16. [A c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Anders dan door [A c.s.] is gesteld, kan in het gegeven dat zij een verkeerde indruk hebben gehad van de rechtsverhouding tussen Abn Amro Bank en NLP niet een rechtvaardiging worden gevonden voor een verdeling van die kosten dan wel een veroordeling van de bank in de kosten.

De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Abn Amro Bank op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 84,87

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.570,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 4.263,00 (3,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 8.917,87

6.17. De bank zal worden veroordeeld in de kosten van het Garantiefonds.

De kosten aan de zijde van het Garantiefonds worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 4.263,00(3,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 4.263,00

in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123905 / HA ZA 06-1085

6.18. In de hoofdzaak is de vordering jegens het Garantiefonds afgewezen.

Nu er geen situatie is waarin het Garantiefonds als gedaagde in de hoofdzaak is veroordeeld om een geldsom aan Abn Amro Bank te betalen, ontbreekt een grond voor toewijzing van de vordering in de vrijwaringszaak. Die vordering zal worden afgewezen.

6.19. Het Garantiefonds zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 2.842,00

in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123332 HA ZA 06-980

6.20. [A] heeft aan zijn vordering jegens NLP ten grondslag gelegd de stelling dat NLP uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst gehouden is om tot uitkering over te gaan nu hij zijn vliegopleiding wegens ziekte heeft moeten staken. Volgens hem was er sprake van een ziekte in de zin van de polisvoorwaarden van de verzekeringsovereenkomst. Uit psychiatrisch onderzoek is gebleken dat [A] leed aan aanpassingsstoornis met angst, DSM IV code 309.24. Deze ziekte openbaarde zich voor het eerst gedurende de periode waarvoor de verzekering gold en veroorzaakte een totale onmogelijkheid voor [A] om de vliegopleiding te kunnen voortzetten. Op basis van de polisvoorwaarden is NLP gehouden om de verzekerde kapitaalsom van 257.000,00 gulden uit te keren, aldus [A].

6.21. NLP heeft betwist gehouden te zijn om de verzekerde som uit te keren. Volgens NLP kunnen de klachten van [A] niet worden beschouwd als “bodily injury”of “illness” in de zin van de polis. Daarenboven is niet voldaan aan het vereiste dat de ziekte moet zijn opgelopen en zich voor het eerst moet hebben gemanifesteerd gedurende de looptijd van de overeenkomst, aldus NLP. Tenslotte betwist NLP dat [A] door zijn toestand blijvend en volledig ongeschikt zou zijn voor het volgen van een vliegopleiding.

6.22. Thans ligt als eerste de vraag voor of er sprake is van een verzekerde gebeurtenis. Daarvoor is het van belang om te onderzoeken welke betekenis dient te worden toegekend aan het in de polis opgenomen begrip “illness”. Partijen twisten over de uitleg daarvan.

Voor het antwoord op de vraag wat dient te worden verstaan onder “illness” in de verzekeringspolis is uitgangspunt dat het aankomt op de zin die partijen bij de verzekeringsovereenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dit begrip mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Voorts moet bij de uitleg de aard en strekking van de verzekering in aanmerking worden genomen. Ook geldt bij de uitleg van de onderhavige verzekering als algemeen gezichtspunt dat naar gelang van de omstandigheden mag meewegen dat een eenzijdig door de verzekeraar opgestelde polisvoorwaarde in geval van twijfel ten gunste van de verzekerde moet worden uitgelegd.

6.23. Met NLP kan worden geconstateerd dat de uitleg van het begrip “illness” niet wordt bepaald door de in medische kringen gangbare definitie. Dat wil echter nog niet zeggen dat die medische definitie geen rol speelt. Het zou immers zo kunnen zijn dat [A] er onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat een gebeurtenis die in medische zin als een ziekte werd aangemerkt ook als “illness” in de zin van de verzekeringspolis zou gelden.

Bij het antwoord op de vraag of dat het geval is, speelt mee dat het woord “illness” afkomstig is uit het Engels en niet uit het Nederlands. Dit kan een reden zijn om het begrip niet te beperkt uit te leggen. Nu het bovendien een woord is dat afkomstig is van de verzekeraar zelf en niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst met [A] over de in de verzekering gebruikte begrippen is gesproken, is er reden te meer om het begrip ten gunste van [A] uit te leggen.

Bij die uitleg dient mede in aanmerking genomen te worden de aard en de achtergrond van de verzekering. De onderhavige verzekering diende er toe om [A] de zekerheid te verschaffen dat hij niet met hoge (opleidings)kosten zou blijven zitten indien de medische verklaring zou worden ingetrokken. [A] was immers gehouden om zelf de kosten van zijn opleiding te dragen. Deze kosten waren relatief hoog. Dergelijke kosten worden redelijkerwijs alleen gedragen als daar tegen over staat het vooruitzicht om die kosten – op termijn- terug te verdienen. Het is tegen die achtergrond dat [A] een verzekering heeft afgesloten. Indien hij onverhoopt niet in staat zou zijn om zijn opleiding af te maken en hij niet langer het vooruitzicht had op een baan als vlieger – en bijbehorend inkomen- wilde hij wel de relatieve zekerheid dat hij zijn schuld bij de bank zou kunnen aflossen. De verzekering dient derhalve als vervangende zekerheid.

6.24. Een en ander leidt, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat [A] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de verzekeraar tot uitkering zou overgaan indien hij zijn opleiding niet zou kunnen afmaken vanwege een medisch erkende oorzaak die tot gevolg had dat de voor de opleiding vereiste medische verklaring niet werd verstrekt of verlengd.

6.25. [A] is door psychiater Bakkeren onderzocht en die heeft ook een diagnose gesteld, te weten aanpassingsstoornis met angst: DSM IV code 309.24. Vervolgens heeft keuringsarts Van Deursen geadviseerd om [A] ongeschikt te verklaren voor klasse I en II. Daarna heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat beslist dat [A] medisch ongeschikt was om werkzaamheden waarvoor een bewijs van bevoegdheid was verstrekt te verrichten. De daarop volgende beslissing van de Inspectie hield in dat [A] op basis van de psychiatrische beoordeling vliegmedisch ongeschikt werd verklaard voor alle klassen. Het verzoek om afgifte van een medische verklaring werd afgewezen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen mocht [A] er in deze situatie vanuit gaan dat er sprake was van een gebeurtenis waarbij de verzekeraar tot uitkering zou overgaan.

6.26. Hieraan kan niet afdoen het gegeven dat [A] in een later stadium opnieuw is gekeurd door psychiater Koerselman die heeft geconstateerd dat er op basis van DSM IV-criteria geen ziekte is vast te stellen.

Het gaat hier immers om een keuring die is verricht nadat reeds was beslist door de Inspectie dat [A] vliegmedisch ongeschikt was. Dit oordeel van de Inspectie was gebaseerd op de conclusies van een psycholoog, een keuringsarts en een psychiater. Niet gesteld noch anderszins is gebleken dat aan de deskundigheid van deze artsen diende te worden getwijfeld dan wel dat deze artsen niet onafhankelijk en/of onpartijdig waren. [A] mocht er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat het oordeel van deze deskundigen maatgevend zou zijn voor de beslissing omtrent de (verlening of verlenging) van de medische verklaring en daarmee ook voor uitkering door de verzekeraar. Hij behoefde er in elk geval geen rekening mee te houden dat de verzekeraar zijn oordeel om al dan niet uit te keren vervolgens zou laten afhangen van één psychiatrisch onderzoek dat pas werd verricht nadat hem reeds een medische verklaring was onthouden terwijl die verzekeraar reeds ruimschoots voor de beslissing van de Inspectie op de hoogte was van de toestand van [A]. Indien extra psychiatrisch onderzoek volgens de verzekeraar nodig was geweest, had zij daar in een eerder stadium –en in elk geval voor de beslissing van de Inspectie- op moeten wijzen.

6.27. Nu tussen partijen als gesteld en niet betwist vaststaat dat [A] voorafgaande aan de vliegopleiding uitgebreid medisch is gekeurd en destijds niet is gebleken van een aanpassingsstoornis met angst, dient het er voor gehouden te worden dat de ziekte zich voor het eerst gedurende de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan.

Hieraan kan niet afdoen dat [A], zoals NLP stelt, eerder tot drie keer toe was afgekeurd voor een vliegopleiding nu niet is gesteld, noch anderszins is gebleken dat hij eerder werd afgekeurd vanwege een aanpassingsstoornis met angst.

In dit verband is door NLP nog opgemerkt dat een eventuele uitkeringsplicht is komen te vervallen omdat [A] in het door hem ingevulde aanvraagformulier voor de verzekering heeft verzwegen dat hij drie maal was afgekeurd voor een vliegopleiding. Hierin kan NLP echter niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat er in het formulier geen ruimte is voor (overige) van belang zijnde opmerkingen is door NLP ook niet gesteld dat het voor Pomstra bekend diende te zijn dat eerdere afkeuringen voor de verzekeraar een relevant feit opleverden. Voor een vernietiging van een verzekeringsovereenkomst, waar NLP klaarblijkelijk op doelt, is bovendien alleen plaats als het verzwegen feit van belang is voor de beoordeling van het risico zoals zich dit heeft verwezenlijkt. Nu echter niet is komen vast te staan dat [A] eerder is afgekeurd vanwege problemen met betrekking tot zijn psychische gesteldheid, kan ook niet worden geconcludeerd dat hij een feit heeft verzwegen dat van belang is voor de beoordeling van het risico zoals zich dat uiteindelijk heeft verwezenlijkt, te weten een aanpassingsstoornis met angst.

6.28. Aangezien de medische verklaring van [A] vervolgens is vervallen en/of er geen nieuwe medische verklaring is verstrekt, was het voor [A] onmogelijk om de vliegopleiding voort te zetten.

NLP stelt weliswaar dat het niet uitgesloten is dat [A] de opleiding alsnog zou kunnen vervolgen maar daarmee gaat NLP voorbij aan het gegeven dat [A] alleen een opleiding kon volgen indien en voorzover hij in het bezit was van een medische verklaring. NLP heeft niet –laat staan gemotiveerd- gesteld dat [A], indien hij een nieuwe aanvraag in had gediend, alsnog (binnen 12 maanden nadat de ziekte zich voor het eerst openbaarde) een dergelijke verklaring zou hebben ontvangen.

6.29. Eén en ander leidt tot de conclusie dat is voldaan aan de voorwaarden voor uitkering door de verzekeraar.

6.30. Anders dan [A] stelt, betekent dit echter niet dat de verzekeraar ook gehouden is om datgene aan [A] te voldoen waarvoor hij in de hoofdzaak jegens de bank is gehouden. NLP is namelijk tot niet meer gehouden dat tot uitkering van (maximaal) de verzekerde som. In zoverre is de primaire vordering dan ook niet toewijsbaar.

6.31. Subsidiair heeft [A] gevorderd om NLP te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 126.495,14 te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 22 februari 2006 tot aan de dag van algehele voldoening. Het gaat daarbij betaling van alle door [A] gemaakte opleidingskosten, kosten van rente, kosten van verzekeringen die in verband met de opleiding zijn afgesloten en kosten van levensonderhoud tijdens de opleiding alsmede om schade die het gevolg is van niet nakoming van de overeenkomst door NLP respectievelijk -meer subsidiair- onrechtmatig handelen van NLP jegens [A].

6.32. NLP heeft betwist gehouden te zijn om [A] een bedrag van EUR 126.495,14 te betalen.

6.33. Bij de beoordeling van dit geschilpunt staat voorop dat NLP in elk geval niet per definitie verplicht is om de maximaal verzekerde som van EUR 116.621,51 (257.000,00 gulden) uit te keren. NLP is tot niet meer gehouden dan tot uitkering overeenkomstig de in de verzekering opgenomen voorwaarden. In het bijzonder is dan van belang hetgeen is vermeld in de polis onder het kopje “what this section covers”. Daaruit kan worden afgeleid dat [A] slechts recht heeft op “reimbursement of the actual fees paid or contractually obligated to be paid up to the date of the loss which are not refundable by the Flying school up to the Sum Insured stated in the policy”. Het komt aldus aan op de daadwerkelijk gemaakte opleidingskosten. Verder heeft [A] nog recht op vergoeding van rente en kosten, bestaande uit “a) Costs of interest, forming part of the loan/mortgage and the amount insured, but only in connection with the amounts already taken up from this loan/mortgage; b) Costs of insurance in direct connection with the relevant pilot-training; c) Costs of living, being a part of the loan/mortgage and forming part of the amount insured.”

6.34. [A] heeft gesteld dat de door hem in het kader van de vliegopleiding gemaakte kosten EUR 107.418,75 bedragen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [A] bankafschriften van de Abn Amro Bank overgelegd.

6.35. Met NLP kan evenwel worden geconstateerd dat uit de door [A] (in een eerder stadium) overgelegde overeenkomst tussen hem en de opleidingsinstantie blijkt dat de kosten van opleiding slechts EUR 98.000,00 bedragen. Daarin is begrepen een bedrag voor accommodatie en maaltijden. Een nagenoeg zelfde bedrag ter zake van opleiding is terug te vinden in de (later) door [A] overgelegde bankafschriften waarin in vijf termijnen bedragen ter zake van opleidingskosten zijn afgeschreven tot een totaalbedrag van EUR 98.200,00.

Hoewel in die bankafschriften ook andere bedragen zijn opgenomen ter zake van premies, rente en provisie zijn deze bedragen niet zonder meer te herleiden tot de in de verzekeringsovereenkomst genoemde rente en kosten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van NLP van de omvang van de vordering had het in elk geval op de weg van [A] gelegen om beter gemotiveerd aan te geven dat de bedragen die op de bankafschriften staan vermeld ook bedragen zijn die de omvang van de uitkering door de verzekeraar bepalen. Dat heeft [A] evenwel nagelaten. Hij heeft volstaan met het overleggen van bankafschriften zonder enige nadere specificatie. Dat brengt mee dat zijn stellingen voor wat betreft het bedrag dat EUR 98.200,00 te boven gaat als onvoldoende gemotiveerd dienen te worden gepasseerd.

NLP is dan ook, uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst, gehouden tot vergoeding van niet meer dan EUR 98.200,00.

6.36. [A] heeft, zoals ook hiervoor al is weergegeven, overigens nog gesteld dat NLP gehouden is de schade te vergoeden die het gevolg is van de niet nakoming van de op NLP rustende verplichting om tot uitkering over te gaan dan wel van het onrechtmatig handelen van NLP jegens [A]. Die schade zou volgens [A] onder meer bestaan in de rente en kosten die door Abn Amro Bank worden gevorderd in de hoofdzaak alsmede in de kosten die terzake de hoofdprocedure voor rekening van [A] zullen komen.

Deze vordering kan echter niet worden toegewezen. De rente en kosten die [A] aan de bank (in de hoofdprocedure) moet betalen zijn het gevolg van het niet aflossen van het krediet door [A] en niet van het niet (tijdig) uitkeren van de verzekerde som door NLP. Het had op de weg van [A] gelegen om tijdig voor aflossing van het krediet te zorgen. Voor zover hij thans bedoelt te stellen dat hij daartoe niet in staat was totdat NLP uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst een bedrag zou betalen, had het op de weg van [A] gelegen om NLP daarvoor tijdig aan te spreken. Het nalaten daarvan komt voor rekening van [A].

Voor een veroordeling van NLP tot vergoeding van schade bestaande uit de proceskosten die ter zake de hoofdprocedure voor rekening van [A] zullen komen is ook geen ruimte aangezien ook deze kosten niet het gevolg zijn van het niet uitkeren door NLP maar wel van het voeren van verweer jegens de bank. Voor zover [A] zich op het standpunt stelt dat hij verweer diende te voeren omdat hij wegens het tekortschieten van NLP niet in staat was om aan de vordering van de bank te voldoen, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over het (tijdig) starten van een procedure tegen NLP.

6.37. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat NLP (tot niet meer) gehouden is dan tot vergoeding van het bedrag dat [A] ter zake van de vliegopleiding heeft moeten maken, te weten EUR 98.200,00.

NLP heeft in dat verband nog wel gesteld dat [A] geen vorderingsrecht toekomt omdat hij alle uit de verzekering voortvloeiende vorderingen en rechten heeft verpand aan de bank maar in deze stelling kan NLP niet worden gevolgd. Niet gesteld noch anderszins is gebleken dat van het pandrecht mededeling is gedaan aan NLP zodat het de bevoegdheid van [A] is gebleven om nakoming te vorderen.

6.38. NLP zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [A] in deze vrijwaringsprocedure.

De kosten aan de zijde van Pomstra worden begroot op:

- explootkosten EUR 84,87

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 2.926,87

7. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

7.1. veroordeelt [A] om aan Abn Amro Bank te betalen een bedrag van EUR 115.150,63 (éénhonderdvijftienduizendéénhonderdvijftig euro en drieënzestig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 7,75% per jaar over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 112.198,34 (éénhonderdtwaalfduizendéénhonderdachtennegentig euro en vierendertig eurocent) vanaf 22 februari 2006 tot de dag van volledige betaling,

7.2. veroordeelt [B] en [C] om aan Abn Amro Bank te betalen een bedrag van EUR 11.344,51 (elfduizenddriehonderdvierenveertig euro en éénenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2006 tot de dag van volledige betaling,

7.3. veroordeelt [B] in de kosten van de conservatoire maatregelen ad EUR 452,00 en EUR 97,00 griffierecht,

7.4. veroordeelt [A c.s.] in de proceskosten van Abn Amro Bank, aan de zijde van Abn Amro Bank tot op heden begroot op EUR 8.917,87,

7.5. veroordeelt Abn Amro Bank in de proceskosten van het Garantiefonds, aan de zijde van het Garantiefonds tot op heden begroot op EUR 4.263,00,

7.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak in vrijwaring met rolnummer/ zaaknummer 123905 / HA ZA 06-1085

7.7. wijst de vorderingen af,

7.8. veroordeelt het Garantiefonds in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 2.842,00.

in de vrijwaringszaak met rolnummer/ zaaknummer 123332 HA ZA 06-980

7.9. veroordeelt NLP om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 98.200,00 (achtennegentigduizendtweehonderd euro),

7.10. veroordeelt NLP in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 2.926,87,

7.11. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2007.