Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB8861

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
28-11-2007
Zaaknummer
364707 HA 07-271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht. Ontbindingsverzoek van werkgeefster afgewezen. Het aan werknemer opgelegde verbod, in strijd waarmee hij zou hebben gehandeld, kende een uitzondering waarvan de begrenzing onvoldoende duidelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 364707 HA VERZ 07-271

Datum : 21 september 2007

Beschikking in de zaak van:

de vereniging VERENIGING VOOR CHRISTELIJK HOGER ONDERWIJS, WETEN-SCHAPPELIJK ONDERZOEK EN PATIËNTENZORG,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekende partij,

verder te noemen Windesheim,

gemachtigde mr. E.J.A. Vilé te Utrecht,

tegen

[WERKNEMER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

verder te noemen [werknemer],

gemachtigde mr. L.J.M. Ketting te Deventer.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, het verweerschrift en de produc-ties. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 12 september 2007. Partijen, Windesheim ver-tegenwoordigd door de heer mr. [V], en hun gemachtigden zijn verschenen. Zij hebben hun standpunten toegelicht. Daarna is de uitspraak op heden bepaald.

Het geschil

Windesheim verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens een verandering in de omstandigheden. [werknemer] heeft dit ver-zoek gemotiveerd weersproken.

1. De vaststaande feiten

1.1

Vaststaat dat [werknemer], geboren [datum], op [datum] in dienst van Windesheim is getreden. De functie van [werknemer] is medewerker services/huismeester, hierna conciërge genoemd. Hij is werkzaam bij de Christelijke Hogeschool Windesheim, afdeling CALO, welke school door de verzoekende partij in stand wordt gehouden. Behalve [werknemer] is (onder meer) ook de heer [X] als conciërge bij Windesheim werkzaam. Het salaris van [werknemer] bedraagt € 1.855,41 bruto per maand.

1.2

In 2004 is het de conciërges verboden fietsen (van studenten en docenten) te repareren (behou-dens in noodgevallen) en te verhandelen. In juni 2007 heeft de politie een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het feit dat (een) student(en) van de afdeling CALO in het bezit wa(s)(ren) van een gestolen fiets. Die student(en) had(den) verklaard dat hij (zij) de fiets van een conciërge van de afdeling CALO had(den) gekocht. Mede naar aanleiding van dit onderzoek heeft op 28 juni 2007 een gesprek plaatsgevonden tussen (onder meer) de directeur van de facilitaire dienst, de heer [V], en [werknemer]. Tijdens dit gesprek heeft [werknemer] ontkend bedoelde fiets te hebben verkocht. Volgens [werknemer] had hij zich aan het verbod fietsen te repareren en te verhandelen gehouden, behoudens in een enkel noodgeval. Nadien hebben gesprekken met andere conciërges plaatsgevonden. De uitkomsten van die gesprekken hebben ertoe geleid dat [werknemer] op 6 juli 2007 is geschorst, welke schorsing bij brief van 11 juli 2007 is bevestigd. [werknemer] heeft sindsdien geen werkzaamheden meer voor Windesheim verricht.

1.3

Het politieonderzoek heeft niet geleid tot enige betrokkenheid van (een conciërge van) Windes-heim bij een strafbaar feit en heeft dan ook geen gevolgen voor Windesheim of één van haar medewerkers gehad.

2. Het standpunt van Windesheim

2. 1

Het standpunt van Windesheim komt, kort samengevat, hierop neer dat [werknemer] in strijd met het verbod dat hem in 2004 is gegeven heeft gehandeld door op ruime schaal fietsen te re-pareren en te verhandelen. Windesheim heeft in dit verband verwezen naar de verslagen van de gesprekken met collega conciërges en naar de werkagenda van [werknemer] waarin 33 aanteke-ningen van [werknemer] betreffende fietsenreparatie of fietsenhandel in de periode januari 2006 tot en met juni 2007 zijn aangetroffen.

2.2

Ook (en vooral) verwijt Windesheim [werknemer] dat hij op 28 juni 2007 heeft gelogen over de (omvang van de) fietsenreparatie en -handel. Dat gesprek verliep trouwens in alle rust.

2.3

Windesheim is door het een en ander het vertrouwen in [werknemer] volledig kwijtgeraakt, om welke reden de arbeidsovereenkomst -- zonder vergoeding voor [werknemer]-- moet eindigen.

3. Het standpunt van [werknemer]

3.1

[werknemer] heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Het in 2004 gegeven verbod is niet schriftelijk vastgelegd. Het was de gewoonste zaak van de wereld dat door hem en door collega [X] fietsen werden gerepareerd. Iedereen wist dat. Vanaf 2004 heeft [werknemer] drie keer een fiets verkocht, welke fiets uit onderdelen van oude fietsen was samengesteld. De stu-denten en docenten die hun fiets lieten repareren betaalden daarvoor een zeer geringe vergoe-ding, ongeveer één à twee euro. Met de gestolen fiets heeft [werknemer] niets van doen.

3.2

In het gesprek op 28 juni heeft [werknemer] ontkend dat hij op grote schaal fietsen repareerde en verhandelde. Tijdens het gesprek is hij dichtgeslagen. [werknemer] repareerde fietsen uitslui-tend tijdens zijn werkpauzes of na werktijd. Zijn collega [X] die ook fietsen repareerde heeft slechts een schriftelijke waarschuwing van Windesheim gehad.

3.3

[werknemer] vindt de reactie van Windesheim overdreven. Privé heeft [werknemer] het al moeilijk genoeg. Ingeval van ontbinding dient een vergoeding van € 28.614,74 te worden toe-gekend.

4. De beoordeling

4.1

Vaststaat dat het [werknemer] was verboden fietsen te repareren en te verhandelen, behoudens in noodgevallen. De vraag is of [werknemer] dit verbod, voor zover het de reparatie van fietsen betreft, heeft overtreden omdat weliswaar vaststaat dat [werknemer] fietsen heeft gerepareerd maar ook moet vaststaan dat die reparaties geen noodgevallen betroffen. Dat laatste is de vraag omdat een duidelijke definitie van een noodgeval ontbreekt. Het ter zitting door de gemachtigde van Windesheim genoemde voorbeeld van de studente die 's avonds laat naar huis wil maar geconfronteerd wordt met een lekke band en vraagt om te worden geholpen, is evident een noodgeval, maar wat nu als het om een student gaat die 's ochtends geconfronteerd wordt met een lekke band en de trein moet halen? Die situatie kan evengoed als een noodgeval worden beschouwd. Door deze onduidelijkheid is onvoldoende aannemelijk geworden dat [werknemer] het verbod tegen beter weten in heeft overtreden en wel in die mate dat om die reden de ontbin-ding van de arbeidsovereenkomst is gerechtvaardigd.

4.2

Uit de werkagenda van [werknemer] blijkt dat in een periode van anderhalf jaar 33 aantekenin-gen met betrekking tot fietsen zijn gemaakt. Gegeven de omvang van de school en het ongetwij-feld grote aantal (fietsende) studenten en docenten kan hieruit niet de conclusie worden getrok-ken dat fietsen op grote schaal werden gerepareerd.

4.3

[werknemer] heeft toegegeven dat hij vanaf 2004 drie keer een fiets heeft verkocht. Dat was in strijd met het verbod. Met een noodgeval heeft die verkoop om voor de hand liggende redenen niets te maken. [werknemer] had dit behoren na te laten. In zoverre heeft hij het verbod overtre-den.

4.4

De directeur, de heer [V], heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat indien [werknemer] in het gesprek op 28 juni 2007 volledig opening van zaken had gegeven, het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet was ingediend. Daaruit volgt dat ook in de visie van Windes-heim de enkele overtreding van het verbod de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet kan dragen.

4.5

De vraag is vervolgens of de opstelling van [werknemer] in het gesprek met (onder meer) de heer [V] op 28 juni 2007 (in combinatie met de deels vaststaande overtreding van het verbod), de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wél kan rechtvaardigen. Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend.

Volgens het verslag van het gesprek met [werknemer] zijn de activiteiten van [werknemer] in verband gebracht met het politieonderzoek waarvan de afloop toen nog onzeker was. [werkne-mer] is tijdens het gesprek over dit politieonderzoek ingelicht. Verder is [werknemer] gewezen op het risico van imagoschade indien gestolen fietsen door personeel van Windesheim zouden worden verkocht. Tegen die achtergrond beschouwd is niet onbegrijpelijk dat [werknemer] zich op de vlakte heeft gehouden en de werkelijkheid niet volledig heeft onthuld.

Daarbij komt dat [werknemer] al elf jaren in loondienst van Windesheim is en kennelijk altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd nu het tegendeel is gesteld noch gebleken. Ook heeft het reguliere werk van [werknemer] blijkbaar niet onder zijn nevenactiviteiten geleden terwijl die activiteiten het predikaat ‘commercieel’ niet verdienen. De vergoeding die voor de reparatie werd betaald was zeer gering, te weten één à twee euro. En volgens de onweersproken gebleven opgave van [werknemer] zijn de drie door hem verkochte fietsen voor een bedrag van ongeveer € 15,00 per stuk van de hand gedaan.

4.6

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek tot ontbinding moet worden afgewezen. Het verwijt aan het adres van [werknemer] is, gelet op alle omstandigheden van het geval, onvoldoende ernstig om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

4.7

De kantonrechter zal de proceskosten op de hierna genoemde manier compenseren.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- compenseert de proceskosten zo, dat partijen hun eigen kosten dragen.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 21 september 2007, in het bijzin van de griffier.