Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB7845

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
125960 / HA ZA 06-1336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Pauliana. Ambtshalve wetenschap van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 125960 / HA ZA 06-1336

Vonnis van 19 september 2007

in de zaak van

Mr. [eiser]

wonende te [woonplaats],

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vagevo [woonplaats] Assurantiën B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. K. van Barneveld-Peters,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.W. Both.

Partijen zullen hierna de curator, [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1 [gedaagde] is op 1 november 2000 in dienst getreden bij [eiser]. Vanaf 1 november 2001 heeft hij geen salaris meer ontvangen omdat de vennootschap onvoldoende liquide was. Zijn dienstverband heeft hij om die reden zelf beëindigd op 1 juni 2002.

Hij heeft bij zijn vertrek een verzekeringsportefeuille meegekregen waarvoor hij EUR 7.000,-- heeft betaald. De portefeuille is aan hem overgedragen. Hij heeft zijn schuld uit dien hoofde verrekend met zijn vordering uit achterstallig loon. [gedaagde] heeft de portefeuille doorverkocht en geleverd aan Zwartewaterland B.V.

2.2 Op 17 juli 2002 zijn Vagevo Beheer B.V., de moedermaatschappij van [eiser], en [eiser] failliet verklaard met benoeming van eiser tot curator.

3. Het geschil

3.1 De curator heeft op grond van Faillissementswet art. 42 de nietigheid ingeroepen van de rechtshandeling van [eiser] die in de verkoop van de assurantieportefeuille besloten ligt en vordert bij wijze van door de boedel geleden schade uit onrechtmatige daad van [gedaagde] het bedrag van EUR 7.000,-- van deze terug.

3.2 [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Voor zover nodig voor het rechtsoordeel komt het hierna ter sprake.

4. De beoordeling

De rechtbank is, de (bewijs)stukken van partijen in ogenschouw nemend, voorshands van oordeel dat aan alle vereisten van de artikelen 42 en 43 lid 1 sub 4a Fw ([gedaagde] is weliswaar geen bloedverwant maar wel “aanverwant” van de directeur van [eiser] [A] met wie hij de transactie heeft beklonken) is voldaan en dat dus sprake is geweest van een paulianeuze en dus nietige rechtshandeling van [gedaagde]. Dat er sprake was van een onverplicht verrichte rechtshandeling van [gedaagde] is overigens door deze erkend. De rechtbank acht het – wederom: naar haar voorlopig oordeel – niet aannemelijk dat [gedaagde] niet heeft geweten (en zeker niet dat hij niet geacht kan worden te hebben geweten) dat er geen dreigend gevaar bestond van insolventie van [eiser] toen hij voor EUR 7.000,-- de assurantieportefeuille van [eiser] – vertegenwoordigd door zijn zwager [A] – overnam.

4.1 Anderzijds is de rechtbank er vooralsnog niet van overtuigd geraakt dat de onrechtmatige daad van [gedaagde] waarop de curator zich beroept, voor de boedel een schade van EUR 7.000,-- heeft opgeleverd. Er kan niet zonder meer van worden uitgegaan dat de schade precies het bedrag beloopt dat [gedaagde] om hem moverende redenen bereid was voor de portefeuille te betalen. Dat de curator de portefeuille ook voor dat bedrag te gelde had kunnen maken indien hij deze voor de boedel had kunnen behouden, en (op korte termijn) had kunnen verzilveren, is onzeker zo niet kwestieus. De rechtbank is geneigd, mede op grond van haar ambtshalve wetenschap, enig gewicht toe te kennen aan de stelling van [gedaagde] dat de waarde van assurantieportefeuilles aan meer of minder sterke wisselingen onderhevig kan zijn, met name door provisiecorrecties van de verzekeraars bij weglopen van de verzekerden of bij hun in gebreke blijven met premiebetalingen. Maar dat de waarde van de portefeuille vrijwel nihil zou zijn (geworden) zoals [gedaagde] stelt is evenmin erg aannemelijk Een indicatie van de waarde kan zijn het bedrag waarvoor [gedaagde] de portefeuille zelf aan Zwartewaterland B.V., heeft verkocht. Dat bedrag is niet door hem genoemd.

4.2 Overigens acht de rechtbank het evenzeer onwaarschijnlijk dat [gedaagde] er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat hij de enige crediteur was van [eiser] en dat hij daarom niet hoefde te weten dat hij andere schuldeisers benadeelde met de aankoop van de assurantieportefeuille en verrekening van de koopsom met vele maanden achterstallig loon dat hij nog van [eiser] te vorderen had. Hij moet redelijkerwijs hebben begrepen dat hij niet het enige slachtoffer kan zijn van zo’n gebrek aan liquiditeit bij zijn werkgever.

4.4 In beginsel rust op de curator de bewijslast van zijn stelling dat de schade voor de boedel EUR 7.000,-- bedraagt. Hij baseert zijn vordering immers uitsluitend op onrechtmatige daad zodat het bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 onder 4a Fw hem niet ten dienste staat. De rechtbank vraagt zich af of het procesbelang en het klaarblijkelijk ontbreken van enig aktief van betekenis in de boedel partijen niet zou moeten ingeven de zaak te schikken, zowel met het oog op het vermijden van verdere kosten als op de onzekere uitkomst van bewijslevering door middel van getuigen aan deze en gene zijde.

4.5 De curator heeft in het petitum van de dagvaarding subsidiair gevraagd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een “zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren”. Het dunkt de rechtbank dat partijen ook onderling dat bedrag zullen kunnen bepalen. Als gezegd zou een geschikt uitgangspunt voor die onderhandelingen zijn het bedrag waarvoor [gedaagde] zelf de portefeuille heeft kunnen verkopen.

4.6 De rechtbank zal een comparitie gelasten waarbij zij, mochten partijen dat wensen, een nadere toelichting zal geven op haar hierboven als voorlopig aangeduide motivering, alsmede om een schikking te beproeven, een en ander voor het geval partijen niet reeds voordien de zaak ter rolle hebben doen doorhalen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1 gelast een comparitie van partijen, te houden op een nader te bepalen datum in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5, zulks met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling;

5.2 verwijst de zaak naar de rol van 3 oktober 2007 voor opgave van verhinderdata door beide partijen, ambtshalve peremptoir;

5.3 houdt iedere verdere uitspraak aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op

19 sepember 2007.