Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB6603

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
30-10-2007
Zaaknummer
126965 - HA ZA 06-1452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Criterium wordt toegepast op iedere stichtingsbestuurder afzondelijk, met als resultaat:

geen onrechtmatig handelen c.q. persoonlijke aansprakelijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/39
JRV 2008, 176

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 126965 / HA ZA 06-1452

Vonnis van 22 augustus 2007

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te Harderwijk,

2. [eiseres],

wonende te Harderwijk,

eisers,

procureur mr. E. Doornbos,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. H. Hulshof,

2. [gedaagde],

wonende te Harderwijk,

gedaagde,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. E.A.A. van Ommeren te Beekbergen

3. [gedaagde],

wonende te Lelystad,

gedaagde,

procureur mr. W.J.A. Wichers Hoeth.

Eisers zullen hierna [eiser] genoemd worden; gedaagden zullen respectievelijk [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 november 2006 met producties

- de conclusies van antwoord aan de zijde van [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C];

- de conclusie van repliek

- de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser]

- de conclusies van dupliek aan de zijde van [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C],

- de akte uitlating producties aan de zijde van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] waren destijds bestuursleden van de stichting “Stichting Sociale Administratieve Services” (hierna: SAS). SAS bood hulp - waaronder het voeren van budgetbeheer - aan mensen in financiële moeilijkheden. SAS is op 1 juni 2006 opgeheven.

2.2. In januari 2003 is een Hulpverleningsovereenkomst gesloten tussen SAS en [eiser] Op basis van deze overeenkomst heeft SAS een ‘budgetrekening’ geopend, waarop [eiser] zijn inkomsten diende te storten. SAS was gemachtigde voor deze rekening. De Hulpverleningsovereenkomst is op 16 mei 2006 opgezegd.

2.3. [gedaagde A] heeft in de periode van oktober 2005 tot medio 2006 de dagelijkse werkzaamheden die hij binnen SAS verrichtte, overgelaten aan [X] (hierna: [X]). In deze periode heeft [X] zich wederrechtelijk gelden toegeëigend die aan [eiser] toebehoorden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] hoofdelijk zal veroordelen om aan [eiser]:

- tegen kwijting te betalen een bedrag van EUR 23.876,56;

- te betalen een bedrag van EUR 1.158,- aan buitengerechtelijke kosten;

- te betalen een bedrag aan wettelijke rente over de hierboven genoemde posten en wel over de periode die aanvangt op de dag dat [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] in verzuim zijn en eindigt op de dag van algehele voldoening

met veroordeling van [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld omdat zij als bestuurders van SAS

- hebben toegelaten dat [X] bedragen kon opnemen van de budgetrekening van [eiser]

- hebben toegelaten dat SAS grote bedragen van de budgetrekening heeft laten wegvloeien naar derden

- schuldig zijn aan het feit dat SAS haar werkzaamheden in het kader van de hulpverleningsovereenkomst niet is nagekomen, waardoor [eiser] onnodig is geconfronteerd met hoge incassokosten.

3.3. [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] hebben ieder afzonderlijk verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] stelt dat [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. De rechtbank neemt in dit verband tot uitgangspunt dat van onrechtmatig handelen door een bestuurder jegens derden slechts sprake is als het handelen van de bestuurder ten opzichte van de derde in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, cq indien hem persoonlijk opzet of bewuste roekeloosheid kan worden verweten. Aan deze maatstaf zal de rechtbank het handelen en/of nalaten van [gedaagde A], [gedaagde B] en [gedaagde C] toetsen.

[gedaagde A]

4.2. [eiser] stelt, hetgeen door [gedaagde A] wordt erkend, dat [X] zich wederrechtelijk bedragen van de budgetrekening van [eiser] heeft toegeëigend. Volgens [eiser] is [gedaagde A] – naast SAS – persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] door het handelen van [X] heeft geleden, omdat hij welbewust het risico heeft genomen dat [X] niet betrouwbaar zou blijken te zijn.

[gedaagde A] heeft tot zijn verweer aangevoerd:

- dat hij vanaf januari 2003 regelmatig het ziekenhuis heeft bezocht voor consulten en operaties aan zijn knie, rug, nek en ogen;

- dat hij toen werd bijgestaan door een verzekeringsagent, van wiens hulp hij echter onverwacht moest afzien;

- dat hij in die periode [X] heeft leren kennen, die heeft aangeboden de plaats van voormelde verzekeringsagent over te nemen;

- dat hij in oktober 2005 opgenomen is in het ziekenhuis vanwege een val van de trap waarbij zijn rollator op hem viel, waarna hij noodgedwongen zijn volledige werkzaamheden binnen de stichting moest overlaten aan een [X],

- dat hij geen reden had te twijfelen aan de integriteit van [X], aangezien deze hem al enige tijd goed bijgestaan had.

Nu [eiser] dit verweer van [gedaagde A] niet heeft betwist, en overigens geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [gedaagde A] kan volgen, staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat [gedaagde A] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat [gedaagde A] wellicht te goed van vertouwen is geweest maakt nog niet dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [gedaagde A].

4.3. [eiser] stelt voorts dat [gedaagde A] heeft toegelaten dat bedragen van de budgetrekening van [eiser] zijn overgemaakt naar rekeningen van derden, die geen recht op deze gelden hebben. Het gaat daarbij om overboekingen tot een totaalbedrag van EUR 7.119,75 van rekening met nummer [nummer] bij de Postbank naar rekeningen van SAS en van [gedaagde A] en om een totaalbedrag van EUR 7.640,39 van de rekening met nummer [nummer] bij de Fortisbank.

[gedaagde A] bestrijdt niet dat voornoemde bedragen zijn overgeboekt, maar betwist dat deze betalingen voor zijn eigen gebruik of voor gebruik van SAS zijn aangewend.

Ten aanzien van de bedragen die van de rekening bij de Postbank naar de rekeningen van SAS en van [gedaagde A] zijn overgeboekt, voert [gedaagde A] aan dat deze bedragen (bijna) alle door [X] zijn opgenomen, met uitzondering van het bedrag van EUR 94,75, dat waarschijnlijk foutief geboekt is. De rechtbank overweegt dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde A] wist dat [X] zich (indirect) gelden van de rekening van [eiser] toeeigende.

De bedragen die van de rekening bij de Fortisbank zijn afgeboekt zijn volgens [gedaagde A] zonder nadere gegevens niet controleerbaar. Door [eiser] is vervolgens niets aangevoerd waaruit blijkt dat de gelden van de Fortisbank ten onrechte zijn afgeboekt en niet ten behoeve van [eiser] zijn betaald – hetgeen tegenover de betwisting door [gedaagde A] wel op zijn weg had gelegen.

Nu [eiser] geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat – in verband met het overmaken van bedragen van de budgetrekening van [eiser] – sprake is van opzet of bewust roekeloosheid van [gedaagde A], wordt de stelling van [gedaagde A] op dit punt verworpen

4.4. Ten aanzien van de door [eiser] genoemde incassokosten heeft [gedaagde A] onweersproken aangevoerd dat [eiser] niet zijn volledige inkomsten afdroeg aan SAS en dat hij nota’s niet of te laat instuurde, waardoor niet (steeds) tijdig aan alle betalingsverplichtingen kon worden voldaan. [gedaagde A] heeft voorts – terecht – betoogd dat uit de door [eiser] overgelegde stukken niet blijkt dat een bedrag van EUR 6.804,30 aan incassokosten is betaald en evenmin waarom incassokosten in rekening zijn gebracht. [eiser] heeft dan ook onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat SAS (en/of haar bestuursleden) tekort is geschoten door niet te voorkomen dat incassokosten in rekening werden gebracht. [eiser] heeft zijn vordering op dit punt derhalve onvoldoende onderbouwd, hetgeen ertoe leidt dat dit deel van de vordering niet toewijsbaar is.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de vordering jegens [gedaagde A] zal worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

[gedaagde B] en [gedaagde C]

4.6. [gedaagde B] heeft gesteld, hetgeen door [eiser] niet is weerlegd, dat hij vanwege zijn fysieke gesteldheid ten gevolge van een auto-ongeval sinds 24 juni 2002 geen activiteiten meer heeft verricht voor SAS en geen bestuursvergaderingen meer heeft bijgewoond.

[gedaagde C] heeft onweersproken aangevoerd dat hij destijds voorzitter van het bestuur was van SAS en dat [gedaagde A] de dagelijkse werkzaamheden verrichtte, terwijl [gedaagde C] zich niet met de dagelijkse gang van zaken met betrekking tot de hulpverlening bezig hield.

Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat [gedaagde B] en/of [gedaagde C] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de malversaties van [X] of van de overboekingen van de budgetrekening van [eiser] naar rekeningen van derden. In rechtsoverweging 4.4. is reeds overwogen dat het deel van de vordering dat ziet op incassokosten onvoldoende is onderbouwd. De vordering jegens [gedaagde B] en [gedaagde C] zal dan ook worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.7. De kosten aan de zijde van [gedaagde A] en [gedaagde C] worden ieder begroot op:

- betaald vast recht 112,00

- in debet gesteld vast recht 438,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.708,00

4.8. De kosten aan de zijde van [gedaagde B] worden begroot op:

- vast recht 550,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.708,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde A] en [gedaagde C] tot op heden ieder begroot op EUR 1.708,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van MvJ Arrondissement Zwolle onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. veroordeelt [eiser] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van en aan de zijde van [gedaagde B] tot op heden begroot op EUR 1.708,00,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling jegens [gedaagde B] uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2007.