Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB6558

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
440152-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen noodweer bij doodslag in Deventerse wijk Knutteldorp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.440152-07

Uitspraak: 9 oktober 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. L.N. Stempher, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot 12 jaar gevangenisstraf.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 10 juni 2007 in de gemeente Deventer opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een schot op het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht. Met name acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft geschoten.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van noodweer-exces en dat verdachte deswege niet strafbaar is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zodanig is aangevallen door het latere slachtoffer dat dit handelen van het latere slachtoffer heeft geleid tot een hevige gemoedsbeweging waardoor verdachte een vuurwapen heeft gepakt en het wapen heeft afgevuurd.

De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer c.q. noodweer-exces.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte door het latere slachtoffer ernstig is mishandeld en dat verdachte, in een heftige gemoedsbeweging geraakt, op het latere slachtoffer heeft geschoten.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte heeft verklaard: ten tijde en ter plaatse als bewezenverklaard was hij in zijn woning aanwezig; er is toen aan zijn voordeur aangebeld, waarna hij de voordeur heeft geopend; daarna is hij door drie binnenstormende mannen ernstig mishandeld.

Enige minuten na deze aanranding, toen hij vermoedde dat de mannen zijn woning hadden verlaten is hij naar zijn slaapkamer gegaan, heeft een vuurwapen genomen, heeft dit geladen en is naar de achterdeur gelopen. Toen hij vanuit de achterdeur een persoon in gebukte houding zag weglopen heeft hij schoten afgevuurd.

De rechtbank ziet in deze verklaring - gesteld dat deze de gang van zaken juist weergeeft - geen grond aanwezig voor een beroep op noodweer. Op het moment waarop verdachte naar zijn slaapkamer liep was er van dreiging voor een (hernieuwde) aanval op hem al geen sprake meer. Ook het beroep op het handelen uit noodweer-exces faalt.

Dat verdachte buiten zichzelf van woede was door de eerdere aanval op hem is niet onbegrijpelijk. Echter door het tijdsverloop en de voorbereidende handelingen van verdachte, is het verband tussen de, inmiddels beëindigde, aanranding en het afvuren van de schoten verbroken. Hierdoor is geen sprake van handelingen die het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Aan een beoordeling van de vraag of de verdachte de grenzen van de subsidiariteit en/of proportionaliteit heeft overschreden kan niet worden toegekomen nu de gemoedsbeweging geen onmiddellijk gevolg is van de aanranding.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Hoewel – zoals hiervoor is overwogen – de aanval van het slachtoffer op verdachte niet leidt tot niet strafbaarheid van de verdachte, zal de rechtbank de rol van het slachtoffer waardoor bij verdachte aanzienlijk letsel is ontstaan wel meewegen in de bepaling van de strafmaat. De rechtbank zal niet de door de officier van justitie geëiste maar een gevangenisstraf van kortere duur opleggen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 augustus 2007;

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 12 september 2007 uitgebracht door Reclassering Nederland;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht .

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. J.H. Bosch, voorzitter, mrs. J.E. van den Steenhoven - Drion en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra - Meijer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2007.

Mr. Neppelenbroek voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.