Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB6235

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/332
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op rechtmatig verblijf in Nederland aanvraag voor bijzondere bijstand ten onrechte afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/332

Uitspraak

in het geding tussen:

A te B

eiser,

gemachtigde mr. Z.M. Alaca

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

gevestigd te Hasselt, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) geweigerd omdat eiser niet tot de kring van rechthebbenden behoort.

Bij brief van 29 juni 2005 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om terug te komen op het besluit van 15 februari 2005 en een verzoek gedaan om aan eiser bijzondere bijstand toe te kennen wegens kosten rechtbijstand ad € 361,00. Op 17 augustus 2005 heeft eiser in persoon zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor een bedrag van € 361,00 herhaald. Op 25 augustus 2005 heeft eiser een verkorte aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor de periode van 18 december 2003 tot 29 december 2004.

Bij brief van 17 november 2005 heeft de gemachtigde van eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn in de brief van 29 juni 2005 gedane verzoek om terug te komen op het besluit van 15 februari 2005. Het bezwaar van 17 november 2005 is tevens gericht tegen het uitblijven van de beslissing op de aanvraag om bijstand d.d. 25 augustus 2005.

Bij besluiten van 11 november 2005 heeft verweerder de verkorte aanvraag d.d.

25 augustus 2005 om bijstand voor de periode van 18 december 2003 tot 29 december 2004 afgewezen en heeft verweerder het verzoek om bijzondere bijstand van zowel

29 juni 2005 als 17 augustus 2005 ad € 361,00 afgewezen. Deze besluiten heeft verweerder in een brief van 3 november 2005, verzonden op 21 november 2005, aan eiser bekend gemaakt.

Bij brief van 29 december 2005 heeft de gemachtigde van eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 november 2005.

Op 28 juni 2006 is beroep ingesteld tegen het fictieve besluit tot weigering van verweerder om (tijdig) te beslissen op de bezwaarschriften van 17 november 2005 en 29 december 2005.

In de uitspraak van deze rechtbank d.d. 16 augustus 2006 met reg. nr. 06/1532 is geoordeeld dat verweerder alsnog op de bezwaarschriften van 17 november 2005 en 29 december 2005 zal moeten beslissen.

Bij het besluit op bezwaar van 22 januari 2007, verzonden op 6 februari 2007, is het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard. Het bezwaar tegen de besluiten van

11 november 2005 is bij dit besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 januari 2007, eveneens verzonden op 6 februari 2007, is het verzoek van 29 juni 2005 om terug te komen op de beslissing van 15 februari 2005 afgewezen.

Op 23 februari 2007 is tegen het besluit van 22 januari 2007 beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 26 maart 2007.

Verweerder heeft op 27 maart 2007 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 10 juli 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door K. Stoppels, algemeen juridisch adviseur, en A. Velema, juridisch medewerker.

Ter zitting heeft eiser verzocht en heeft verweerder ingestemd met het verzoek om rechtstreeks beroep tegen het besluit van 29 januari 2007.

2. Overwegingen

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor een bedrag van € 361,00 en de verkorte aanvraag voor bijstand voor de periode van 18 december 2003 tot 29 december 2004 terecht heeft afgewezen. Daarnaast is in geschil de vraag of verweerder op goede gronden heeft geweigerd om terug te komen op zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag voor algemene bijstand.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) d.d. 26 februari 2001 is aan eiser een vergunning tot verblijf onder de beperking ‘toegelaten als alleenstaande minderjarige asielzoeker’ verleend. Bij de beschikking van 23 september 2002 is de verleende vergunning ingetrokken op basis van de aanwezigheid van opvangmogelijkheden in China. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Het beroep is in de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Roermond d.d. 19 juli 2004 met reg.nr. 03/9835 gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht. In de nieuwe beslissing op bezwaar d.d. 29 december 2004 is het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit van 29 december 2004 is in de uitspraak van de rechtbank

’s-Gravenhage, zitting houdende te Zutphen d.d. 12 september 2005 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Op 20 december 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Deze aanvraag is bij besluit van

15 februari 2005 afgewezen omdat eiser niet tot de kring van rechthebbenden behoort. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals genoemd in de eerste rubriek van deze uitspraak.

Wettelijk kader

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat het college verantwoordelijk is voor het verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

In artikel 11, eerste lid, WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

In artikel 8 van de Vw is in de aanhef en onder h bepaald dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaar- of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

In artikel 73, eerste lid van de Vw is bepaald dat de werking aan het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.

Standpunt eiser

In beroep is namens eiser aangevoerd dat de bestreden besluiten berusten op een onvoldoende motivering en in strijd zijn met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens eiser volgt uit de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 19 juli 2004 dat eiser vanaf

1 november 2000 tot en met 12 september 2005 viel onder artikel 8, aanhef en onder h van de Vw en dat eiser hierdoor gelijk is te stellen met een Nederlander op grond van artikel 11 van de WWB.

Standpunt verweerder

Ten aanzien van het verzoek om terug te komen op

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat tegen het besluit van 17 februari 2005 geen bezwaar is gemaakt zodat dit onherroepelijk is geworden. Het verzoek d.d. 29 juni 2005 om terug te komen op dat besluit is afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 19 juli 2004 was reeds bekend aan eiser ten tijde van het verzoek om bijstand d.d. 20 december 2004, zodat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

Ten aanzien van de verkorte aanvraag

In de beschikking op bezwaar van 22 januari 2007 heeft verweerder voor wat de motivering betreft van het besluit om het besluit van 11 november 2005 tot het weigeren van algemene bijstand in de heroverweging in stand te laten, verwezen naar een advies van de commissie bezwaarschriften van 24 oktober 2006. In dat advies heeft de commissie overwogen hetgeen ten aanzien van het verzoek om terug te komen op hiervoor al is opgemerkt en daarnaast aangegeven dat het verzoek is gedaan voor de periode van 18 december 2003 tot 29 december 2004. Vervolgens heeft de commissie gesteld dat het stelsel van de WWB niet toestaat dat bijstand wordt verleend met terugwerkende kracht vanaf de datum aanvraag.

Ten aanzien van de bijzondere bijstand

De aanvraag bijzondere bijstand is naar het oordeel van verweerder terecht afgewezen omdat eiser niet behoort tot de kring van rechthebbenden in de zin van artikel 11 van de WWB.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 29 januari 2007

Op 17 november 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van de beschikking op het verzoek om terug te komen op het besluit van 15 februari 2005. Bij besluit van 22 januari 2007 heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard. In het besluit van 29 januari 2007 is het verzoek alsnog afgewezen. Dit is een nieuw primair besluit waartegen bezwaar mogelijk is. Ter zitting heeft eiser echter verzocht en heeft verweerder ex artikel 7:1a van de Awb ingestemd met het verzoek om rechtstreeks beroep tegen het besluit van 29 januari 2007 en om gevoegde behandeling met het reeds aanhangige beroep. Om proceseconomische redenen en op uitdrukkelijk verzoek van partijen slaat de rechtbank geen acht op de wijze van indiening van dit verzoek door eiser zoals is beschreven in het eerste lid van dat artikel. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verleende instemming door verweerder met rechtstreeks beroep niet onjuist is en zal de rechtbank derhalve overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van dat beroep.

Ten aanzien van de beroepsgronden

In geding is onder meer de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het indienen van de verzoeken om (bijzondere) bijstand geen sprake was van rechtmatig verblijf.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 73 van de Vreemdelingenwet (Vw) de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Hieruit volgt dat de werking van het besluit d.d. 23 december 2002 waarbij de vergunning tot verblijf van eiser is ingetrokken, is opgeschort tot 12 september 2005, de datum van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Zutphen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser tot 12 september 2005 rechtmatig verblijf had in Nederland.

Ten aanzien van de aanvraag voor een algemene bijstandsuitkering (terugkomen op):

Eiser heeft een aanvraag voor algemene bijstand ingediend op 20 december 2004.

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Op 29 juni 2005 is een verzoek gedaan om op dit besluit terug te komen, waarbij eiser een beroep heeft gedaan op artikel 4:6 van de Awb.

De rechtbank overweegt dat artikel 4:6 van de Awb bepaalt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Roermond d.d. 19 juli 2004 kan naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden aangemerkt, nu deze uitspraak op de datum van de aanvraag, zijnde 20 december 2004 reeds bekend was. Dit betekent dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot afwijzing van het verzoek om terug te komen op zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag voor algemene bijstand.

Ten aanzien van de verkorte aanvraag voor een bijstandsuitkering

Op 25 augustus 2005 heeft eiser een verkorte aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor de periode van 18 december 2003 tot 29 december 2004.

Primaire afwijzingsgrond

Verweerder heeft zich in de bestreden uitspraak op bezwaar van 22 januari 2007 primair op het standpunt gesteld dat eiser gehouden is nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren en dat de uitspraak van de rechtbank Den Haag zitting houdende te Roermond d.d. 19 juli 2004 waaruit blijkt dat eiser gedurende de periode van 18 december 2003 tot 29 december 2004 rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden, niet kan worden gezien als een nieuw feit of verandering van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Voorts is opgemerkt dat het stelsel van de WWB niet toestaat dat bijstand wordt verleend met terugwerkende kracht vanaf de datum aanvraag.

De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat het bij de beoordeling van de verkorte aanvraag om bijstand zou gaan om een verzoek om terug te komen op een eerder genomen rechtens onaantastbaar besluit. Het betreft in casu immers een nieuwe aanvraag en hier past dus niet het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank acht de primaire grondslag van dit besluit derhalve onjuist. Dit leidt echter gelet op hetgeen hierna wordt opgemerkt over de subsidiaire grondslag van dit besluit niet tot een vernietiging.

Subsidiaire afwijzingsgrond

Het bestreden besluit waarin het verkorte verzoek om bijstand voor de periode van

18 december 2003 tot 29 december 2004 is afgewezen is echter ook gestoeld op de overweging dat de WWB niet toestaat dat bijstand wordt verleend met terugwerkende kracht vanaf de datum aanvraag.

Met betrekking tot de terugwerkende kracht van een bijstandsaanvraag overweegt de rechtbank dat ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van beroep in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het Centrum voor Werk en Inkomen heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend.

Van dit standpunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen (zie o.a. CRvB 8 maart 2005, LJN: AT0209).

Het is de rechtbank in casu niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijke uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen. Dit betekent dat voor eiser eerst vanaf 20 december 2004 recht op bijstand kan bestaan en dat verweerder derhalve terecht de aanvraag om bijstand voor genoemde periode heeft afgewezen.

Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand

Zoals hiervoor is overwogen had eiser rechtmatig verblijf in Nederland tot de datum van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Zutphen, zijnde 12 september 2005.

Eiser heeft op 17 augustus 2005 een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand, welke bij het besluit van 3 november 2005 is afgewezen. Op de datum van de aanvraag voor bijzondere bijstand was derhalve sprake van rechtmatig verblijf in Nederland. Dit betekent dat de afwijzing van verweerder van de aanvraag op de grond dat eiser niet rechtmatig verbleef in Nederland naar het oordeel van de rechtbank onjuist is geweest. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor zover dit ziet op de afwijzing van de bijzondere bijstand, niet in stand kan blijven wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit komt om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op al het bovenstaande zal de rechtbank het ingestelde beroep gegrond verklaren voor zover het ziet op de afwijzing van bijzondere bijstand en ongegrond voor het overige.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in de beroepsprocedure heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 644,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Nu het beroep gegrond is zal voorts op grond van artikel 8:74 van de Awb worden bepaald dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed.

3 Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de afwijzing van bijzondere bijstand;

-vernietigt het bestreden besluit van 22 januari 2007 voor zover dat betrekking heeft op de aanvraag bijzondere bijstand;

-verklaart het beroep ongegrond voor het overige;

-bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, begroot op € 644,--, te betalen door de gemeente Zwartewaterland;

-gelast dat de gemeente Zwartewaterland aan eiser het door haar gestorte griffierecht ad € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.G. van Arem en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N.E. Moerman als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.