Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5475

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
400188-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Naar objectieve maatstaven: voorwaardelijke opzet.

Sprake van noodweersituatie. Wel sprake van een heftige gemoedsbeweging doch deslaniettemin geen geslaagd beroep op noodweerexces. Ook in noodweerexcessituaties moet het handelen van verdachte binnen redelijke proporties blijven.De gemoedsbeweging was ingegeven door blinde woede en niet zozeer door angst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400188-07

Uitspraak: 2 oktober 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.F. Kooijmans, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte zal worden ontslagen van rechtsvervolging op grond van noodweerexces en dat de benadeelde partij, [benadeelde partij], niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Opzet

De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer dat verdachte op geen enkele wijze de opzet heeft gehad om [benadeelde partij] van het leven te beroven.

Ondanks de verklaring van verdachte dat hij de dood van het slachtoffer niet zou hebben gewild, mag naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat het opzet van verdachte om [benadeelde partij] van het leven te beroven naar objectieve maatstaven aanwezig is geweest. Immers, uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte het slachtoffer tijdens een hooglopende ruzie over de 84 cm hoge rand van het balkon op de derde verdieping van een flatgebouw heeft geduwd, waardoor het slachtoffer een val van 8,86 meter heeft gemaakt.

Aangezien als algemeen bekend moet worden beschouwd dat een val van praktisch 9 meter een zeer levensbedreigende situatie oplevert, is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft genomen dat [benadeelde partij] tengevolge van zijn handelwijze zou worden gedood.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op de poging tot doodslag.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft betoogd dat terzake het primair ten laste gelegde sprake is geweest van noodweerexces. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft uit zelfverdediging gehandeld. Hij heeft de aanval van het slachtoffer, die een fles op zijn hoofd had stukgeslagen niet anders kunnen vermijden dan door een verdedigende houding (een afwerende duw) aan te nemen. Dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door het slachtoffer een tweede duw te geven, waardoor het slachtoffer over de rand van het balkon naar beneden viel, kan hem naar het oordeel van de officier van justitie niet worden toegerekend, aangezien dit een gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die zich van verdachte meester maakte, een gemoedsbeweging die door het slachtoffer werd veroorzaakt.

De verdachte is naar het oordeel van de officier van justitie op grond van het vorenstaande niet strafbaar en dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Immers, op het moment waarop verdachte door het slachtoffer onverhoeds met een fles op het hoofd werd geslagen, bevond verdachte zich in een noodweersituatie en mocht hij, zoals hij heeft gedaan, het slachtoffer van zich afduwen. Als gevolg van deze actie van verdachte kwam het slachtoffer achterover tegen de rand van het balkon te hangen. Verdachte heeft meteen daarop een tweede actie tegen het slachtoffer ondernomen als gevolg waarvan het slachtoffer van het balkon naar beneden viel. Voor zover daarbij meer geweld is gebruikt dan voor het onder controle brengen van de situatie noodzakelijk was is de rechtbank van oordeel dat dit het onmiddellijke gevolg is geweest van de door de aanranding bij verdachte veroorzaakte heftige gemoedsbeweging.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte desalniettemin geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

Naar het oordeel van de rechtbank moet naar geldend recht ook in noodweerexcessituaties het handelen van de verdachte binnen redelijke proporties blijven. (LJN: ZD1569, HR 7-12-1999, 111.828, NJ 2000-263) Weliswaar was verdachte gerechtigd zich te verdedigen doch nu de gemoedsbeweging die daarbij een rol heeft gespeeld naar zijn eigen verklaring met name was ingegeven door blinde woede jegens het slachtoffer en niet zozeer door angst acht de rechtbank in het

onderhavige geval niet aannemelijk dat deze gemoedsbeweging zo onstuitbaar en dwingend was dat deze een zo excessief handelen en een zo ernstig misdrijf de verwijtbaarheid geheel kan ontnemen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte in de onderhavige situatie zijn woede moeten beheersen en mocht hij niet zo ver gaan het slachtoffer van drie hoog naar beneden te duwen of gooien met als gevolg een val van bijna 9 meter met redelijkerwijs te verwachten de dood als gevolg.

De verdachte is derhalve strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Hoewel – zoals hiervoor is overwogen – de aanval van het slachtoffer op verdachte niet tot toepasselijkheid van een schulduitsluitingsgrond aanleiding geeft, zal de rechtbank dit aspect bij de bepaling van de strafmaat wel meewegen. De rechtbank zal, ofschoon zij bij feiten als de onderhavige in beginsel een langdurige vrijheidsstraf op haar plaats vindt, onder de gegeven omstandigheden de op te leggen straf matigen tot na te melden duur.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 27 augustus 2007;

een psychiatrisch rapport betreffende verdachte d.d. 16 augustus 1007, uitgebracht door drs. R.J.H. Winter, psychiater te Zoeterwoude, waarbij de rechtbank de conclusie van de deskundige dat verdachte op het moment dat hij het bewezen verklaarde feit heeft begaan volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd overneemt;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 5 september 2007, uitgebracht door de Stichting Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Voor de aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij] zich op de daartoe voorgeschreven wijze als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering van

€ 2.754,-- ingediend.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. J.H. Bosch, voorzitter, mrs. G.M.J. Vijftigschild en G.A. Versteeg, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2007.