Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5265

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-09-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
607029-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

paging zware mishandeling; (putatief) noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607029-07

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. M. Iedema, heeft ter terechtzitting gevorderd de vrijspraak van verdachte ter zake het primair ten laste gelegde en de veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook indien dit een behandeling inhoudt;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,--;

- toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- niet ontvankelijk verklaring van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij;

- onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen mes;

- teruggave van de inbeslaggenomen kleding aan de rechthebbende.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

subsidiair

poging zware mishandeling, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft gesteld dat sprake is geweest van noodweer, althans putatief noodweer. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het voor verdachte noodzakelijk was zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van zijn lijf door [naam]. Verdachte pakte het mes om [naam] af te schrikken nadat deze, ondanks herhaald verzoek van verdachte om zijn woning te verlaten, steeds dreigend op hem af kwam lopen en hem daarbij tegen zijn lichaam duwde. Uit de verklaring van [naam] blijkt, aldus de raadsman, dat [naam] dichtbij verdachte stond in de keuken aangezien hij zag dat het om een vleesmes ging en dat hij desondanks niet bang was voor de verdachte en zelfs het initiatief nam voor de worsteling door te proberen het mes van de verdachte af te pakken. Eerst in deze worsteling snijdt verdachte met het mes, zo stelt de raadsman, en dit kan blijkens het rapport van de psychiater verklaard worden vanuit een stressreactie die hem verminderd toerekeningsvatbaar maakte. Gelet op deze omstandigheden en op het feit dat de verdachte [naam] zich op geen enkele wijze liet afschrikken, raakte de verdachte in de veronderstelling dat [naam] gekomen was om hem iets aan te doen.

De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdachte omtrent de dreigende en aanvallende houding van [naam] niet strookt met de verklaringen van de overige aanwezigen. Getuige [getuige] vertelt niets over duwen en dreigen van [naam] en verklaart dat verdachte toen hem bleek dat [naam] het huis niet wilde verlaten, zei “Okee, als je niet weg wilt…..” en naar de keuken liep en een groot mes pakte. Getuige [getuige] verklaart eveneens dat verdachte als [naam] geen gehoor geeft aan het verzoek van verdachte zijn huis te verlaten, tegen hem zei: “Als je nu niet weggaat, zal er wat met je gebeuren”. Voorts verklaart hij dat hij zag dat verdachte boos werd, naar de keuken ging, waarbij [naam] en [getuige] achter hem aanliepen en dat verdachte met een mes in zijn hand tegenover [naam] ging staan, ermee zwaaide en riep dat hij wilde dat [naam] wegging uit zijn huis. Ook [getuige] rept niet van een eerdere duwpartij of dreigende houding van [naam] jegens verdachte. Op grond van deze verklaringen en ook op grond van de eigen verklaring van verdachte bij de politie waarin hij het slechts heeft over één harde zet van [naam] voor hij het mes pakte, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de situatie zodanig was dat er voor verdachte geen andere mogelijkheid overbleef dan een mes te pakken om zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf te verdedigen. Onder voornoemde omstandigheden kan evenmin worden gesteld dat verdachte ten onrechte heeft gemeend zich te moeten verdedigen en dat hem in deze geen enkel redelijk verwijt te maken valt.

Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep op noodweer, althans putatief noodweer te worden verworpen.

Het feit en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in beginsel noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1. op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp, te weten een mes, dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat verdachte het bewezen verklaarde feit daarmee heeft gepleegd.

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende(n) gelasten van de aan hem toebehorende op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 2. tot en met 5. vermelde voorwerpen, te weten kleding, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 1 augustus 2007;

de verdachte betreffende voorlichtingsrapporten d.d. 2 mei 2007 en 8 augustus 2007, uitgebracht door de Stichting Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend forensisch psychiatrische rapport, uitgebracht d.d. 23 augustus 2007 door M.A. Westerborg, forensisch psychiater.

In laatstgenoemd rapport is beschreven dat het gedrag van verdachte ten tijde van het delict in sterke mate bepaald werd door een stressreactie die zijn oorzaak vindt in ernstige huwelijks- en financiële problemen. De psychiater acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. Uit de rapportage van de reclassering volgt dat inmiddels de echtelijke band sterk is verbeterd. Gelet hierop en op het feit dat de verdachte zijn werk bij Tulip Inn in Amsterdam heeft behouden, acht de rechtbank de kans op recidive laag en is van oordeel dat een verplicht reclasseringscontact niet noodzakelijk is. De rechtbank is hierbij ook van oordeel dat, in afwijking van de eis van de officier van justitie, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf kan worden opgelegd gelijk aan de duur van de door verdachte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.000,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die voor dat deel in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1.000,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 36f en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de 150 dagen zal een gedeelte, groot 75 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 180 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het onder 1. op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde mes.

De rechtbank gelast de teruggave van de onder 2. tot en met 5. op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], van een bedrag van € 1.000,--.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1.000,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. M.C.P. de Ridder, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en G.J.J.M. Essink , rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2007.