Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5242

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
607255-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontucht; betrouwbaarheid verklaring minderjarigen; toetsbaarheid verhoren minderjarigen; bewijsuitsluiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.607255-06

Datum: 4 oktober 2007

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.A.M. Ramaekers, advocaat te Emmeloord.

De officier van justitie, mr. M. Iedema, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder primair ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis;

- alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,-- subsidiair 10 dagen hechtenis;

- toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

ONTVANKELIJKHEID

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging vanwege schending van de vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek.

De rechtbank verwerpt dit door de raadsvrouw opgeworpen verweer. De rechtbank is weliswaar van oordeel dat er vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek geschonden zijn, maar dat dit geen doelbewuste schending betreft die tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moet leiden.

BEWIJS

De verdachte dient van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat sprake is geweest van gebruik van geweld of bedreiging met geweld of andere feitelijkheden.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van [namen] wegens hun onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs gebezigd mogen worden. Zij heeft aangevoerd dat zij onbetrouwbaar zijn, omdat ze zijn afgelegd door minderjarigen die beïnvloedbaar en fantasierijk zijn en deze minderjarigen pas enkele dagen na het tenlastegelegde feit zijn gehoord. Daarnaast is alleen het verhoor van [naam] uitgewerkt en daarmee controleerbaar voor de verdediging. De andere verklaringen van de minderjarigen zijn in strijd met het met betrekking tot het verhoor van minderjarigen opgestelde protocol niet volledig uitgewerkt en op band bewaard, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de raadsvrouw dat de verklaringen van de minderjarigen [namen] vanwege het feit dat hun verhoren niet op de voorgeschreven wijze zijn uitgewerkt en/of bewaard en daarom voor de verdediging niet toetsbaar zijn, niet voor het bewijs gebezigd mogen worden. De rechtbank zal die bewijsmiddelen derhalve uitsluiten van het bewijs. Ten aanzien van de verklaring van [naam] komt de rechtbank echter tot een ander oordeel dan de raadsvrouw. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, aangezien zijn verhoor bij de politie wel volledig is uitgewerkt en derhalve controleerbaar en toetsbaar is.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

De rechtbank komt op grond van de verklaring van [naam], tezamen met de aangifte van zijn moeder tot dit oordeel. De moeder van [naam], mevrouw [moeder], verklaart in de aangifte dat [naam] in een gesprek met haar -naar aanleiding van een televisieprogramma over een kinderlokker- tegen haar heeft gezegd dat buurman [buurman] aan zijn pielemuis had gezeten en dat de twee buurmeisjes [buurmeisjes] daarbij aanwezig waren. Voorts heeft zij verklaard dat zij gelijk naar buiten is gelopen en aan [buurmeisjes] heeft gevraagd of zij iets hadden gezien die middag bij [naam] en de buurman. Zij heeft voorts verklaard dat [buurmeisje] tegen haar gezegd heeft: “Ja, hij zat aan z’n ballen”, terwijl [buurmeisje] vervolgens gezegd heeft dat zij dat ook had gezien. De directe en duidelijke wijze waarop [buurmeisjes] desgevraagd tegenover aangeefster hun verklaring omtrent het gebeurde hebben afgelegd, kort nadat het heeft plaatsgehad, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank overweegt dat zij op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen acht dat de verdachte de geslachtsdelen van [naam] heeft betast en dat zij dit, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, beschouwt als een ontuchtige en derhalve strafbare handeling.

Het bewezene levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank is voorts van oordeel dat daarnaast geen andere straf noodzakelijk is en dat onder de omstandigheden van het geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf dagen met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend is.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 augustus 2007.

Benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], ingediend door zijn gemachtigde, is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. M.C.P. de Ridder, voorzitter, mrs. H. Th. Pos en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2007.

Mr. Neppelenbroek voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.