Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5241

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
290135-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

afwijzing verlenging PIJ; redelijke termijn overplaatsing open setting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht – Strafraadkamer

Parketnr. : 07.290135-03

Uitspraak : 4 oktober 2007

B E S C H I K K I N G

op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle – Lelystad tot verlenging van de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van:

[betrokkene]

Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 30 maart 2004 de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd voor de duur van twee jaar. De maatregel eindigt, behoudens nadere voorziening, op 5 september 2007.

Het openbaar ministerie heeft een vordering ingediend tot verlen¬ging van de aan betrokkene opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een rapport d.d. 26 juni 2006, onder meer houdende een verlengingsadvies, uitgebracht door drs. F.H. Candel en drs. J.M. Sanches, algemeen directeur respectievelijk behandelcoördinator groep van Justitiële Jeugdinrichting Rentray te Lelystad

- de door de raadsvrouw bij brief d.d. 19 september 2007 toegezonden stukken, inhoudende informatie met betrekking tot de opleiding en ontwikkeling van betrokkene;

- de overige stukken van het de betrokkene betreffende persoonsdossier.

De vordering is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 20 september 2007. Bij deze behandeling zijn gehoord:

- officier van justitie mr. S.J. Buis;

- betrokkene en zijn raadsvrouw mr. G.A. Jansen, advo¬caat te Amsterdam;

- de deskundige drs. J.M. Sanches voornoemd.

OVERWEGINGEN

De vordering is op 20 augustus 2007 en derhalve tijdig ingediend ter griffie van de rechtbank.

De rechtbank dient thans op grond van het bepaalde in artikel 77t van het Wetboek

van Strafrecht te bepalen of de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen moet worden verlengd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 september 2007 volhard bij zijn vordering tot verlenging van de termijn van de aan betrokkene opgelegde maatregel.

Uit voornoemd rapport d.d. 26 juni 2007 en de daarop door de deskundige Sanches ter terechtzitting van 20 september 2007 gegeven toelichting blijkt onder meer het navolgende. Betrokkene heeft zich -volgens de deskundige- gedurende de behandeling in de verlengingsperiode wisselend opgesteld. Enerzijds heeft hij zich enthousiast ingezet bij de voorbereidingen op het resocialisatietraject. Hij heeft onder meer een cursus budgettering met goed gevolg afgesloten. Anderzijds valt hij soms terug in oude patronen en heeft hij moeite zich aan de regels te houden en zijn motivatie vast te houden. Zijn stage bij de kantine continueert hij niet en zijn motivatie voor deelname aan de module Brains 4 Use is minimaal. De onbegeleide verloven verliepen over het algemeen goed, aldus de deskundige, behoudens het feit dat betrokkene soms te laat terugkwam en totdat betrokkene op 6 maart 2007 niet terugkeerde van het verlof. Hierdoor is de behandeling van betrokkene vertraagd en is hij nog niet overgeplaatst naar de open afdeling van de jeugdinrichting in Wapenveld. Hoewel de deskundige het met de groepsleiding eens is dat betrokkene zelfstandig binnen de groep functioneert, acht hij een verlenging van de PIJ-maatregel met een jaar noodzakelijk, om betrokkene gefaseerd te laten wennen aan de vrijheid en verantwoordelijkheden die hij heeft wanneer hij weer in de maatschappij terugkeert. De deskundige heeft ter terechtzitting nog verklaard dat toestemming van de minister voor de overplaatsing naar Wapenveld nog niet is gegeven en dat hij verwacht, maar niet kan garanderen, dat een plaatsing in Wapenveld binnen een termijn van twee maanden te realiseren is.

Betrokkene heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van mening is dat hij al te lang in de inrichting zit. Hij geeft aan dat hij er niets meer kan leren en dat hij daarom soms moeite heeft zich aan de regels te houden en gemotiveerd te blijven. Hij wil graag de opleiding Beeld en Geluid gaan volgen in Amsterdam of Almere en heeft zichzelf daarvoor aangemeld. Hij geeft aan dat deze opleiding twee instroommomenten heeft, te weten tot 15 september en in november. Door het wachten op de overplaatsing heeft hij het eerste instroommoment gemist en is er het risico dat hij ook het tweede instroommoment niet zal halen. Verdere begeleiding vindt betrokkene niet meer nodig.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met één jaar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het recidiverisico is verminderd en dat ook gedurende de onttrekking van betrokkene niet is gebleken dat hij heeft gerecidiveerd. Voorts heeft zij aangevoerd dat, gelet op alle aanvragen en beslissingen daarop in het kader van een overplaatsing naar Wapenveld, het tenminste vier maanden zal duren voordat betrokkene daadwerkelijk overgeplaatst zal worden en zijn behandeling wordt voortgezet. Gelet daarop zal voortzetting van de maatregel contraproductief werken, omdat betrokkene verder gedemotiveerd zal raken.

De rechtbank is van oordeel dat er tot op heden, zij het in geringe mate, een recidiverisico bestaat. Ten aanzien van de vraag of voortzetting van de behandeling in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling overweegt de rechtbank het volgende. Wanneer betrokkene binnen een redelijke termijn overgeplaatst zou worden naar een open afdeling van een justitiële jeugdinrichting waar de behandeling van betrokkene in een omgeving met meer vrijheden kan worden voortgezet, is de rechtbank van oordeel dat dit in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene zou zijn. Betrokkene zou binnen deze omgeving zich verder kunnen voorbereiden op terugkeer in de maatschappij en zich voortgaand kunnen oefenen in zelfdiscipline en zelfsturing, met de ondersteuning van de aanwezige begeleiding. De rechtbank is echter met de raadsvrouw van oordeel dat verlenging van de maatregel contra-productief zal werken, wanneer dit tot gevolg heeft dat betrokkene lange tijd zal moeten wachten op het vervolg van zijn behandeling. De deskundige heeft noch in zijn rapportage noch tijdens de behandeling ter zitting zekerheid kunnen verschaffen dat betrokkene binnen een redelijke termijn naar een afdeling met een open setting kan worden overgeplaatst. Nu de onzekerheid omtrent deze termijn is blijven bestaan, kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de verlening van de PIJ-maatregel een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene bevordert.

De rechtbank ziet zich dan ook genoodzaakt de vordering tot verlenging af te wijzen.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77s, 77t en 77u van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de aan [betrokkene] opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen af.

Aldus gegeven door mr. H.Th. Pos, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. M.C.P. de Ridder en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en uitgesproken ter openbare te¬rechtzit¬ting van 4 oktober 2007.

Mrs. De Ridder en Neppelenbroek voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.