Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2007:BB5185

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
133185 - KG ZA 07-235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van weg. Inhoud van erfdienstbaarheid. Belemmering van erfdienstbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 133185 / KG ZA 07-235

Vonnis in kort geding van 27 juni 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.W. Both,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde]

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Door inschrijving van de leveringsakte is [eiser] - nadat hij het desbetreffende perceel van [A] had gekocht - op 24 juli 2006 eigenaar van een perceel cultuurgrond, grasland, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie [nummer]. Dit perceel zal verder ook worden aangeduid als: het heersende erf.

[gedaagde] is eigenaar van een perceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] [nummer] (verder: het dienend erf).

2.2. Blijkens bovengenoemde leveringsakte is ten behoeve van het heersende erf en ten laste van het dienend erf een reeds sinds 1971 bestaande erfdienstbaarheid van weg op 25 april 1991 (opnieuw) gevestigd “om te komen en te gaan van- en naar de [adres] te [woonplaats] […]” terwijl werd bepaald dat het onderhoud van de voor de uitoefening van voormelde erfdienstbaarheid te gebruiken weg (verder: de weg) zal komen voor rekening van de eigenaren van het heersend en het lijdend erf.

2.3. De weg loopt van de [adres] aan de noordwestzijde over het dienende erf, voor zover het dienende erf grenst aan een belendend erf. Ter hoogte van de zuidzijde van het belendend erf maakt de weg een haakse bocht en mondt de weg uit op het heersende erf.

[gedaagde] heeft, bezien vanaf de [adres], tegen het rijvlak aan, maar nog in de berm, aan de rechterbinnenzijde van de bocht een betonnen markeerpaal geplaatst. Een tweede betonnen markeerpaal bevindt zich, na de bocht op het dienende erf in directe nabijheid van de grens met het heersende erf. Tussen de twee betonnen palen is een coniferen haag geplaatst.

Kort voor de bocht, bezien vanaf de [adres], heeft [gedaagde] aan de linkerzijde twee boompjes geplant, waarvan het eerste boompje in de berm op ongeveer een meter van de grens van de berm en het rijvlak. Het tweede boompje staat iets verder van het rijvlak. Voorts liggen aan deze linkerzijde een groot aantal houten planken.

Aan de linkerbuitenzijde van de bocht is zijn twee bielsen met daarachter verschillende niet nader te definiëren zaken neergelegd.

2.4. In april 2007 heeft [eiser] aan een loonbedrijf [B] opdracht verstrekt zijn perceel te bewerken. [B] heeft getracht met een (forse) tractor met aanhanger over het daartoe bestemde pad het perceel van [eiser] te bereiken. Zijns inziens was het onmogelijk om, zonder schade aan de eigendommen van [gedaagde] toe te brengen, de bocht te nemen.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te gebieden om ongestoorde en onvoorwaardelijke toegang te verlenen op zijn dienend erf, ten behoeve van het heersende erf, door alle roerende goederen van dat pad te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede

b. [gedaagde] te verbieden om het dienend erf geheel of ten dele ter zake het recht van overpad af te sluiten of afgesloten te houden, een en ander na twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een door de voorzieningenrechter vast te stellen dwangsom; althans

c. [eiser] te machtigen om ter effectuering van het recht van overpad - zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en steeds op kosten van [gedaagde] - zichzelf toegang tot het dienend erf te verschaffen ten behoeve van het heersende erf binnen twee dagen na betekening van dit vonnis;

d. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na buitengerechtelijke aanmaning om aan die proceskostenveroordeling te voldoen; alsmede

e. [gedaagde] te veroordelen in de nakosten.

3.2. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de conventie.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te verbieden om de door [gedaagde] (naast en ter markering van de oprit) geplaatste coniferen en markeringspalen te verwijderen, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere keer dat [eiser] na betekening van dit vonnis handelt in strijd met dit verbod.

4.2. [eiser] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

5. De beoordeling in conventie

5.1. Van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is voldoende gebleken.

5.2. Kernvraag van dit geschil is of [gedaagde] [eiser] in de uitoefening van diens erfdienstbaarheid belemmert of hindert. Daarbij speelt een rol of [eiser] en de zijnen op een zodanige wijze van het recht van overpad gebruik mag maken dat (ook huidige) tractoren met landbouwbewerkingsmachines vanaf de [adres] van en naar het perceel van [eiser] kunnen gaan.

5.3. Artikel 5:73, eerste lid BW bepaalt - voor zover van belang - dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan bepaald worden door de akte van vestiging en, voor zover de akte geen regeling bevat, door de plaatselijke gewoonte.

Bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251 en HR 2 december 2005, NJ 2007, 5 ). In het licht van deze toetsingsmaatstaf overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.4. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven - hetgeen door [eiser] ook niet wordt betwist - dat in de afgelopen decennia tractoren en andere landbouwwerktuigen in het algemeen zwaarder en groter zijn geworden. Dat heeft tot gevolg dat aangenomen moet worden dat het gebruik van moderne machines enige verzwaring van de erfdienstbaarheid inhoudt.

Naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter is die verzwaring in dit geval niet van dien aard dat deze niet meer te verenigen is met de inhoud van de erfdienstbaarheid zoals deze in 1991 is gevestigd. Daarbij is van belang dat de in de leveringsakte opgenomen omschrijving van de erfdienstbaarheid geen beperkingen voor wat betreft wieldruk, breedte of lengte van de te gebruiken voertuigen is genoemd, en dat - nu het heersende erf een perceel grasland betreft - partijbedoeling moet zijn geweest om (ook) met (groter wordende) landbouwwerktuigen de weg te gebruiken.

5.5. [gedaagde] heeft ter zitting meegedeeld dat hij de betonpalen, de bielsen, de houten planken en de boompjes heeft geplaatst om - nadat tussen hem en [eiser] problemen waren gerezen - de begrenzing van de weg duidelijk te maken. Een ander belang van [gedaagde] is gesteld noch gebleken.

De door [gedaagde] geplaatste zaken leiden echter tot een belemmering van de erfdienstbaarheid die [eiser] niet behoeft te aanvaarden.

Enerzijds geldt dat, zoals uit rechtsoverweging ?5.4 kan worden afgeleid, dat ook de voor bewerking van grasland huidige gangbare landbouwwerktuigen het perceel moeten kunnen bereiken. Anderzijds is van belang dat - anders dan [gedaagde] lijkt te veronderstellen - ook de berm tot de weg behoort. Juist bij een haakse bocht is het niet ongebruikelijk dat voertuigcombinaties niet slechts van het rijvlak maar ook op beperkte wijze van de berm gebruik maken. Dat door het rijden met (zwaardere) landbouwbewerkingsmachines (sneller) schade aan de berm of het verharde gedeelte van de weg ontstaat, leidt niet tot een ander oordeel. [eiser] heeft ter zitting meegedeeld dat hij deze schade zal vergoeden.

5.6. Het vorengaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] op de navolgende wijze zullen worden toegewezen.

5.7. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.239,31

6. De beoordeling in reconventie

6.1. De toewijzing van de vorderingen in conventie brengt mee dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. Omdat deze vordering niet tot extra werkzaamheden zijdens [eiser] heeft geleid, blijft een proceskostenveroordeling achterwege.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. gebiedt [gedaagde] om ongestoorde en onvoorwaardelijke toegang te verlenen op zijn dienend erf, ten behoeve van het heersende erf, door alle roerende goederen - meer in het bijzonder de in rechtsoverweging ?2.3 genoemde twee betonnen palen, de coniferen haag, de bielsen, de daarachter/daaropliggende ongedefinieerde zaken en het dichtst bij het rijvlak staande boompje - van dat pad te verwijderen en verwijderd te houden;

7.2. verbiedt [gedaagde] om het dienend erf geheel of ten dele ter zake het recht van overpad af te sluiten of afgesloten te houden;

7.3. bepaalt dat [gedaagde] voor elke dag, een gedeelte daarvan daaronder begrepen, dat [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis met de bovengenoemde ge- en verboden in strijd handelt, een dwangsom verbeurt van EUR 500,- met een maximum van EUR 25.000,00;

7.4. machtigt [eiser] om ter effectuering van het recht van overpad - zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en steeds op kosten van [gedaagde] - zichzelf toegang tot het dienend erf te verschaffen ten behoeve van het heersende erf binnen één week na betekening van dit vonnis;

7.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.239,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.6. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.8. wijst de vorderingen af,

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Zomer en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2007.